Skip to main content

nr2 • 2004 • Kroniek, religie en spiritualiteit

december 2004 (19e jaargang nr. 2)

Kroniek: Religie en spiritualiteit onder professionals in de geestelijke gezondheidszorg
drs. P.J. Verhagen

Laten we het over iets anders hebben. Bijvoorbeeld over de boeiende wereld van religie en spiritualiteit onder professionals in de geestelijke gezondheidszorg. Mijn vakgenoten, psychiaters en psychotherapeuten, gelden als de geseculariseerden bij uitstek onder professionals. In ieder geval is er in de loop van de jaren met enige regelmaat gepubliceerd over de kritische, afwijzende of verwaarlozende houding van bijvoorbeeld psychiaters tegenover religie, spiritualiteit en levensbeschouwing. Men zou daar beslist een overzicht van kunnen maken met de vraag of er ook bepaalde trends of verschuivingen zouden zijn aan te wijzen in die houding gegeven bepaalde maatschappelijke en vakinhoudelijke ontwikkelingen. Trouwens het gaat dan niet alleen om een al dan niet wetenschappelijke houding en kennis van zaken, maar ook om vaardigheden en bejegening van patiënten met een religieuze levensovertuiging.

Verschuivingen

Markant was wat dat aangaat het al weer wat oudere overzicht dat gegeven werd door Jacques Kerssemakers, de gewaardeerde studiesecretaris van het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid (KSGV). Hij stelde in zijn proefschrift (1989) dat die houding van psychotherapeuten getypeerd kon worden met drie trefwoorden: belijden, vermijden, bestrijden. Nu die trefwoorden zijn zo raak gekozen, dat toelichting nauwelijks nodig is. Overigens heb ik het omgekeerde ook wel eens bedacht. Ik doel nu op de houding van (sommige) voorgangers en oudsten tegenover psychiatrische problematiek bij hun pastoranten of schapen. Behalve de gebruikelijke en ook wel begrijpelijke aarzelingen, die iedereen toch nog wel heeft wanneer hij in zijn directe omgeving met psychische problematiek geconfronteerd wordt, ontmoet ik diezelfde drieslag: alles is psychisch (belijden), alles is geestelijk (bestrijden) en ‘ieder zijn vak’ (vermijden). Dat alles neemt niet weg dat er wel degelijk verschuivingen optreden. Godsdienst en spiritualiteit krijgen weer aandacht in het dagelijkse werk, maar ook in opleiding, in bij- en nascholing. Dat geldt trouwens in binnen- en buitenland. Er zijn al jaren en al meer groepen, verenigingen en ‘special interest groups’ actief. Wat betreft Nederland noemde ik al het Katholiek Studiecentrum voor Geestelijk Volksgezondheid, dat sinds jaar en dag actief is op het terrein van religie en geestelijke gezondheid. Bekend zijn, neem ik toch aan, de boekjes waarvan er jaarlijks minstens twee worden uitgegeven. Ze zijn beslist aan te bevelen. Om wat te noemen, in 2003 verscheen een deeltje over Vergeving als opgave (Ganzevoort en anderen) en zopas verschenen fraaie opstellen over pastoraat en psychotherapie van dominee en psychoanalyticus Jan Bodisco Massink onder de titel Als een heilige tekst (www.ksgv.nl). Eén van de opstellen gaat over identiteit en de interreligieuze dialoog, zeer het lezen waard. De Christelijke Vereniging voor Psychiaters, Psychologen en Psychotherapeuten bestaat dit najaar 15 jaar. Het gaat om een vereniging waarin protestanten participeren, van meer reformatorische dan wel meer evangelische huize. In het tijdschrift Psyche & Geloof, dat wel in bredere kring gelezen zou mogen worden, wordt in allerlei toonaarden nagedacht over psychiatrie, psychotherapie en godsdienst. Het eerst te verschijnen nummer is voor een belangrijk deel gewijd aan demonie. Het daaropvolgende nummer gaat in hoofdzaak over godsdienst en dwang (www.cvppp.nl). Ik ga er ondertussen vanuit dat het in al deze activiteiten, in boeken en tijdschriften, tijdens congressen en cursussen, in binnen- en buitenland om bewegingen gaat die geheel passen in het cultuurbeeld en de tijdgeest, en bij de mens die rusteloze zoeker. Aandacht, positief of negatief, voor religie en spiritualiteit is er vanuit de psychiatrie en psychotherapie altijd geweest. En dat niet in de laatste plaats omdat de psychiatrie haar domein mede op de theologie heeft moeten bevechten, zo in de eerste helft van de 19e eeuw.

Voorzichtige opening?

Hoe zou het ondertussen staan met de opvattingen over met name spiritualiteit onder de vanouds kritische psychoanalytici? Wel er is net een onderzoek gepubliceerd in een vooraanstaand Amerikaans vaktijdschrift waarin we bijgepraat worden over de opvattingen en praktijkervaringen van 25 psychoanalytici en psychoanalytische psychotherapeuten in London, Sydney en Melbourne. Dat moet als een kleine groep worden beschouwd, waarvan alleen al om geografische redenen betwijfeld kan worden of het voldoende representatief is. Het gaat om de indruk, zullen we maar zeggen. De onderzochte personen werden bevraagd op hun ervaringen, wijze van denken over (conceptualisering), en werken met spirituele thema’s. Daarover gaat het artikel. Oude dilemma’s komen weer op tafel. Helpt de behandeling om meer tevreden om te kunnen gaan met dit en met dat en dus ook met zoiets als godsdienst en spiritualiteit (‘treatment of’)? Of is spiritualiteit een eigen domein dat in de behandeling een vruchtbare bijdrage kan leveren (‘treating with’)? Ze hadden aandacht voor spiritualiteit in hun eigen leertherapie gemist. Sommigen aarzelden nog altijd om godsdienst en spiritualiteit in te brengen in supervisie omdat de supervisor daar op de klassieke wijze op zou kunnen reageren. Verder kwamen twee aspecten van spiritualiteit in de behandeling aan het licht. In de eerste plaats een troostende betekenis: een groter besef van verbondenheid met anderen, in een groter geheel ondanks verlies of teleurstelling. Het tweede betreft uitdaging: een groter besef van zoveel dat nog ongekend is, een grotere onzekerheid en wens naar verdere ontwikkeling.

Wie vroeg naar zin was ziek

Nu is de invloed van het psychoanalytisch erfgoed niet gering geweest. Dat geldt niet voor slechts een paar ingewijden. Nee, dat geldt voor het grote publiek. Tal van termen die wij geheel normaal vinden in het dagelijks spreekverkeer, zijn voortgekomen uit het psychoanalytisch denken en kijken naar mensen: neuroot, innerlijk conflict, frustratie, weerstand, basis veiligheid, afweer. Zo heeft ook de opvatting van Freud over religie zoals hij die meemaakte in het Wenen van zijn dagen, een opvatting en ervaring die natuurlijk niet op zichzelf stonden, veel invloed gehad. Daarbij moet ook wel weer aangetekend worden, dat vooral wat voor die opvattingen gehouden werd, gebruikt en ook wel misbruikt werd. Maar hoe dan ook, iedereen wist op enig moment wel, of had wel eens opgevangen dat God niets anders was dan een geweldig uitvergrote vader. Fundamenteler en ernstiger was - dat God als uitvergrote vader voorkomt is zonder enige twijfel waar – dat religie en (mens)wetenschap als vijanden tegenover elkaar stonden, en dat die houding beslist heeft bijgedragen aan het secularisme van de academisch gevormde (mens)wetenschapper. De wetenschap alleen zou ons verder brengen. Niet dat wetenschap alles zou ontrafelen. Maar het zou een misverstand zijn te denken dat wat de wetenschap ons niet kon bieden elders te halen zou zijn. Freud moest ook niets hebben van filosofen die naar zijn inzicht woorden zoals God zover oprekten dat er van de oorspronkelijke betekenis niet veel meer overbleef en vage abstracties het resultaat waren. Neen, het kwam er voor hem op neer dat ‘op het ogenblik dat men naar de zin en de waarde van het leven vraagt, men ziek is, omdat beide immers objectief niet gegeven zijn; … er is een en ander gebeurd, een soort gisting die tot rouw en depressie leidt’. Dat veel mensen ‘pas’ levensvragen gaan stellen op het moment dat er iets gebeurt, is ook voor iedereen zo helder als glas. Het pastoraat ‘moet’ het deels daarvan hebben, toch? Volgens sommigen is psychoanalyse zelf een rijpe vorm van religie of spiritualiteit. Of dat nu zo was of is, vast staat wel dat net als in religie idealisering van de leider tot een orthodoxie in leer en opvattingen aanleiding kan geven bij volgende generaties, nog afgezien van het feit dat men er vandaag nog altijd positivistische opvattingen met betrekking tot wetenschap en het goede leven op na kan houden. Zo kreeg ik zopas een boek in handen van een zeer vooraanstaande psychiater en onderzoeker, die met een zekere overtuiging stelt dat we nu de gelegenheid hebben om oude en universele vragen betreffende de mens te onderzoeken binnen het raamwerk van een kwantitatief wetenschappelijk raamwerk; de titel van het boek: Feeling Good. The Science of Well-Being. Dat komt dus nog voor. Wij moeten wellicht onze vooroordelen gebaseerd op ‘common sense’ tegen het licht houden. Ook in de psychoanalyse is de traditie onder druk komen te staan en is er meer gebeurd dan alleen maar het vasthouden aan de waarheid van de stichter. Anderen hebben nagedacht en voortgeborduurd op het oorspronkelijke (want oorspronkelijk was het zeker) werk van de stichter. Wie daar meer over wil lezen vooral, denkend aan die ‘geweldig uitvergrote vader’, over (de psychologie van) godsbeelden leze het opstel daarover in het genoemde boekje van Bodisco Massink en het artikel van mevrouw Schaap-Jonker, dit jaar gepubliceerd in het Nederlands Theologisch Tijdschrift, met de veelzeggende titel The Varieties of God.

Rooskleurige bril

De term ‘Varieties’, ongetwijfeld refererend aan het nog altijd grootste werk van William James aan het begin van de vorige eeuw, is wel fraai gekozen. Het religieus pluralisme heeft een veelheid aan opvattingen en spirituele stromingen opgeleverd. Niet langer het instituut maar (de reflectie over) het zelf (individueel of communitair) is het oriëntatiepunt voor de levensloop geworden. Traditie is hooguit nog één of twee generaties lang, en heeft niet (langer) het verplichtende, morele karakter van weleer. Orthodoxie en orthopraxie zijn niet langer de geldende kaders. Maar, zo zeggen we, die veelheid aan variatie bestaat juist bij het ontbreken van een normatief kader. Belangrijk is in dit verband de relatie tussen spiritualiteit en de therapiecultuur van vandaag. Tot, laat ik zeggen, 50 jaar geleden werden de boekjes en handreikingen over het leven en wat een mens daarin nodig zou hebben geschreven door dominees. Maar geleidelijk aan werd de greep van psychiaters en therapeuten op de geestelijke volksgezondheid steeds steviger, al was het maar in allerlei streven naar emancipatie, zoals bijvoorbeeld van homoseksuelen. In het verlengde daarvan nam ook de zogenaamde protoprofessionalisering een vlucht: mensen beschikken over heel wat psychologische lekenkennis uit vrouwen-, mannen-, en tienerbladen, via radio en tv. De boekjes die dominees schreven en de praatjes die ze hielden, worden nu door therapeuten geschreven en uitgesproken. Het vindt gretig aftrek. Dr. Phil verslaat z’n tienduizenden. In meer evangelische kring heeft de positieve psychologie, ook al heet het niet zo, goede ingang gevonden in tal van cursusachtige en training gerichte activiteiten om over innerlijke moeiten heen te komen. En het heeft z’n aantrekkingskracht vanwege wat dan heet warmte en aandacht. Met andere woorden: er is sprake van een verschuiving, maar ook weer van een toenadering. Thema’s en spirituele praktijken (ontspanningsoefeningen en yoga om maar wat te noemen), losgemaakt van godsdienst, hebben een bondgenootschap gesloten met therapeutische technieken. Gezondheid en welzijn (‘wie es der Jargon der Eitelkeit formuliert’, Schwöbel, die hier opnieuw mijn zegsman is) gaan niet alleen over fysieke gezondheid maar ook over een gezonde levensvoering, over het goede leven en je goed voelen. En inderdaad dat is een soort van zielszorg die buiten de kerken ruim voor handen is. Therapie suggereert zich zodoende met die reflectie bezig te houden die een mens behoeft om zich te oriënteren in de verbanden waarin hij leeft en op de richting die hij zoekt te gaan. En daarmee is de weg vrij om van oorsprong religieuze thema’s, los van de kerk, te hernemen. Ondertussen is de overheid doende die therapiecultuur om financiële redenen in te perken. Wie zich goed wil voelen, mag dat zelf betalen. Men kan er op afgeven, men kan zich laten fascineren door het gebeuren dat buiten de kerk ‘iets’ werkt, dat eeuwenlang binnen de kerk werd aangeboden. Halen we het vervolgens weer binnen in zijn huidige vorm? Maar hoe komen we dan uit met de kerkelijke context en de boodschap? De ‘therapeutisering’ is er al ingeslopen, vermoed ik. De weg is een proces geworden, een groeiproces. Groeien in je geloof, dat hoort u wekelijks, vermoed ik. Een groeiproces van minder naar meer, van spirituele armoe naar rijkdom, van gevangenschap naar vrijheid, van vervreemding naar thuis komen, van onecht naar echt, van scheiding naar verbondenheid. En toch is de vraag of dat het eigenlijke van het godsdienstige of religieuze wel is. Freud maakt in dit verband op verschillende plaatsen de volgende opvallende opmerking. Men is geneigd om een mens die uitkomt voor zijn kleinheid en onmacht tegenover de wereld in haar totaliteit voor diep religieus te houden. Maar dat is niet de kern van de religiositeit. Dat is de volgende stap, de reactie erop, die een remedie zoekt tegen dat gevoel. En zo komt die uitvergrote vader op het toneel. Het begint niet bij ons denken en bedenken, willen en streven, maar bij een fundamentele oriëntatie vanuit het hart, de plaats en ruimte voor ontvankelijkheid. Begrijp ik het goed als ik zeg dat men zich kennelijk niet op rooskleurig op de al dan niet ziekelijke vormgeving moet blindstaren, maar moet vragen naar de grond van vertrouwen? Luther zei: het vertrouwen van het hart maakt beide God en afgod. Al wat daarna komt is daarop gebouwd. Laten we het over iets anders hebben, zo begon ik. Ik merk dat ik dat in hoge mate kritisch bedoel. Het zal wel zijn dat de wittebroodsweken voorbij zijn. De werkelijkheid van alle dag is er gewoon net als tevoren. Kerk, waarom hoor ik toch niks, of het moest gezeur zijn?

Ontslapen

Het is met diepe ontroering dat we kennis hebben genomen van het ontslapen in zijn Heere en Heiland van onze broeder prof. dr. Kees Graafland. Er is veel om bij stil te staan en vooral om dankbaar voor te zijn. Ik neem aan dat daar in dit tijdschrift nog over geschreven zal worden. Laat ik in het licht van mijn voorgaande bespiegelingen een herinnering mogen ophalen. Het was een gesprek enige jaren geleden op de tv. Ik weet niet goed meer de aard van het programma en moet het dus uit mijn herinnering ophalen; herinnering is zoals u weet een alles behalve neutraal ophalen van data. Het ging op een moment over de relatie met vader en diens betekenis voor de geloofsopvoeding thuis. Graafland vertelde dat die niet zo bijzonder of intens was, anders dus dan met zijn moeder. Hij typeerde zijn vader als een stille, zwijgzame man, die niet veel vertelde, behalve als hem, dat kon onder het werk gebeuren, gevraagd werd naar de Heere Jezus, dan sprak hij voluit. Maar toen enige minuten later in het gesprek, over de relatie met God. Mij fascineerde wat Graafland toen vertelde. Zijn relatie met God was niet zo rechtstreeks maar altijd door de Zoon, Jezus Christus; zo ongeveer heb ik het onthouden. In het gesprek werd geen link gelegd tussen deze twee passages, er werd ook niet naar gevraagd, maar ik veerde op; ik heb het later overigens nooit bij Graafland nagevraagd. Ik vond dat zo verrassend op elkaar lijken, die vader en de Vader, via de Zoon. Als ik er al niet van overtuigd was, dan bevestigde dit opnieuw een belangrijke observatie. Wij zijn communicatieve wezens die opgroeien in relationele verbanden, die bemiddelend, pedagogisch, sacramenteel, symbolisch – ik weet het goede woord niet – mede richting geven aan de relatie met God en de ander. De richting, de oriëntatie komt vanuit het hart. Daar begint het. Niet met wat we denken, niet met wat we wensen, maar met waar ons hart op gericht wordt. Dat wordt of is dan onze God. Nou ja dat is weer knap ingewikkeld. Maar ik bedoel dit: ‘Mijn Jezus ik houd van U, ‘k heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu’. Graafland kon zo van zijn liefde tot Jezus getuigen en zijn wens om Hem echt te ontmoeten, dat de Geest het onderwijl je hart indroeg waardoor de affectieve gerichtheid van het hart zich tot Jezus omkeerde. En nou niet zeuren of dat wel kan, het gebeurde ‘gewoon’, dat kan ik u bij deze persoonlijk verzekeren. ‘Mijn bekeringsdominee’, zegt mijn vrouw. Wij zijn intens dankbaar voor wat we in hem ontvingen. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.