Skip to main content

nr4 • 2008 • De canon van Gods daden

mei 2008 (22e jaargang nr.4)

De canon van Gods daden
Prof.dr. A. van de Beek

Het aanleggen van een canon van de Nederlandse geschiedenis is een goede gelegenheid om kritisch na te denken over onze opvattingen over Gods handelen in de geschiedenis. Het is vooral van belang wat zo’n canon beoogt. Dat is aangeven wat de ijkpunten zijn voor Nederlandse identiteit. Het is niet voor niets dat deze een rol speelt in de integratiediscussie. Wie Nederlander wil zijn, moet weten wat Nederlanders tot Nederlanders heeft gemaakt.

Niet alleen gebeurtenissen zijn van belang, maar vooral ook personen die hun stempel hebben gezet op onze cultuur, zoals Erasmus en Hugo de Groot. Misschien moeten we preciezer formuleren: die wij thans als karakteristieke vertegenwoordigers van de Nederlandse cultuur beschouwen. En met ‘wij’ bedoel ik dan de mensen die op het moment het gezicht bepalen van cultureel Nederland. Niet voor niets is de naam van Frits van Oostrom, de president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, als eerste met de keuze van de canon verbonden.
Kortom: de canon representeert datgene wat cultureel Nederland als karakteristiek vindt voor de Nederlandse geschiedenis en waarin wij tot uitdrukking kunnen brengen wie wij zijn en hoe wij zo geworden zijn.

Een alternatieve canon?
Sommige mensen pleiten voor een alternatieve canon. Dat lijkt me onzinnig. Je kunt de Nederlandse identiteit niet tweemaal definiëren. Wel kan men zeggen dat er een ruimere of andere canon zou moeten zijn. Wat Nederland is, is mede bepaald door de synode van Dordrecht, door de psalmberijming van 1773 en nog veel andere gebeurtenissen. Men zou ook Voetius kunnen noemen naast of zelfs in plaats van Erasmus. Dan zou het christelijke karakter van Nederland beter uitkomen.
Het nadenken over een alternatieve canon maakt het merkwaardige feit zichtbaar dat juist de Nederlandse cultuur helemaal niet past bij een canon. In Frankrijk kan men zich dat beter voorstellen met zijn ideologie van laïcité. Duitsland heeft ook een sterke eenheidstraditie ontwikkeld. Voor Engeland is het al lastiger. Bij Nederland is het echter juist tegen nature: Nederland staat open voor tolerantie, met veel verschillende stromingen en invloeden. In de tijd van de Republiek mocht het gereformeerde protestantisme dominant zijn, maar ook toen speelde het open humanisme een grote rol – en beide zouden ook in die tijd een heel verschillende canon hebben opgesteld. Beneden de rivieren en in het oosten van het land hadden de rooms-katholieken trouwens hun eigen identiteitsmomenten. De martelaren van Gorkum pasten noch bij een humanistische noch bij een gereformeerde canon, maar zij gaven de identiteit van rooms-katholieken in de republiek goed weer. Toen in de negentiende eeuw Duitsland net als Frankrijk zocht naar een eenheidstraditie, ontwikkelde Nederland zijn zuilen. Elke zuil had bij wijze van spreken zijn eigen canon. De geschiedenisles op de lagere school en nog sterker de liederen die daar als identiteitsvormend aan de nieuwe generatie werden geleerd, pasten van geen kant bij elkaar. Het nationalisme van voor de Tweede Wereldoorlog heeft het hier nooit goed gedaan. Het is niet voor niets dat in de hoogtijdagen van nationalisme elders, Nederland het volkslied verving: niet meer ‘Wien Neêrlands bloed in d’aders vloeit’ maar het Wilhelmus. En dat was meer een protest dan een canonisering van Willem van Oranje, zeker geen canonisering voor het hele volk.
Het is daarom opmerkelijk dat uitgerekend nu er een canon moet komen. Dat is zo on-Nederlands als het maar kan en dat heeft alles te maken met het feit dat één bepaalde stroming haar paradigma over Nederland aan de hele samenleving wil opleggen. Zoals Frankrijk de regio’s heeft gekoloniseerd, zo koloniseert het liberale humanisme de zuilen, vooral nu er nieuwe zuilen verrijzen in het Nederlandse culturele landschap. De andere zuilen waren geleidelijk en haast stilzwijgend een eind op weg in het kolonisatieproces opgenomen te worden, maar de Islam is weerbarstiger. Tegelijk geeft de behoefte en het slagen van een canon en wel in het bijzonder van deze canon aan, dat de eenheidsvormende ideologie van het liberale humanisme in hoge mate succesvol is geweest. Dat is merkwaardig in een land waar naast radicale secularisatie sterke godsdienstige gemeenschappen zijn, niet alleen van moslims maar ook van christenen. Kennelijk negeert men wat er op zondag gebeurt in Hendrik Ido Ambacht, in Putten, in Drachten – en in zoveel andere plaatsen waar een bloeiend (vaak jong) gemeenteleven bestaat. Zoiets vind je niet in Duitsland of Frankrijk, waar christelijke waarden respectievelijk positief en negatief worden gehonoreerd als cultuurgoed, maar zonder een levende krachtige geloofsgemeenschap – die haar eigen identiteit heeft.

Een eigen canon?
Dus toch meer momenten en personen in de canon opnemen? Ik vrees dat het dan een allegaartje wordt. Want de verschillende zuilen in Nederland (die politiek misschien wel grotendeels zijn verdampt, maar in de levende werkelijkheid van mensenlevens allerminst), passen echt niet bij elkaar. Ze bestaan bij de gratie van hun samen leven. Maar dat is iets anders dan een culturele identiteit. Moeten we dan maar allemaal een eigen canon voor onze eigen zuil gaan maken?
Wat is dat dan voor canon? Is dat een canon voor protestants Nederland? Geeft die canon onze identiteit dan het beste weer? Met ‘onze’ bedoel ik dan de Kontekstueel-lezers en de kringen waartoe zij behoren. Dan hebben we daarnaast nog een aantal andere canons. Maar wat is dan de Nederlandse canon? Moeten we niet eerlijk erkennen dat er geen Nederlandse identiteit bestaat – net zo min als een Belgische. Belgen en Nederlanders zijn een bijeengeraapt zooitje dat door de wereldpolitiek van de voorbije eeuwen binnen dezelfde grenzen is terecht gekomen, maar cultureel niet zoveel met elkaar heeft. Zolang we geen kolonisatie willen en geen Bismarck of Hegel bij de hand hebben, wordt het ook nooit wat. Het enige wat we gemeen hebben, is de Nederlandse taal en dat is de pech voor de Belgen – dat ze niet één taal hebben. Want door die ene taal valt het culturele verschil minder op. Laten we het daar maar bij houden. Zodra we feiten of personen gaan canoniseren hebben we het vóór we het weten in navolging van de Guldensporenslag en de slag op het Merelveld over de slag bij Mirns of het graf van Karel de Grote in Aken, om over Goejanverwellesluis en Oldenbarneveldt maar te zwijgen.  

Een eigen canon!
Moeten we dan maar helemaal geen canon hebben? Integendeel, waarom zouden we een canon maken? Want we hebben er al één. Het is hoogst merkwaardig dat christenen zich druk maken over een nieuwe canon. Het is al helemaal merkwaardig dat juist orthodoxe christenen dat doen. We hebben toch een canon die onze identiteit weergeeft? Daarin staan de personen en gebeurtenissen die weergeven wie we zijn. Dat is de canon waarin het gaat over Abraham en Mozes, over David en Ezra, over de uittocht en de ballingschap. Beter gezegd: dat is de canon waar het gaat over God die Abraham riep en door Mozes zijn geboden schonk, die David koning maakte en door Ezra de mensen bij de les bracht. Dat is de canon over die God die in Christus Jezus het kruis droeg en de dood overwon. Het is canon die spreekt over de Geest die onze identiteit vormt, omdat we door Hem niet meer van onszelf maar van onze trouwe Zaligmaker Jezus Christus zijn.
Onze diepste identiteit wordt uitgedrukt door deze canon. Die is niet voor niets afgesloten. Met de komst van Christus is de tijd vervuld. Het is het einde der tijden, de volheid van de tijd, de laatste dagen. Wie we zijn is vastgelegd in de canon van het Oude en Nieuwe Testament. Die moeten we onze kinderen inprenten. Psalm 78 geeft het duidelijk aan: we moeten onze kinderen vertellen van Gods daden, opdat onze kinderen niet worden zoals wij zelf zijn. Dat is de les van de geschiedenis: de geschiedenis van ons falen en van Gods heil en oordeel.
Kortom: ik vind de hele discussie over de canon van de geschiedenis beschamend voor christenen. Het is een ontkenning van ‘Het is volbracht’. Wat hebben we verder nog te verwachten na Gods komen in Christus?

De canon en het Nederlanderschap
Is er echter naast deze identiteit in Christus niet een identiteit als Nederlander? Ik heb maar één identiteit: die als christen en als christen ben ik een vreemdeling op aarde, ik woon als een vreemdeling in mijn eigen land; elk vreemd land is mijn vaderland en elk land is mij vreemd, zoals de vroegkerkelijke brief aan Diognetus zegt.1 Als mijn identiteit bepaald moet worden door het vaderland, dan moet ik, om mijzelf niet te verliezen, ook het vaderland verdedigen. Voor je het weet, heb je dan een wapen in de handen of zit je in een tank. Voor je het weet, vergeet je dat er ook over de grens broeders en zusters in Christus zijn.2 Voor je het weet, zitten de Engelsen te bidden aan de ene kant van de heuvel en de Boeren aan de andere kant.
De humanisten kunnen een canon voor de Nederlandse geschiedenis maken. Ik denk dat ze historisch gezien dan een smalspoor rijden en de geschiedenis onrecht doen. Ze kunnen dan ook niet verder kijken dan hun seculiere neus lang is. Maar als christenen hebben we niets aan zo’n canon, niet aan die van de humanisten, en evenmin aan een gekerstende canon van de vaderlandse geschiedenis. Want Nederland en zijn geschiedenis zijn niet te canoniseren. Aan onze jeugd kunnen we slechts leren dat dit de identiteit van het land van ons vreemdelingschap is. Het is goed dat de kinderen dat weten – als ze maar nooit gedwongen worden om die canon aan te hangen en lief te hebben met hun hart en hun ziel. Gelukkig hebben we nog geen dagopeningsceremonie op onze scholen, zoals veelal in de Verenigde Staten en zoals men nu ook in Zuid-Afrika wil invoeren, om het vaderland en zijn helden te eren. Het Wilhelmus zingen als lied tegen het Neêrlands bloed en als erkenning van de overheid van de koning van Hispanje gaat bij nationale manifestaties nog net, maar dat moet het dan ook maar zijn voor christenen.

Gods daden in de geschiedenis
Doet God dan geen daden in de geschiedenis die wij mogen en moeten gedenken? God stelt inderdaad daden in de geschiedenis. Wij belijden zelfs dat alle gebeurtenissen uit zijn hand voortkomen. Als het echter gaat om alle gebeurtenissen, dan lenen die zich niet voor canonisering. Bij de canon gaat het om specifieke gebeurtenissen. Het gaat om Gods bijzondere daden van oordeel en heil. Doet God die dan niet in onze geschiedenis? Mag men op 5 mei 1945 niet Valerius’ Gedenck-clanck opslaan en zingen: ‘Wilt al uw dagen dit wonder bijzonder gedenken toch’?
Dat kan inderdaad, maar het luistert nauw hoe we dat doen. Als het gaat om de bevrijding van Nederland, als nationale staat, dan kan het niet. Nederland is niet Israël als Gods eigen volk. Nationale staten hebben geen heilsbetekenis en kunnen komen en gaan. Of Nederland nu wel bestaat of niet bestaat maakt voor het geloof niets uit. De bevrijding van Nederland is geen reden voor het prijzen van de Naam van God.
Iets anders is dat die bevrijding vrijheid gaf om te herademen, om in rust te leven en te geloven, zonder de angst van de Nazi tirannie. Daar kunnen we God voor danken: dat we een stil en gerust leven mogen hebben. Dan gaat het niet om de bevrijding van het land, maar om de val van de tirannie. Dat deze tot stand kwam door geweld, kan trouwens nooit onze zegen hebben. Christenen zegenen niet de wapens. Dat kunnen ze alleen als ze hun ziel hebben verkocht aan een andere canon dan die van de Schrift. We danken alleen God als er een situatie van rust is, ook als dat de opgelegde rust van het Romeinse Rijk is (of van welk ander rijk ook), als ze maar niet van ons vragen onze identiteit elders te kennen dan in Christus, en dus: als ze ons maar niet vragen een andere canon te accepteren, of die nu een beetje meer of minder christelijk is, maakt niet uit.
We kunnen God danken om gebeurtenissen en mensen door wie Hij ons deed herademen. Maar zij schreven geen geschiedenis zoals Gods vinger schrijft. Die geschiedenis heeft Hij geschreven en die is volbracht. De laatste vingerwijzing naar Gods daden is die van Johannes de Doper: ‘Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld draagt.’ Al Gods daden in onze geschiedenis zijn te vergelijken met regen en droogte, gezondheid en ziekte, de zon die Hij doet opgaan over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, de regen die hij doet neerdalen op bozen en goeden. Ze geven ons leven en we danken Hem ervoor. Ze zijn echter van een geheel andere orde dan de roeping van Abraham, de heerlijkheid van Sinaï, het sterven van Christus aan het kruis, zijn verrijzenis uit de dood en de gave van zijn Geest. Bidden om een stil en gerust leven en om wijze mensen in de geschiedenis van de wereld en daarvoor danken: prima, maar een canon van een Nederlandse geschiedenis, dat lijkt me God geklaagd.

Prof.dr. A. van de Beek is als hoogleraar verbonden aan de theologische faculteit van de VU in Amsterdam

Noten:

1.  A.F.J. Klijn, Apostolische vaders 3, Bosch en Keuning, Baarn 1967, 104.
2.  Tertullianus, De corona 12.