39e jaargang nr. 4 (juli 2025)
thema: Zomernummer
Niels den Hertog
Geschapen om te dienen
Het thema van de schepping komt in veel gereformeerde belijdenisgeschriften aan de orde, maar wat gezegd wordt gaat verschillende kanten uit. Dat komt vermoedelijk omdat er niet één front was waartegen men zich had af te grenzen, zoals bij de leer van de genade of de kerk. Zo kon de goede schepping van de mens dienen als een graadmeter waaraan de val wordt gemeten, zoals het in artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gebeurt.
Of het kan zoals het in de Heidelbergse Catechismus gaat, waar de leer van de schepping in een bijzin ter sprake komt in verband met de – voor de Heidelberger belangrijkere – troostende werkelijkheid dat de God en Vader van Jezus Christus mijn God en Vader is. Artikel 12 gaat nog weer een andere weg en biedt een relatief zelfstandige uiteenzetting van de leer van de schepping. In deze bijdrage richt ik me op het eerste gedeelte van het artikel en concentreer ik me bij de lezing ervan zelfs op een woord. Eerst maar even de tekst:
‘Wij geloven dat de Vader door zijn Woord, dat is door zijn Zoon, de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen toen het Hem goeddacht. Daarbij heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen, vorm en gestalte en verschillende taken gegeven om zijn Schepper te dienen. Wij geloven dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, om de mens te dienen, opdat de mens zijn God dient. Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn uitverkorenen te dienen.’
Ik wil een aantal stappen zetten. Vandaag de dag hebben we rond het thema van schepping allerlei vragen. Ik denk dan niet allereerst aan de vragen rond schepping en evolutie – hoewel ik ook daar wel kort iets over wil zeggen – maar ik bedoel met name wat van verschillende kanten verweten wordt aan het christendom, en binnen het wereldwijde christendom misschien nog wel het meest aan de gereformeerde tak, die zich zo radicaal terugtrok op het Woord: het heeft ons opgezadeld met een omgang met de wereld die ons in de vreselijke klimaatcrisis heeft gebracht waar we ons nu in bevinden. Het christelijk geloof heeft seculariserend gewerkt, want het heeft de wereld waarin wij leven onttoverd en de mens in het centrum gezet. Volgens mij moeten we goed naar die kritiek luisteren en – hoewel er meer te zeggen zou zijn over de schuldvraag – niet te snel uit de beklaagdenbank wegstappen. Intussen vind ik het een spannende vraag of er in de gereformeerde traditie, en specifiek in dit artikel, ook aansluitpunten gereedliggen voor een ecotheologie. En hoe dan?
Geschapen om te dienen
Het werkwoord ‘dienen’ (seruir) blijkt in de uiteenzetting van De Brès het woord te zijn dat de schepping stempelt. Hij gebruikt het in die paar zinnen hierboven maar liefst vier keer. Gods schepselen zijn geschapen tot dienst. En ook nadat de zonde is binnengelaten in de goede schepping, houdt God zijn schepselen aan deze oorspronkelijke bedoeling. Te midden van al die schepselen krijgt de mens te horen dat God de andere schepselen onderhoudt om haar of hem te dienen (pour seruir à l'homme). Dat geldt ook voor de engelen: hun diepste wezen bestaat in een leven ten dienste van Gods uitverkorenen. Dat geeft de mens een bijzondere plaats ten opzichte van de medeschepselen: inderdaad lijkt de hele wereld door God om hem heen geschapen te zijn.
Het kan hier echter grondig misgaan. Critici van het antropocentrisme hebben deze manier van denken aangewezen als een goddelijke sanctionering van een gevaarlijke omgang met onze aarde. Als God inderdaad de dieren en de gewassen onderhoudt om de mens te dienen, is het dus geoorloofd om die andere schepselen te onderwerpen aan het menselijke streven naar welvaart. In een klassiek geworden artikel heeft Lynn White in 1967 de vragen scherp verwoord. Hij gebruikt daarbij precies datzelfde woord ‘dienen’ om zijn punt te maken: ‘Hence we shall continue to have a worsening ecologic crisis until we reject the Christian axiom that nature has no reason for existence save to serve man’. Omdat de hedendaagse wetenschap en techniek zo doortrokken zijn van christelijke arrogantie jegens de natuur (ook wanneer deze oorsprong niet meer beseft wordt), dient de oplossing ook ‘essentially religious’ te zijn. Hij vindt deze bij Franciscus, bij wie de natuur niet langer een boodschap heeft (de mier als een preek voor luie mensen), maar principieel broeder en zuster wordt.
Er is niets tegen om te luisteren naar Franciscus, maar ik wil graag nog even blijven bij artikel 12. Moet het fout gaan als je zo spreekt? Op twee dingen wil ik wijzen. Om te beginnen is het belangrijk om te bedenken dat Guido de Brès begint met te benadrukken dat alle schepselen allereerst een eigen verhouding tot God de Schepper hebben. Zij hebben Hem te dienen (pour seruir à leur createur). De framboos, de rivier, de bergen en de kip zijn geroepen om hun God te dienen. Ook de mens staat in dit rijtje, maar hij dient te beseffen dat hij oorspronkelijk geen andere roeping heeft dan de andere schepselen. En hij dient zich af te vragen of hij met zijn gedrag de andere schepselen wellicht hindert in hun gehoorzaamheid aan hun roeping.
Pas in tweede instantie wordt gezegd dat de schepselen door God worden onderhouden om de mens te dienen. Al staat het er niet letterlijk bij, de belijdenis lijkt te suggereren dat deze onderhouding door God ziet op zijn zorg voor het gevallen schepsel. De zonde is erbij gekomen en de dingen staan niet meer op hun plek. Nu dienen de schepselen de mens. Hun dienst heeft echter van meet af aan een doel: opdat de mens zijn God zou dienen (afin que l'homme serue à son Dieu). Dat doel brengt als vanzelf een grens mee. De omgang van de mens met zijn medeschepselen dient voortdurend bepaald te worden door de vraag of het medeschepsel ons met zijn dienst aan ons ook inderdaad brengt tot dienst aan God.
Het lijkt me dat deze beide lijnen – de schepselen met hun eigen verhouding tot God en de begrenzing van hun dienst aan de mens – in de geschiedenis zijn ondergesneeuwd. Inderdaad hebben de woorden van de kerk een problematische uitwerking gehad. De vraag is echter of dat aan de woorden ligt of aan de hoorders. Ik kom daar op terug, maar pak eerst een andere lijn op die in de belijdenis wordt voorbereid met de keuze voor het woord ‘dienst’ als aanduiding van het geheim van de schepping.
De Heer als knecht
Met zijn keuze voor het werkwoord ‘dienen’ heeft Guido de Brès de leer van de schepping stevig verbonden aan het Nieuwe Testament – naar ik aanneem: bewust. In het Nieuwe Testament immers klinkt het woord ‘dienen’ met grote regelmaat als omschrijving van het werk van Jezus Christus. In de brief aan de Filippenzen haalt Paulus een lied aan waarmee in de vroege kerk de weg van Jezus Christus bezongen werd: Hij is gekomen om een dienaar te zijn (Fil. 2:7). In Marcus 10:45 zegt Jezus dat Hij niet gekomen is om gediend te worden, maar om zelf te dienen en zijn leven te geven als een losprijs voor velen. In een wereld waar ‘Red jezelf!’ de hoogste wijsheid is geworden (Luc. 23:35, 37, 39), gaat Jezus trouw de weg die de Vader Hem wijst en dient Hij vanaf het kruis de zijnen met het offer van zijn leven (vgl. Luc. 22:27). Die weg blijkt terug te grijpen op de diepe structuur van de schepping: dienen. Met de keuze voor het woord ‘dienen’ in de bespreking van de leer van de schepping legt de belijdenis zodoende een diep verband tussen de schepping en de leer van de verzoening.
De knecht die heer wil zijn
Rondom deze dienende Christus toont onze wereld haar ware gezicht. Brengt dat woord ‘dienst’ voor de bezinning op de zonde niet in één keer onze nood aan het licht? Hierboven heb ik het gehad over de schade die is aangericht toen de begrenzing die gegeven is met de toevoeging ‘opdat de mens zijn God zou dienen’ vergeten werd. Maar als die begrenzing vergeten wordt, gebeurt er meer dan dat bio-industrie, ontbossing en roofbouw mogelijk worden gemaakt. Als die mens de andere schepselen wel aan hun roeping om hem te dienen wil houden, maar vergeet in welk groter verband hun dienst staat en tot welke dienst hijzelf geroepen is, is hij van zijn plaats gelopen en heeft zich hoogmoedig de heerschappij toegeëigend. Anders gezegd: onze zonde komt daarmee in beeld als de drang om te onderwerpen, om te heersen.
Herschapen om te dienen
Als God zijn schepsel houdt aan zijn oorspronkelijke bedoeling en als Hij die bovendien in Jezus Christus herstelt, dan wijst Hij daarmee ook de weg in het nieuwe leven onder de heerschappij van Christus. God houdt vast aan de orde die Hij in de werkelijkheid gelegd heeft. En zo geeft deze belijdenis ons ook in het debat over schepping en evolutie belangrijk gereedschap in handen. Niet allereerst over de vragen omtrent het ontstaan van de aarde en het leven. Maar vooral over de veel belangrijker (!) vraag welke orde ten grondslag ligt aan onze werkelijkheid. Struggle for life en survival of the fittest zijn de korte samenvattingen en Dawkins spreekt over the selfish gene. De structuur van de werkelijkheid is dan gevecht. Aktion T4, de eerste massamoord ten tijde van het Derde Rijk op ‘Lebensunwertes Leben’, kon zich beroepen op deze gedachte.
Als God zelf in zijn verzoeningswerk de werkelijkheid houdt aan haar diepste bedoeling en haar in zijn Zoon herstelt, dan kan het niet anders of de kerk van Jezus Christus zal – in de vrijheid gesteld door Hem, levend door zijn Geest, geleerd door haar belijdenis – bij haar omgang met de schepping zich voortdurend de twee punten herinneren: de niet-menselijke schepping heeft een eigen roeping van de Schepper om Hem te dienen. En zij wordt onderhouden om ons te dienen, opdat wij onze God dienen. Bij dat eerste mogen wij haar niet hinderen, maar daartoe hebben we haar in staat te stellen. Voor dat tweede hebben wij haar dankbaar te zijn in het besef dat wij de grens die hiermee gegeven is slechts tot onze eigen schade kunnen negeren.
Dr. C.C. den Hertog is docent systematische theologie en publieke theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en redactielid van Kontekstueel.
Mailadres:
- Raadplegingen: 130