Skip to main content

nr3 • 2014 • Dogmatiek als apologetiek

28e jaargang nr. 3 (jan. 2014)

Christelijke dogmatiek

B. van den Toren

Dogmatiek als apologetiek. Een ‘oriëntatiecursus christelijk geloof’

Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooi hebben hun nieuwe dogmatiek bewust geschreven voor de huidige generatie theologiestudenten ‘met de intellectuele bagage en vaardigheden’ die van deze generatie verwacht kunnen worden (12)1. Dat betekent in de eerste plaats dat er slechts een beperkte kennis van de eigen inhoud en samenhang van het christelijk geloof verondersteld kan worden.

De tijd ligt inderdaad ver achter ons dat belijdeniscatechisanten Magnalia Dei van Herman Bavinck (1909) bestudeerden en in hun studie zo in de wereld van zijn vierdelige Gereformeerde dogmatiek (1895-1901) binnen konden stappen.
Een tweede verandering die daarmee samenhangt is ook dat ‘[h]et vanzelfsprekende (zelf?)vertrouwen waarmee vorige generaties soms van alles en nog wat over God meenden te weten [...] ons [is] ontvallen.’ (11) De auteurs zijn er zich daarom van bewust dat deze dogmatiek een grondige oriëntatie moet bieden in een wereld die voor vele lezers steeds vreemder is en daarnaast moeite zal moeten doen het christelijk geloof te verantwoorden. Bewust of onbewust aanhakend bij David Fords stelling ‘
The Best Apologetics is Good Systematics’ stellen ze zelfs dat dogmatiek ‘een vorm van hedendaagse geloofsverantwoording is’ (13; vgl. 37) . In deze bijdrage wil ik op uitnodiging van de redactie de Christelijke dogmatiek lezen als een oefening in de geloofsverantwoording en als een uitgebreide ‘oriëntatiecursus christelijk geloof’. Ik wil laten zien hoe belangrijk en vruchtbaar deze benadering is waarbij dogmatiek en apologetiek dichter tegen elkaar aan of zelfs in elkaar worden geschoven. Tegelijkertijd wil ik de vraag stellen of de apologetische spits van deze dogmatische reflecties niet robuuster had gekund dan we in deze dogmatiek zien.

Het funderingsdenken voorbij
Vanuit een modern standpunt zal dit boek niet snel als een voorbeeld van ‘geloofsverantwoording’ worden herkend. In deze positie worden apologetiek en dogmatiek nogal eens tegen elkaar uitgespeeld: dogmatische reflectie veronderstelt de autoriteit van de Schrift, terwijl de apologetiek het geloof probeert te verantwoorden op grond van uitgangspunten die voor ieder rationeel denkend mens aanvaardbaar zijn. In dit zogenaamde ‘funderingsdenken’ wordt kennis opgevat naar analogie van een gebouw met een fundament waarop verdere kennis wordt gebouwd. De dogmatiek is gebouwd op het fundament van de Schrift; de apologetiek wil beginnen met een algemeen aanvaardbaar fundament. Dit ‘universalistisch funderingsdenken’ komt uit de Verlichting: alleen algemeen toegankelijke of algemeen aanvaardbare kennis kan de fundering vormen voor ware kennis en zeker voor het publieke debat. In die lijn is het de taak van de apologeet het geloof te verantwoorden op grond van algemene religieuze ervaringen, algemene rationele principes of algemeen toegankelijke waarnemingen.
Vanuit een dergelijke klassiek moderne benadering van de apologetiek is deze dogmatiek eerder als on-apologetisch aan te merken. De dogmatiek begint met theologie als ‘nadenken over geloof’ (19) 'van binnenuit' (50) en volgt consequent de structuur van het
fides quaerens intellectum (26). Op een aantal cruciale punten worden theologische visies met betrekking tot bijvoorbeeld godsbewijzen of de opstanding kritisch beoordeeld, omdat ze de indruk wekken dat het geloof overbodig is als er een bewijs voor het geloof gegeven zou kunnen worden. Hiermee in overeenstemming hebben de prolegomena een relatief beperkte plaats. In de lijn van Karl Barth functioneren de prolegomena niet als een algemene antropologische of wetenschappelijke vloer. Het gaat in deze prolegomena veel meer om een inleiding in de taak van de dogmatiek. De prolegomena bieden geen algemeen aanvaardbaar ‘fundament’ voor de christelijke theologie.
Deze afstand tot het funderingsdenken is eveneens duidelijk in de benadering van de openbaring (hoofdstuk 5) en de schriftleer (hoofdstuk 13). Ze worden niet in de
prolegemona behandeld als algemene principes die los van hun inhoud besproken kunnen worden en vervolgens de rest van het gebouw van de dogmatiek funderen. De openbaring wordt besproken in het kader van de godsleer en de schriftleer in het kader van de pneumatologie: hoe openbaring en Schrift verstaan wordt kan niet in het algemeen worden besproken, maar krijgt inhoud en reliëf in relatie tot het christelijk verstaan van het wezen van de drie-enige God en de aard van het werk van de Heilige Geest in deze wereld.

Geloofsverantwoording
Juist op deze wijze hebben Van den Brink en Van der Kooi echter een belangrijke bijdrage geleverd aan de geloofsverantwoording. Uiteindelijk is het christelijk geloof namelijk niet te verantwoorden op grond van algemeen aanvaardbare uitgangspunten. Het postmodernisme heeft er terecht op gewezen dat wat men algemeen aanvaardbaar acht veelal de waarden van een bepaalde cultuur weerspiegelt. Theologisch is het van groot belang vast te houden dat het geloof altijd een ‘geschenk’, een ‘verrassing’ is (66), omdat het geloof gegrond is in de soevereine en genadige openbaring van God in Christus. Sterker nog, het geloof in Christus is in ‘tegenspraak’ (155) met wat we als mens geneigd zijn om te geloven. De openbaring ‘stoort, verwart, ergert’ (155). Daarom willen de auteurs vasthouden aan de ‘niet-noodzakelijkheid van God’ (67, gezien de context neem ik aan dat het de auteurs hier niet gaat om een ontologische uitspraak over het wezen van God maar om de ‘niet-noodzakelijkheid van het gelóóf in God).
Deze dogmatiek wil ons daarom binnenleiden in de nieuwe wereld van het geloof. En omdat deze wereld niet in het verlengde ligt van wat de wereld uit zichzelf gelooft, is de beste apologetische procedure niet om te laten zien hoe het aan zou kunnen sluiten bij wat mensen sowieso al geloven, maar veeleer hoe het een integriteit heeft in zichzelf, hoe het een heel eigen grond heeft die we in Christus leren kennen en hoe het op een geheel eigen wijze de werkelijkheid waarin we leven interpreteert. Daarin ligt ook de apologetische betekenis van een dogmatiek van zevenhonderd bladzijden. In onze laatmoderne tijd hebben ook veel christenen slechts een gefragmenteerde kennis van soms slechts flarden van geloof, die in een heel spanningsvolle relatie staan met andere terreinen van hun leven en overtuigingen. In een wereld met een korte aandachtsspanne, waarin mensen van het ene naar het andere televisiekanaal zappen en in hoog tempo door heel verschillende werelden over het web surfen, blijft het christelijk geloof heel vreemd en zal het ook maar moeilijk haar eigen integriteit en redelijkheid laten zien. Daarvoor is het noodzakelijk om grondig met die nieuwe wereld kennis te maken, door de tijd te nemen voor een enigszins omvattende introductie. In een gefragmentariseerde wereld is een dergelijke grondige oriëntatie in de dogmatiek dus cruciaal voor de geloofsverantwoording.

Apologetiek na – en voorbij – Karl Barth
In deze benadering van apologetiek herkennen we dus – in het verlengde van Van der Kooi’s dissertatie Anfängliche Theologie. Der Denkweg des Jungen Karl Barth (1987) de kritiek van Karl Barth op moderne vormen van apologetiek, die zich met eigen accenten ook laat herkennen in het werk van de veelvuldig geciteerde Oepke Noordmans en K.H. Miskotte. Toch zien we in deze Christelijke dogmatiek ook een beweging voorbij Barth. Waar het bij Barth vooral in zijn meer radicale uitspraken lijkt als of het christelijk geloof een gesloten cirkel is met geen enkele toegang van buiten, zien Van den Brink en Van der Kooi een groot scala aan ervaringen die een toegang kunnen vormen tot het christelijk geloof. Ze zijn in de lijn van Karl Barth kritisch over ‘religie’ als toegang (50, 74v), maar blijven ook daar open voor een zekere continuïteit tussen bredere religieuze ervaringen en de ontmoeting met God en Christus. Omdat ze aan de universaliteit van Gods openbaring recht willen doen hebben ze in dit opzicht meer sympathie voor Brunner (178).
De
Christelijke dogmatiek laat ruimte voor een veelheid van verwijzingen naar God. Het heeft daarbij een voorkeur voor ‘bestaanservaringen’ die een openheid naar God oproepen boven argumenten, omdat de eerste appelleren aan diepere lagen van ons bewustzijn en ‘invoelbaar maken waar het christelijk geloof eigenlijk op slaat’ (73). Er wordt echter benadrukt dat ervaringen, ook religieuze ervaringen, ambigu zijn en geïnterpreteerd moeten worden (7). Het gaat in de woorden van Anton Houtepen vooral om ‘sporen van God’ (68, 71) die het geloof wel kunnen ‘evoceren, maar [...] niet funderen’. (68) Ze verwijzen niet altijd ‘rechtstreeks, maar vaker kruisgewijs’ (69) naar God. Deze benadering weerspiegelt zich ook in de opbouw van het boek. De hoofdstukken worden steeds ingeleid met een aantal vragen ‘om erin te komen’ waarin regelmatig aansluiting gezocht wordt bij film, literatuur of ervaring.
Deze ruimte voor het gebruik van ‘sporen van God’ en een veelheid aan religieuze en bestaanservaringen hangt natuurlijk samen met theologische keuzes, met name voor een veel meer gevulde scheppingsleer en verder uitgewerkte pneumatologie dan bij Barth. Geen enkel aspect van de geschapen werkelijkheid en van ons leven staat los van God. Binnen die veelheid van verwijzingen wordt terecht bijzondere waarde toegekend aan de figuur van Jezus, aan de Schrift en aan de gemeenschap van de kerk (76vv). Deze kunnen weliswaar als elke werkelijkheid waarin God zich openbaart gereduceerd worden tot niets meer dan natuurlijke fenomenen (160vv), maar kunnen ook als we er met kritische ogen naar kijken wel degelijk een uitnodiging vormen tot geloof.

God bewijzen?
Mijns inziens hebben de auteurs dus in hoofdlijn een benadering van de dogmatiek gevonden die apologetisch juist is, door zich niet krampachtig te willen verdedigen, maar die de welwillende lezer binnenvoert in een werkelijkheid die staat als een huis op een rots. Het is mij echter ook na herlezen van de hoofdstukken over ‘waarom geloven?’ (hoofdstuk 2) en over de opstanding (§11.1) nog steeds niet duidelijk wat de auteurs precies denken dat deze sporen van God kunnen laten zien. Dat zal ten dele samen hangen met hun werkwijze: de auteurs hebben over het algemeen een irenisch boek geschreven dat steeds weer de kracht van uiteenlopende posities laat zien, die ze nogal eens bij elkaar brengen in een meerdimensionale benadering, bijvoorbeeld in de visie op de aard van de openbaring (§5.4). Het is voor mij echter de vraag of ze in hun terechte verlangen afscheid te nemen van een moderne apologetiek in de lijn van het funderingsdenken, niet teveel afscheid genomen hebben van de mogelijkheid het geloof niet alleen te evoceren, maar daar ook goede argumenten voor op tafel te leggen. Ze geven terecht aan dat er geen ‘onomstotelijk’ bewijs is van Gods bestaan (§2.2) en dat er geen ‘waterdicht bewijs’ is van de opstanding van Christus (400). Dat betekent echter niet dat er geen heel goede argumenten zijn, maar die uitnodigen om te accepteren dat dit inderdaad het meest redelijke alternatief is.
Het gaat inderdaad om een uitnodiging, omdat het geloof zich niet laat dwingen. Maar dat geldt voor zoveel vormen van geloof. Het feit dat ik iemand niet kan dwingen om een medische behandeling te accepteren als het beste wat nu voorhanden is en dat ik holocaust ontkenners niet kan dwingen om hun visie te veranderen, maakt de alternatieven niet tot een even redelijke positie. Voorzover ik het kan zien ontkennen de auteurs dat ook niet, maar doordat ze het zozeer in het midden laten, wordt de apologetische kracht van deze dogmatiek toch onnodig verzwakt.

We zien dit bijvoorbeeld in de bespreking van de opstanding. Terecht wordt opgemerkt dat de opstanding voor de eerste discipelen de beslissende gebeurtenis was die hen overtuigde van de betekenis van Jezus als Christus en Heer (396). In de bespreking van de aard van de opstanding wordt vervolgens terecht opgemerkt dat het niet gaat om een gewoon historisch gebeuren noch om alleen een subjectieve ervaring. Het gaat om een voluit eschatologisch gebeuren, een gebeuren die de mogelijkheid van de geschiedenis tot dan toe overstijgt en daarom alleen in geloof aanvaard kan worden (401vv). Toch stellen ze terecht dat het wel degelijk betrekking heeft op ‘het fysisch substraat van de aardse werkelijkheid’ (402). Het lege graf is theologisch cruciaal, omdat het laat zien dat God trouw is aan deze geschapen werkelijkheid, aan deze mens Jezus van Nazareth, met lichaam en al.
Als dat zo is, dan heeft dat mijns inziens ook sporen nagelaten in de historische werkelijkheid. Het gaat daarbij niet om onmiskenbare sporen. Bijna elke historische gebeurtenis kan ontkend worden en zeker een historische gebeurtenis die vraagt om een zo radicaal omdenken van onze visie op de werkelijkheid. Maar dat neemt niet weg dat degenen die de opstanding ontkennen met een groot enigma blijven zitten, een raadsel dat Tom Wright in alle scherpte heeft geanalyseerd: het geloof van de eerste gemeente in de opstanding dat zich alleen laat verklaren als het graf werkelijk leeg was en Jezus werkelijk aan zijn volgelingen verschenen is. Ja, er is geloof nodig om dit te accepteren; maar het gaat dan wel om een geloof dat redelijker is dan alternatieven.
Dat het geloof het meest redelijke alternatief is laat zich niet hard ‘bewijzen’, maar op die wijze laat zich vrijwel niets bewijzen (vgl. 53) en zo gebruiken we ‘bewijs’ ook niet op de meeste terreinen van het leven, in bijvoorbeeld de rechtspraak of de liefde. Elk terrein van de werkelijkheid heeft zo zijn eigen regels wanneer het gaat over de vraag hoe een bewijs eruit zou moeten zien. En als het gaat om religies of levensbeschouwingen heeft het christelijk geloof geweldig goede papieren, wellicht onvergelijkbaar goede papieren. De
Christelijke dogmatiek levert een grondige oriëntatie in het christelijk geloof, die apologetisch van levensbelang is om in onze gefragmentariseerde wereld van harte en vol vertrouwen als volgelingen van Jezus te leven. Maar hier en daar had het best wat robuuster gekund.

 

Prof. dr. Benno van der Toren is hoogleraar Interculturele theologie aan de PThU te Groningen en bijzonder hoogleraar theologie van de charismatische vernieuwing aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

1 Tussen haakjes wordt verwezen naar bladzijden uit de Christelijke dogmatiek.