Skip to main content

39e jaargang nr.  4 (juli 2025)
thema: Zomernummer

Gert de Goeijen
Vreemde snuiter(s)

Afgelopen maart bezocht ik de ontmoetingsdag van de Stichting Gave. Deze dag stond in het teken van het dertigjarig bestaan van de organisatie. De naam Gave is gevormd uit de eerste letters van ‘Gastvrijheid (aan) Asielzoekers (door middel van) Vriendschap (en) Evangelisatie’. Deze dag met veelsoortige en veelkleurige ontmoetingen was verrijkend en verreikend voor mij.
In dit artikel geef ik eerst wat achtergronden met betrekking tot vluchtelingen en daarna trek ik wat lijnen aan de hand van wat de Bijbel meldt over ‘vreemdelingen’ in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament.

Vluchteling
Een vluchteling is iemand die zijn of haar land van herkomst ontvlucht vanwege gegronde vrees voor vervolging. Dit kan zijn vanwege ras of nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Mensen die om andere redenen gevaar lopen, bijvoorbeeld door mensenrechtenschendingen of oorlog, hebben ook recht op bescherming. Het gaat dus om mensen die in eigen land geen bescherming krijgen van de overheid of juist door de overheid worden vervolgd. Vluchtelingen die hun leven of vrijheid niet zeker zijn, mogen niet worden teruggestuurd naar het land van herkomst (non-refoulement). Dat is zo bepaald in het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Vluchtelingenverdrag werd opgesteld in 1951 en was oorspronkelijk bedoeld voor mensen die waren gevlucht tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Nederland tekende het verdrag in 1956 en inmiddels zijn er meer dan honderdvijftig landen bij aangesloten.

De Verenigde Naties vermelden dat van de ruim 117 miljoen vluchtelingen in 2023 ruim 68 miljoen mensen een veilig heenkomen zochten in eigen land. Zij worden binnenlands ontheemden genoemd. Rond de 49 miljoen mensen vluchtten naar een ander land, waarvan 69 procent in de regio blijft.
De grootste aantallen vluchtelingen komen al enkele jaren uit een beperkt aantal landen. Cijfers uit 2023 laten zien dat bijna drie op de vier vluchtelingen (73 procent) afkomstig was uit slechts vijf landen. In absolute aantallen zijn de meeste mensen Afghanistan ontvlucht, gevolgd door Syrië, Venezuela, Oekraïne en Soedan.
De vijf landen die de meeste vluchtelingen opvangen zijn Iran (3,7 miljoen), Turkije (3,3 miljoen), Duitsland (2,6 miljoen), Pakistan (2 miljoen) en Oeganda (1,6 miljoen).

Van de miljoenen mensen die op de vlucht zijn, komen er jaarlijks ook enkele duizenden naar ons land. Een vluchteling moet zich melden in het aanmeldcentrum van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel. Het grootste deel van de vluchtelingen dat zich meldt, wordt na het eerste onderzoek geweigerd en teruggestuurd naar het land van herkomst. De overige vluchtelingen gaan naar een asielzoekerscentrum (azc). Zij zijn dan asielzoeker.

Asielzoekers gaan tijdens hun verblijf in een azc door een uitgebreide procedure heen. De IND beoordeelt of de asielzoeker mag blijven. Het wachten op zo’n beslissing kan maanden, soms jaren duren, vanwege de grote instroom van asielzoekers. Als de asielzoeker niet mag blijven, moet hij of zij binnen 28 dagen ons land verlaten. Hij of zij kan ook in beroep gaan en mag in afwachting van de nieuwe beslissing in het azc blijven. Mag een asielzoeker blijven, dan wordt de asielzoeker een ‘statushouder’.
Een statushouder mag (voorlopig) blijven en wordt toegewezen aan een gemeente. Deze toewijzing gebeurt door het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Iedere gemeente in ons land heeft op basis van inwonersaantallen een taakstelling en is verplicht statushouders op te nemen in hun gemeente. Een statushouder is verplicht een inburgeringstraject te doorlopen. De gemeente voert regie op dit traject. Na afronding van het inburgeringstraject is de statushouder ingeburgerd en volwaardig onderdeel van onze maatschappij. Vanwege het tekort aan woningen in ons land verblijven veel statushouders langer in een azc dan gewenst is.
Het COA geeft maandelijks een informatief cijfermatig overzicht. Op 1 mei zijn er 18.253 statushouders en 54.338 asielzoekers in ons land. Zij zijn vooral afkomstig uit Syrië, Turkije, Irak, Eritrea, Somalië, Jemen, Iran en Nigeria. Zij verblijven op 319 COA-locaties, waarvan 98 reguliere en 215 noodopvanglocaties.

Het gaat om mensen
De meeste vluchtelingen komen uit oorlogsgebieden of landen waar mensenrechten worden geschonden. Sommigen zijn hierdoor getraumatiseerd door wat ze gezien hebben of zelf hebben meegemaakt. Gezins- en/of familieleden zijn achtergelaten, evenals woning en werk en zoveel anders dat hen vertrouwd was. Vaak moesten ze plotseling vluchten, waardoor identiteitsdocumenten niet zijn meegenomen of al waren ingenomen door de plaatselijke autoriteiten. Zonder identiteitspapieren kan er niet gevlogen worden, vandaar dat veel vluchtelingen – al dan niet met hulp van mensensmokkelaars – per boot, vrachtauto of te voet vele honderden kilometers hebben afgelegd, vaak ’s nachts, in de kou, met honger.
In ons land aangekomen moeten het vluchtverhaal en ook de vluchteling zelf – vaak zonder identiteitspapieren – geloofd worden door de IND. Iemand die als moslim christen is geworden, zit vaak in angst, want kan hij de reden voor zijn asielaanvraag wel openlijk vertellen? Is de tolk betrouwbaar, is hij veilig in het azc? Datzelfde geldt nogal eens wanneer iemand vanwege homoseksualiteit gevlucht is. Ondertussen duurt het wachten in een azc lang, aangezien men nog niet mag werken, en heb je er weinig privacy doordat iedereen dicht op elkaar leeft.
Er is grote behoefte aan psychosociale hulp: innerlijk kan men rouwen om de ontworteling en het gemis van geliefden. Het aantal suïcide(pogingen) ligt onder asielzoekers bijna tweemaal hoger dan onder de totale Nederlandse bevolking. Tot wel 80 procent van hen heeft angst- en depressieklachten en 50 procent heeft trauma gerelateerde klachten, wat van invloed kan zijn op het samenhangend vertellen van een vluchtverhaal en daarmee op het verkrijgen van asiel.
Een asielzoeker is de grip op zijn leven kwijt en zijn toekomst lijkt in handen te liggen van de beslissing van de IND.

Oude Testament
In het Oude Testament treffen we een aantal Hebreeuwse woorden aan die in onze Bijbelvertalingen met vreemdeling is vertaald.

Ger
‘U bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte’ (Ex. 22:21; 23:9; Lev. 19:34; Deut. 10:19; 16:11; 24:18, 22). Dit vormt de rode draad in de Thora als het gaat om de omgang van Israël met vreemdelingen. Voor vreemdeling wordt hier het Hebreeuwse woord ger gebruikt. Het is afgeleid van het werkwoord gwr dat ‘ergens verblijven’ betekent. De ger is de vreemdeling die om economische of politieke redenen zijn eigen land heeft (moeten) verlaten en in de Israëlitische samenleving blijvend wil integreren om hier een nieuw bestaan op te bouwen. In onze tijd zou je hem kunnen vergelijken met een statushouder, die nog niet volledig is ingeburgerd (dat wil zeggen: nog niet de nationaliteit van het land heeft). Abraham wordt een ger genoemd in Egypte (Deut. 26:5), zo ook Lot in Sodom (Gen. 19:9), Mozes in Midian (Ex. 2:22) en Elimelech in Moab (Ruth 1:1). De ger wordt vaak in een adem met de wees en weduwe genoemd (Deut. 10:18; 24:21; Ps. 94:6; 146:9; Jer. 7:6; 22:3; Ez. 22:7; Zach. 7:10; Mal. 3:5), naar wie Gods zorg uitgaat. Ruim negentig keer treffen we het woord ger aan, waarvan ongeveer zestig keer in de Thora. De ger mocht participeren in Israëls godsdienst en kende vaak dezelfde rechten en plichten als de Israëliet na besneden te zijn (Ex. 12:19; 20:10; Joz. 8:33).

Tosab
De ger wordt onderscheiden van de tosab, want deze is de vreemdeling die tijdelijk in Israël verblijft, bijvoorbeeld als seizoensarbeider of arbeidsmigrant. Een tosab wordt ook wel aangeduid als bijwoner; hij is geen slaaf, maar ook geen burger in volle rechten. We treffen het woord tosab veertien keer aan in het Oude Testament, waarvan zeven keer in Leviticus 25.
Abraham noemt zich een ger en tosab als hij een graf voor Sara in Kanaän wil kopen (Gen. 23:4; zie voor deze combinatie ook Lev. 25:23, 35, Num. 35:15 en Ps. 39:13).

Nokri of nekar
Deze beide woorden komen ongeveer veertig keer voor. Deze vreemdeling hield iets onbekends, hij kwam in Israël vooral voor de handel (vgl. Gen. 17:12, 27); emotioneel, cultureel en religieus hield hij afstand. Hij diende vaak andere goden (vgl. Gen. 35:2, 4). Bij de inwijding van de tempel bad Salomo voor de nokrim, opdat zij de God van Israël gaan aanbidden (1 Kon. 8:41-43). De Herziene Statenvertaling vertaalt in 1 Koningen 11 en Ezra 10 het woord nokri met ‘uitheems’ als het gaat om vrouwen uit een ander land met een andere godsdienst; tegen hen wordt gewaarschuwd. Ruth noemt zich tegenover Boaz een nokri (Ruth 2:10), iemand met een lagere status dan een ger en niet-behorend tot het verbondsvolk. Bijzonder is de plaats van de nokri bij de profeet Jesaja: Hij deelt in de heilsbeloften van de Here (Jes. 56:3, 6; 60:10; 61:5).
Vermeldenswaardig is dat er vier teksten in het Oude Testament staan die de Israëliet als vreemdeling (en bijwoner) voor Gods aangezicht plaatsen: Leviticus 25:23 (ger en tosab); Psalm 39:13 (ger en tosab); Psalm 119:19, 54 (ger) en 1 Kronieken 29:15 (ger). Ze duiden op de vergankelijkheid van het leven en laten zien dat God de eigenaar van het land is. Leven en land zijn gaven, geen eigen bezit.

Nieuwe Testament
Ook in het Nieuwe Testament wordt een aantal Griekse woorden in het Nederlands met ‘vreemdeling’ vertaald.

Xenos
Hier gaat het om iemand die men nog niet kent en dat hoeft niet direct iemand uit een ander land of cultuur te zijn. Het kunnen ook geloofsgenoten betreffen (vgl. philoxenia in Rom. 12:13 en Hebr. 13:2 en xenodocheõ in 1 Tim. 5:10). We vinden het woord in Matteüs 25:35, 38, 43-44; 27:7; Handelingen 17:18, 21; Efeziërs 2:12, 19; Hebreeën 11:13 en 3 Johannes 5.

Paroikos
Hier gaat het om iemand die zich blijvend vestigt te midden van een ander volk, zonder het volledige burgerrecht te bezitten (bij ons een statushouder). Dit lijkt het meest op een ger in het Oude Testament. We vinden het woord in Handelingen 7:6, 29; 13:17; Efeziërs 2:19 en 1 Petrus 2:11.

Parepidemos
Hier gaat het om iemand die tijdelijk verblijf houdt in een ander land, zoals met een tosab in het Oude Testament of met een arbeidsmigrant bij ons. Dit woord komt drie keer voor, in Hebreeën 11:13; 1 Petrus 1:1 en 2:11. In de Septuaginta komt het voor in Genesis 23:4 en Psalm 39:13 (beide keren vertaling van tosab).
De combinatie van xenoi en paroikoi vinden we in Efeziërs 2:19; die van xenoi en parepidemoi in Hebreeën 11:13. Beide keren vertaalt de Herziene Statenvertaling dit met ‘vreemdelingen en bijwoners’.
In onderscheid met xenos hebben paroikos en parepidemos in de genoemde teksten een geestelijke betekenis: de christenen zijn geen vluchtelingen die hun verblijf elders hebben gezocht, integendeel: het zijn plaatsgenoten en/of landgenoten die midden in de samenleving staan. Maar doordat ze tot geloof gekomen zijn, zijn ze in bepaalde opzichten wel vreemd ten opzichte van hun eigen cultuur komen te staan (Fil. 3:20). Hun positie is nu gelijk aan die van een vluchteling: ze zijn vreemdelingen op aarde geworden. En juist voor deze kwetsbare minderheid is gastvrijheid iets belangrijks.

Vreemde snuiter(s)
Vormen de vreemdelingen in het Oude Testament een minderheid binnen Israël, in het Nieuwe Testament is de kerk een minderheid in de wereld. Israël zelf weet wat het is om vreemdeling te zijn geweest, zowel in Egypte als voor Gods aangezicht. Zo weet ook de kerk zich een vreemdeling op aarde, gericht als ze is op het koninkrijk van God. Leven en land zijn gaven, geen eigen bezit.
In mijn optiek kunnen wij niet rechtstreeks de wetten van de theocratie in Israël overplaatsen naar de democratie in Nederland. Bovendien kende het oude Israël niet de massale instroom van vreemdelingen zoals wij die kennen. Daarom is het niet aan de kerk om de overheid te vertellen hoeveel vluchtelingen en arbeidsmigranten hier opgenomen kunnen worden en of Nederland al dan niet vol is.
De afkorting VVV, die vroeger gebruikt werd voor wat nu toeristisch informatiepunt heet, mag door de kerk weer in ere worden hersteld: de kerk is dé Vereniging voor VreemdelingenVerkeer. Want de kerk als vreemde snuiter voelt zich, geïnspireerd door het Oude Testament, verbonden met vreemdelingen vanwege hun veelal kwetsbare positie. Maar niet alleen het pastorale en diaconale hart van de kerk kloppen, ook haar missionaire hart: het evangelie van Jezus Christus kan verkondigd worden (Mat. 28:16-20) aan hen die nooit van Hem gehoord hebben. En ook het doxologische hart klopt, want door de gastvrijheid in kerkgebouwen en bij gastgezinnen thuis wordt al iets zichtbaar van Gods veelkleurige toekomst (Op. 7:9). Daar zullen vreemde snuiters bij-Een en bij-een zijn.

G. de Goeijen is predikant van de Hervormde Gemeente Den Ham en redactielid van Kontekstueel.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Raadplegingen: 120