Skip to main content

nr6 • 2004 • Omgang met de Catechismus – spiritueel, historisch en theologisch

juli 2004 (18e jaargang nr. 6)

Omgang met de Catechismus – spiritueel, historisch en theologisch

Dr. G. van den Brink

Dr. G.W. Marchal schrijft zijn bijdrage aan dit nummer, evenals zijn eerdere Kontekstueel-artikel over de Catechismus twee jaar geleden, nadrukkelijk als een uitnodiging aan anderen om met hem mee te denken. In de weg die hij de afgelopen jaren met de Catechismus is gegaan, zag hij zich namelijk genoopt tot minstens  ‘een aantal kritische vragen’ aan het adres van de Catechismus.
In de Zondagen 4-6 lukt het hem niet of nauwelijks ‘de troost van de Meester te horen’. De Catechismus trekt er lijnen die hem ‘in geestelijke ademnood brengen’. Speelt verder in Zondag 10 niet ‘de erfenis van de Stoa een te grote rol’? En waar blijft Israël eigenlijk in de Catechismus? Marchal stelt deze vragen bepaald niet op een hooghartige manier, maar vanuit grote bescheidenheid. Hij is immers tegelijkertijd zeer onder de indruk van andere partijen in de Catechismus, met name van de inzet. En hij is zich ervan bewust dat de Catechismus in tijden van geloofsvervolging geschreven is, en dat wij dus makkelijk praten hebben vanuit onze geheel andere maatschappelijke context. Je merkt dat Marchal daarom het liefst de hele Catechismus zou liefhebben. Maar dat lukt hem juist niet meer, en het is dan ook niet vanuit betweterij of nieuwlichterij maar vanuit een oprechte theologische verlegenheid dat hij zijn vragen stelt.

Déjà vu

Ik hoop Marchals insteek op deze wijze maximaal recht te doen. Tegelijk verbaas ik me er eerlijk gezegd wel enigszins over. Want van de vragen die hij stelt, is er niet één nieuw. Integendeel, het zijn stuk voor stuk dezelfde vragen die sinds  Barth en ten onzent Miskotte (De blijde wetenschap) en Noordmans (Het koninkrijk der hemelen)  telkens opnieuw aan de Catechismus gesteld zijn. Ze cirkelen niet alleen om dezelfde Zondagen (4 t/m 6 en 10), maar ze zijn ook inhoudelijk hoegenaamd identiek. Ik kan mij niet voorstellen dat Marchal van de kritiek van Miskotte, Noordmans c.s. niet op de hoogte is, al geeft hij in zijn artikelen geen blijk van dit historisch besef.
De vraag die opkomt is dan ook: hoe komt het dat Marchal van deze kritiek eigenlijk pas in de laatste periode van zijn 30-jarige dienstwerk onder de indruk is geraakt? Welke antwoorden gaf hij voorheen dan op de door hem gestelde vragen, dus op de vragen van Miskotte, Noordmans c.s.? Dáár had ik eigenlijk best graag iets over gelezen! Want ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij er zich nu voor het eerst mee geconfronteerd ziet. Wat is er dus met hemzelf gebeurd, dat deze vragen hem vroeger kennelijk niet wezenlijk raakten, en nu wel? Vermoedelijk zal het ermee te maken hebben dat hij tot voor enkele jaren nooit ‘met nadruk en regelmaat’ vanuit de Catechismus heeft gepreekt. Maar dan nog zal hij vertrouwd zijn geweest met dit bekende onderdeel van het belijden der kerk (al was het maar vanuit zijn studietijd), en zich daarover zoiets als een theologisch oordeel gevormd hebben? Waarom houdt dat oordeel het nu ineens niet meer?
Toen Kontekstueel indertijd opgestart werd, schreef dr.ir. J. van der Graaf dat het blad wel eens een ‘vijfde colonne’ kon worden vanuit de gereformeerde orthodoxie in de richting van het barthiaans getinte midden van de (toen: hervormde) kerk. Dat vonden we destijds niet leuk. Maar ik kan het niet helpen, dat ik er bij het lezen van Marchals artikelen toch even aan terug moest denken.

Historisch, dogmatisch, spiritueel

Laat ik nu verder echter vooral proberen aan te geven hoe ikzelf (in de prediking en daarbuiten) met de door Marchal opgeworpen vragen poog om te gaan. Daarbij ga ik uit van een onderscheiding die de redactie mij voorlegde: benaderen we de inhoud van de Catechismus historisch en dogmatisch, of benaderen we deze spiritueel?
In het eerste geval komt het erop aan zo nauwkeurig mogelijk na te gaan wat de Catechismus precies bedoeld heeft. We moeten dan Ursinus' eigen verklaring van de Catechismus (het zogeheten Schatboek) bij de hand houden om te ontdekken wat Ursinus in de verschillende Zondagen van de Catechismus dogmatisch gezien voor ogen stond. Dat blijkt niet mee te vallen. Het Schatboek is heel wat scholastieker en strenger dan de Catechismus zelf. Daarnaast moeten we ons op de hoogte stellen van de historische achtergronden van de Catechismus. Het doet dan bijvoorbeeld terzake, dat Ursinus bij Melanchton studeerde juist toen deze college gaf over Anselmus' Waarom God mens werd. In hoeverre is er continuïteit tussen dit boek en de Zondagen 4-6 van de Catechismus, en hoe moeten we deze continuïteit waarderen?1

In het tweede geval – dat van de spirituele benadering – gaat het ons veel minder om de punten en de komma's in de Catechismus. We focussen dan veeleer op de thema's die erin aan de orde komen, en proberen die creatief door te vertalen naar onze eigen tijd. W. Verboom heeft onlangs een pleidooi gevoerd voor zo'n meer thematische omgang met de Catechismus in de prediking. Ik zou eigenlijk wel benieuwd zijn wat Marchal daarvan vindt, want mogelijk kan hij op deze wijze warm en positief vanuit de Catechismus blijven (s)preken zonder zijn bezwaren op te hoeven geven. Je laat dan liggen waar je niet goed mee uit de voeten kunt, en probeert de kernwoorden in de Catechismus op te pakken (bijv. verzoening, Gods voorzienigheid etc.) om die meer direct vanuit de bijbel te vullen. Op die manier kun je vanuit Zondag 10 heel goed preken over  ‘Gods leiding in ons leven’, een thema dat vele gemeenteleden na aan het hart ligt. Je kunt daarbij denk ik zelfs helemaal recht doen aan de diepste intentie en geestelijke strekking van Zondag 10 (‘wij zijn in Gods hand!’), zonder dat je de exacte formuleringen hoeft te verdedigen. Weliswaar kun je er natuurlijk niet omheen in de marge iets te zeggen over de Wirkungsgeschichte daarvan. Maar je hoeft werkelijk niet uitvoerig in te gaan op de vraag of Maarten 't Harts karikatuur ervan nu wel of niet begrijpelijk was, of uit te leggen dat Noordmans' kritiek  (Zondag 10 zou de sfeer ademen van een ‘hereboer’ op een ‘modelboerderij’) toch echt meer voor de 19e dan voor de 16e eeuw opging.

Nu heeft iemand als C. Graafland zich verzet tegen een dergelijke meer spirituele omgang met de belijdenis, die de historische en dogmatische context niet voluit serieus neemt en ook haar Wirkungsgeschichte niet meeneemt. Graafland acht het oneerlijk om de puntjes van de i te halen, en dan toch nog te blijven claimen dat je in de traditie van de belijdenis staat. Want in werkelijkheid zit je dan allang op een ander spoor. Als Graafland op deze wijze onze integriteit in de catechismusprediking in het geding brengt, wijst hij op een gevoelige kant aan de zaak, die inderdaad terdege aandacht verdient.
Toch meen ik, dat een meer spirituele omgang met de Catechismus niet oneerlijk hoeft te zijn. Men moet zich maar eens indenken hoe het zou gaan wanneer we de bijbel van a tot z in kleine partjes zouden doorpreken! Zouden we dan voor ons gevoel ook niet vaak in moeilijkheden terechtkomen? Men denke slechts aan de genocide-achtige verhalen in het OT, of aan de teksten over straffen op homoseksualiteit die onlangs nog nationaal in het nieuws kwamen. Voorzover we daar al raad mee weten, komt die raad eigenlijk altijd uit andere partijen van de bijbel. We zoeken de scopus ervan dus buiten de tekst zelf, meestal met behulp van een of ander hermeneutisch principe (wetten van blijvende betekenis versus ceremoniële wetten etc.). Ik geloof niet dat dat een oneigenlijke of oneerlijke omgang met de bijbel is. Eerder zou men kunnen zeggen dat de omgekeerde benadering, volgens welke homoseksualiteit dus nog altijd in burgerlijke zin strafbaar zou moeten zijn, atomistisch is, en daardoor onrecht doet aan het geheel van de Schrift. Evenzo geloof ik dat het ook niet oneerlijk is om bijvoorbeeld de catechismuszondagen 4 t/m 6 te lezen vanuit Zondag 1. De identiteit van onze Middelaar blijft zo bezien niet lange tijd in de mist hangen, omdat Hij al van meet af aan bij name genoemd is. Je kunt dan dus niet volhouden dat de Catechismus in de eerste zondagen geheel en al remoto Christo te werk gaat. Een dergelijke leeswijze lijkt me in elk geval legitiemer dan die, welke de betreffende Zondagen zou belichten vanuit hun verklaring in het Schatboek. Daarmee ga je immers pas echt het boekje te buiten. We mogen er leiding van de Heilige Geest in zien, dat wel de Catechismus maar niet het Schatboek deel uit is gaan maken van de belijdenis van de kerk.

De Romana

Ik zou dus inderdaad met Verboom willen pleiten voor de onbevangenheid van een wat meer spirituele omgang met de Catechismus. Ik ben nl. al heel dankbaar voor de thema's die de Catechismus aan de orde stelt en de manier waarop hij deze met elkaar verbindt, omdat dat ons bepaalt bij de rode draad van de bijbel zelf. Dat geldt denk ik ‘zelfs’ voor die vragen en antwoorden die rechtstreeks betrekking hebben op het 16e eeuwse geding met de Romana. Toen onze wijkpredikant onlangs enkele van die passages bepreekt had, reageerde een zuster uit de gemeente daarop naar ons toe als volgt. Zij stelde, dat het geding met Rome zijn actualiteit allang verloren heeft, en dat de predikant in plaats daarvan veel beter eens in zou kunnen gaan op een thema als de bedelingenleer zoals die floreert onder evangelische christenen met wie zij in contact stond. Dat laatste vond ik geen gek idee. Een dergelijke preek zou natuurlijk veel studie vergen, maar zou wellicht wel kunnen helpen om de evangelicale inbreng zoals die in tal van protestantse gemeentes in opkomst is enigszins in kerkelijke banen te leiden.
Waar ik wel moeite mee had, was de gedachte dat het één in plaats van het ander zou moeten gebeuren. Wanneer de Catechismus keer op keer ingaat op de verhouding Reformatie-Rome, bepaalt hij ons bij de moederkerk, waar we door de bank genomen veel te weinig meer mee hebben. Als we de bijbelse noties van de eenheid en katholiciteit der kerk ook maar enigszins serieus nemen, zullen we toch een blijvend heimwee koesteren naar de Romana, en de ontwikkelingen die zich daar voordoen met grote betrokkenheid volgen. Juist nu in deze dagen velen zich losmaken van de verenigde protestantse kerken, doet het weer extra pijn dat het voor een reformatorisch christen niet mogelijk is om rooms-katholiek te worden. Dat zou nog eens een fraai symbolisch teken tegen de voortgaande versplintering zijn! Ik heb zelfs nog even bij een tamelijk goed ingevoerde rooms-katholieke collega navraag gedaan, of ik met behoud van mijn opvattingen inmiddels misschien welkom zou zijn in zijn kerk (vele rooms-katholieken trekken zich in de praktijk immers ook weinig aan van het pauselijk gezag en treden de kerkleer op allerlei punten met voeten), maar hij dacht toch niet dat dat het geval was…

Hoe dat ook zij: tot in haar veelbekritiseerde uitlating over de paapse mis toe bepaalt de Catechismus ons bij het geding dat we als protestanten nog altijd hebben met Rome – een geding dat bij vlagen juist daarom zo bitter is, omdat we in die kerk feitelijk natuurlijk gewoon thuishoren. Laten we de betreffende catechismuszondagen dus maar – thematisch – aangrijpen om de gemeente ervan te doordringen hoe schrijnend het nog altijd is dat we als christenen die slechts naar de bijbel willen leven niet gewoon rooms kunnen zijn. Misschien is de omvang van de trieste scheuring die zich momenteel voltrekt wel mede te wijten aan het feit dat de pijn dáárover veel te weinig gevoeld is. Dan wil je immers zeker niet verder bij Rome weg.

Zondag 4

Een spirituele en thematische omgang met de Catechismus dus – ja, graag. Maar dat betekent wat mij betreft niet dat we datgene wat ons niet zo goed uitkomt maar met een gerust hart moeten laten liggen. Liever laat ik me zo lang mogelijk door de Catechismus tegenspreken, om pas in laatste instantie de zaak desnoods te parkeren. Daar is het, denk ik, een belijdenisgeschrift voor.
Heeft de Catechismus bijvoorbeeld (ik reageer nu weer even op Marchal) echt geen bijbels punt, wanneer hij de rechtvaardigheid van God in de zondagen 4 tamelijk stevig neerzet? Wil antwoord 11 (‘God is wel barmhartig … maar Hij is ook rechtvaardig’) ons er wellicht van afhouden om ons met een al te vlot beroep op de genade onder de kritiek van Gods oordeel weg te werken? Het stuk der ellende is relatief kort, maar in al zijn beknoptheid scherp genoeg om elke vlucht in een ‘goedkope genade’ (Bonhoeffer) tegen te gaan. Wij mogen van genade leven, maar niet zonder doordrongen te zijn van de ernst van het oordeel.
Wanneer de Catechismus die ernst articuleert door te spreken over Gods wet en gerechtigheid, heeft hij daarin m.i. wel enige bijbelse papieren. Marchal noemt zelf in verband met de wet al Galaten 3; en  in verband met de gerechtigheid Gods stellen hedendaagse nieuwtestamentici, dat deze bij Paulus wel degelijk een retributief aspect heeft, zij het dat dit – zoals Luther ontdekte – niet dominant is.2 Ik geloof ook niet dat we in de bijbel alleen via Christus onszelf leren kennen als mensen die ons levensdoel missen, en dat het Evangelie daarom geheel en al aan de wet voorafgaat etc.3 Er is ook de ‘created order’ (Oliver O'Donovan), die wij weliswaar slechts via de Schrift ten volle leren kennen, maar die er daarom wel echt is, en die door ons geperverteerd wordt zonder dat we ons daarvoor op overmacht kunnen beroepen, omdat we nu eenmaal verantwoordelijke schepselen zijn. Dat is voor mij de strekking van Zondag 4, en de kritiek erop van Miskotte, met achter hem Barth, heeft mij – ik kan het niet helpen – nooit helemaal kunnen overtuigen.

Zondag 5 en 6

Kortom, vanuit een spirituele omgang met de Catechismus wil ik me er toch ook dogmatisch als het even kan door laten gezeggen. Dat lukt me overigens bij de Zondagen 5 en 6 minder goed dan bij Zondag 4 – zoveel geef ik Marchal graag toe. Ik parkeer daar dus het dogmatische probleem van het naar-Christus-toe-redeneren (en stel me tevreden met de wetenschap dat Zondag 1 geklonken heeft!). Voor de prediking erover zoek ik steun in een historische benadering. Wat voor gevoelens en verhalen zitten er eigenlijk achter de intellectualistisch aandoende formuleringen? Want hoe droog dogmatische formuleringen ook zijn, er zitten als je doorklopt altijd ervaringen en verhalen achter!
Via Zondag 5 en volgende komen we dan inderdaad bij Anselmus, en diens gesprekken (vermoedelijk in Londen) met joden en moslims over de menswording van Christus. Anselmus sprak dus met moslims over zijn geloof. Dat is één! Uitgangspunt van die gesprekken was niet zozeer de verzoening alswel de incarnatie: is het niet bizar om te geloven, dat van alle mensen die ooit op aarde rondgelopen hebben er precies ééntje (niet meer en niet minder) tegelijk ook God is geweest? Ik denk dat heel wat doorsnee gemeenteleden vandaag zich in die vraag herkennen – dat is twee. Bij God kunnen we ons allemaal wel het nodige denken (er moet immers wel ‘iets’ zijn?), maar Jezus – dat  vinden velen binnen en buiten de kerk een ingewikkelder verhaal.

Nu, het geloof dat we in Jezus voluit met God te maken hebben is ook zeer vreemd en onvanzelfsprekend. Het staat haaks op alles wat we zelf konden bedenken. Zo heeft Anselmus dat ook ervaren. Hij kon eigenlijk alleen maar zeggen, dat hij het geloofde omdat het in de bijbel stond. Maar dat vonden zijn gesprekspartners niet zo sterk. Zoals men het op school of in de kantine ook wel eens een zwaktebod vindt, als je voor je mening geen ander argument kunt bedenken dan dat het in de bijbel staat… Het was voor Anselmus dan ook een geweldige ervaring toen hij op zekere dag ontdekte, dat het helemaal niet zo onredelijk was wat er in de bijbel stond, en dat het ook los van de bijbel best goed denkbaar is dat Jezus God en mens in één persoon is!
In het verlengde van deze historische inbedding4 probeer ik dan het verhaal verder te vertellen: dat het met onze schuld te maken heeft, waar iedereen toch wel een flauw benul van heeft, en met de verzoening daarvan. Ik besef dat het iets moeizaams kan houden, maar ik volg toch gewoon de stappen van Zondag 5 en 6. En ik weet me daarbij gesteund door het feit, dat we in het zoeken naar een balans tussen hoofd en hart ook wel eens geneigd zijn te weinig ruimte aan het hoofd bieden. Van veel met name jongere gemeenteleden, is mijn ervaring, hoeft het allemaal echt niet soft te blijven, maar mag het er best wat steviger aan toe gaan in de preek, ook cognitief gezien. Ik sluit zelfs niet uit, dat verhalen als dat over Anselmus ons nog kunnen helpen om onze moslim-buren uit te leggen wat we toch in Jezus zien. Als een soort preparatio evangelica – niet méér en niet minder. In de islam zit nu eenmaal weinig ontwikkeling: de gevoelens over Jezus zijn er nog vergelijkbaar met die welke Anselmus tegenkwam.

Israël

Daarom pleit ik ook graag voor een ‘parkeren’ van de verlegenheden die we met bepaalde catechismusantwoorden hebben. Dat lijkt me veiliger dan die antwoorden af te schrijven, want je weet nooit of ze onder een ander cultureel gesternte toch weer een nieuwe actualiteit zullen krijgen. Omgekeerd stelt Marchal terecht dat er natuurlijk ook kernen van christelijk geloof zijn die pas na de Catechismus zijn gaan oplichten, zoals de blijvende plaats van Israël. Wie dat de Catechismus verwijt is echter ahistorisch bezig, want we hebben er als christenheid cru gezegd de holocaust voor nodig gehad om hier geleidelijk aan echt oog voor te krijgen. Maar niemand heeft ook gezegd dat we in leerdiensten alleen vanuit de Catechismus zouden moeten preken. Laat het aansluitend of tussendoor ook maar gerust over Israël gaan (en laat dat onze bespreking van de Catechismus dan weer stempelen).

Dr. G. van den Brink is hoofddocent dogmatiek aan de kerkelijke opleiding in Leiden.

Noten:

1. In het opstel ‘Verzoening als motief voor de menswording bij Anselmus en in de Heidelbergse Catechismus’, in: Nico den Bok & Guus Labooy (red.), Wat God bewoog mens te worden, Zoetermeer 2003, 94-114, probeer ik aan te geven dat er veel continuïteit bestaat tussen beide, en dat dat positief valt te waarderen.
2. Vgl. bijv. A. Noordegraaf, ‘De verzoening in het Nieuwe Testament’, Theologia Reformata 41 (1998), 12, en daar in n.46 genoemde literatuur.
3. Dit is natuurlijk wel een fundamentele discussie, waarop we vanwege de ruimte slechts zijdelings kunnen ingaan.
4. Vgl. verder G. v.d. Brink, ‘Eerherstel voor Anselmus’, Theologia Reformata 43 (2000), 18-36 (alwaar ook verwijzingen naar recente studies die een wat ander licht werpen op de ‘gekrenkte riddereer’-theorie waar Marchal aan refereert)