Skip to main content

nr4 • 2025 • Ga open!

39e jaargang nr.  4 (juli 2025)
thema: Zomernummer

Jan van Helden
Ga open!
Marcus 7:31-37

Genezingsverhalen zijn geen populaire stof om uit te preken. De materie is omgeven met veel springstof, die ofwel ten goede ofwel ten kwade kan worden aangewend. Nog onwenniger en mogelijk gevaarlijker wordt het als het een genezing van demonie betreft. Aan de oppervlakte lijkt er in de moderniteit geen plaats voor demonie, maar als we wat dieper kijker dan wordt de situatie snel anders. We lezen Marcus 7:31-37.
Waarom deze tekst? De reden is een persoonlijke. Ik zelf leef door mijn lichamelijke en psychische klachten geïsoleerd. Die afzondering is deels van een praktische noodzaak, maar ik kwam erachter dat er ook een geestelijke dimensie aan vastzit. En die geldt voor mij persoonlijk, maar naar ik meen ook voor de cultuur als geheel. Jezus lost hier niet een demonisch probleem op voor een enkeling, maar raakt iets aan waar we in de seculiere cultuur collectief aan lijken te lijden – in ieder geval in een grote stad als Amsterdam, waar ik woonachtig ben.

Van buiten naar binnen of vice versa?
De bredere context van het verhaal is Jezus’ verzet tegen uiterlijke godsdienst in Marcus 7. Die begint met kritiek op de reinheidswetten. In het gedeelte verwijt Jezus de geestelijke leiders dat ze bezig zijn met uiterlijke rottigheid die naar binnen gaat, terwijl het echte probleem is dat de rottigheid van binnen (uit het hart) naar buiten gaat. De mens wordt onrein voor God door de zonde die zijn oorsprong vindt in een verduisterd hart. Dit gedeelte eindigt dan ook met een zondetafel (vs. 21-23). Jezus zet hier dus twee bewegingen tegenover elkaar. Die van buiten naar binnen en die van binnen naar buiten.
De vraag die deze gedachtegang oproept, is hoe een hart van binnen verduisterd kan raken. Vers 23 zegt: ‘al deze slechte dingen komen van binnenuit.’ De suggestie die daaruit klinkt is ook: de oplossing voor deze ellende zal niet van binnenuit kunnen komen. De prangende vraag is dus: hoe wordt dat hart weer heel en goed? Dit verklaart waarom er twee genezingsverhalen worden toegevoegd aan dit hoofdstuk, waarin er nog een beweging wordt geïntroduceerd die weer van buiten naar binnen gaat, maar toch net even anders.
Een ander belangrijk motief is dat Jezus zichzelf verstopt, maar dat Hij niet verborgen kan blijven. De achtergrond is het bekende messiaanse geheim dat Jezus koestert in het Marcusevangelie. Jezus is wel de verwachte, gezalfde kroonpretendent van boven, maar Hij wil eerst zijn verkondigende werk van het koninkrijk kunnen doen voordat Hij wordt gearresteerd. Dat is blijkbaar het kenmerk van het goede van Jezus. Het is zo manifest goed dat die verhulling niet lukt, zelfs als het verhulling behoeft. Jezus is het licht dat niet verhuld kan worden. Zelfs onder de korenmaat schijnt Jezus’ licht nog.

Geen geloof in geesten!
Dit motief is belangrijk omdat het in demonie zo ongeveer om het tegenovergestelde lijkt te gaan. Maar als het gaat om demonie bevinden we ons midden in de hermeneutische problemen.
Het lijkt prachtig dat we in de moderne tijd niet meer in boze geesten hoeven te geloven. De filosoof Charles Taylor laat zien dat een belangrijk motief voor het moderne zelfverstaan van de mens als denkend ding [Descartes] juist was dat we onze rationele bunker konden betrekken. Deze bunker immuniseert het poreuze zelf tegen allerlei kosmische krachten, zoals heilige of onheilige geesten. Je rationele ik kan de vrees voor geesten van zich afwerpen door de klapperende deur te verklaren met behulp van luchtdrukverschillen die je gewoon kunt meten. Gelukkig maar, dan kunnen we dat kwalijke geloof in geesten afschaffen. Wij moderne mensen hebben deze beleving van de werkelijkheid zo geïnternaliseerd dat we al die Jeroen Bosch-achtige, middeleeuwse angsten voor demonen niet meer kunnen invoelen.
Waar gaat het bij demonie om? Het is daadwerkelijk een geestelijk probleem en betreft dus de menselijke relatie tot God, die zelf Geest is. Problemen in de relatie tot God kunnen zich psychisch en lichamelijk uiten, maar dat hoeft niet. Demonie is angst voor het goede. Ik ontleen deze beschrijving aan Het begrip angst van Vigilius Haufniensis (Søren Kiergekaard). Deze karakteriseert de demonie als afgesloten zijn in jezelf, zelfgekozen zelfverstrikking die niet meer van binnen noch van buiten lijkt op te lossen. Mensen dragen eenzaamheid, boosheid of lijden met zich, die om dreigt te slaan in verbittering en zelfisolatie. Deze pijn is ondraaglijk, maar kan tegelijkertijd niet worden gedeeld. Alleen de totale afzondering van de grot blijft over.
Maar als Jezus komt, het goede dat niet verborgen kan blijven, roept dit enorme angst op. De angst voor het goede is gegrond in de waarheid dat de demonische, zichzelf opsluitende macht zichzelf totaal niet kan handhaven tegenover de aanwezigheid van Jezus. De schijnhandhaving kan op twee manieren plaatsvinden. Er is het agressieve, maar toch kansloze verzet. In een ander verhaal reageert de boze geest: ‘Wat heb ik met u van doen, Jezus van Nazareth?’ Een andere optie is die van de stomheid. Niet meer reageren, afsluiten. In hoofdstuk 9:25 gaat het om zo’n geval.
Hoe wordt het hart nu geheeld van deze zelfverstrikking? De oplossing is eenvoudig: je moet opengaan, zodat er weer liefde, taal, communicatie kan plaatsvinden. Maar hoe doe je dat als je jezelf hebt opgesloten?

Ga open!
Jezus kijkt omhoog en zegt tegen hem: ‘Ga open!’ ‘Effata!’ Maar tegen wie zegt Jezus dit eigenlijk? Tegen de dove man? Jezus kijkt echter omhoog naar de hemel. De woonplaats van God zelf. De hemel zelf moet zich openen voordat de oren opengaan.
Jezus is dus hier degene die de autoriteit heeft gekregen om de hemel te openen. Hij heeft met zijn woord de totale beschikking over de scheppingsmacht van God zelf. En als Jezus zegt: ‘Ga open’, dan is er ook weer toegang tot het hart van een mens. Dat is ontvankelijk geworden om de woorden van God te horen, zodat de rottigheid eruit kan en er weer wat gaat stromen: liefde, taal, aanraking. Het woord van Jezus maakt dat je Gods scheppingsmacht ontvangt om mensen uit de zelfgekozen isolatie te breken.

Moderne isolatie
We leven in het ideaal van het individuele leven. Dat is inmiddels zo individueel dat mensen hun eigen waarden moeten creëren en navolgen en daarbij zoveel mogelijk moeten breken met allerlei collectieve banden en structuren die de zelfverwerkelijking beknotten. De realiteit is nogal eenzaam. In Amsterdam bestaat zestig procent van de huishoudens uit een persoon. We weten niet meer hoe we samen moeten leven. De ander wordt dan van onbekend tot vijand, tot lastpost. In de film There will be blood is de hoofdpersoon erop gebrand zo verschrikkelijk rijk te worden dat hij daarna nooit meer met iemand hoeft om te gaan. Het levensideaal wordt de eigen gevangenis. Wat ons ten diepste drijft, is ook niet meer bespreekbaar, want overal huist de vrees dat de een voor de ander gaat bepalen hoe hij zijn leven moet leiden. Maar het snijdt ons af van een diep gesprek over wat resonantie geeft (Hartmut Rosa). Dit alles drijft op een enorme poel van zelfafsluiting: de onmogelijkheid om in contact te komen met de diepere emoties en drijfveren en om daarmee werkelijk in verbinding te staan met de ander. De epidemie van angst, depressie en burn-out die ons in deze cultuur tegemoetkomt, is niet van de lucht. Gelukkig zegt Jezus: ‘Ga open!’ Dat woord wekt het geloof dat je de kracht al ontvangen hebt om je naar anderen open te stellen. Dat is waarom er gepreekt moet worden: ga open!

Dr. H.J. van Helden is predikant in de Nederlandse Gereformeerde Kerk Amsterdam-Zuid.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Raadplegingen: 125