Skip to main content

nr3 • 2004 • Niet de persoon van de prediker, maar het gezag van het ambt

januari 2004 (18e jaargang nr. 3)

Niet de persoon van de prediker, maar het gezag van het ambt
Over de prediker als performer, liturg en verteller

Drs. Albert Juffer en ds. Wijnand Sonnenberg

Je komt in theologische tijdschriften en kerkelijke periodieken de laatste tijd nogal eens iets tegen over de dominee. Kennelijk is niet meer zo duidelijk wat zijn positie is. Als je zelf in dit ambt staat, onderga je die onzekerheid aan den lijve. Je probeert je er rekenschap van te geven waar je zelf staat. Je hebt het erover met collega’s. Van die gesprekken doen wij hier verslag. Wij concentreren ons daarbij op het belangrijkste facet van ons werk, de prediking.

De performer

Naar ons gevoelen is taak en plaats van de prediker vooral ter discussie komen te staan, omdat het verwachtingspatroon van de gemeente is veranderd. Zij is anders gaan luisteren. Ze is de dienst anders gaan beleven. Dat is niet van gisteren op vandaag gebeurd. Het is een proces dat zich gaandeweg heeft voltrokken. De invloed van de massamedia is daar ongetwijfeld debet aan. Het ambt van de prediker heeft aan betekenis en zo ook aan gezag ingeboet en de nadruk is komen te liggen op zijn persoon, zijn uitstraling als u wilt zijn talent. Je moet jezelf, ook in de dienst van het Woord, meer en meer als spreker bewijzen. Kun je het of kun je het niet? Van je talent om het te brengen komt af te hangen of het Evangelie dat je verkondigt wat te zeggen heeft of niet.
Dat is een ingrijpende verandering. We herinneren ons het woord van Noordmans dat niet talent maar volmacht het wezen van het pastorale ambt uitmaakt. Als de prediking in de beleving van de gemeente niet meer gedragen wordt door het ambt maar het moet hebben van wat de prediker zelf meebrengt aan charisma, dan wordt er anders geluisterd en ook anders geloofd. Men heeft dan niet zozeer een boodschap aan de ambtelijke verkondiging, maar veelmeer aan de performance van de prediker. Om een term van Kierkegaard te gebruiken: het gaat dan om het esthetische. De gemeente raakt gespitst op wat Amerikaanse tv-dominees bieden: religieus entertainment. Niet de beloften van het Evangelie, maar de religieuze ervaring wil men delen.

Als dit inderdaad de tendens is, verschuift er wel wat, ook theologisch. Want de volmacht van het ambt heeft toch iets te maken met Christus in wiens naam het Evangelie verkondigd wordt. En waar dat gebeurt, bevindt de gemeente zich in het krachtenveld van de Geest. Waar komen we uit als de gemeente niet meer zó het Woord hoort, maar gegrepen wil worden door de voordracht van de prediker?
Wij hebben de indruk dat de beweging Passie voor Preken bij deze verschuiving van beleving aansluiting zoekt. In een lezing voor de classis Harderwijk wees de woordvoerder ds. R. van de Spoel op de mediacratie en de invloed die ervan uitging. Terecht. Hij wilde daarbij aansluiten als het om de techniek van de prediking gaat: meer beeldend dan begripsmatig en dergelijke. Maar er was nog iets. En dat betrof de positie van de prediker zelf. Mensen bereik je niet met onderwijs in de Schrift, maar als je hen emotioneel weet te raken. En dat kan alleen als je op dat niveau je preek afstemt. Daarbij ben je als prediker zelf in het geding, met jouw beleving van het Woord. Het gaat erom dat je daarin de gemeente meeneemt. Het vraagt om de inzet van je persoon. Het Woord moet zo door de prediker heen zijn gegaan, dat het zijn woord is geworden, zijn eigen ervaren waarheid. Dat stelt hem in staat zijn hoorder erin te laten delen. Zo preek je met passie.

Ook hier is het accent verschoven van ambt naar persoon. Waar laat je de gemeente dan in delen: in het Woord of in je ervaring met het Woord? Wat verkondig je: het Evangelie of wat je eraan beleeft? Maar zeg je als prediker vaak niet veel meer dan waar je zelf bij kunt? Preek je niet om er zelf ook in te mogen delen? Verdwijnt zo het objectieve van het heil (objectief is wat anders dan abstract!), het vreemde van de vrijspraak, het nochtans van het geloof, het gans andere van God niet in de subjectiviteit van de prediker? Is het geen groot verschil of je Christus ontmoet in de prediking van het Evangelie of in de spiritualiteit van de prediker? Zeker kun je de prediking nooit los maken van de prediker, maar aan zijn persoon als zodanig heeft de gemeente verder toch geen boodschap? En precies dat vermoeden krijg je als je de publicaties van Passie voor Preken leest.
Zo loop je het gevaar dat je de gemeente aan jou bindt, aan jouw geloofservaring en dat jouw spiritualiteit maatgevend wordt. Dat gaat ten koste van de geestelijke mondigheid van de gemeente en van wat daarmee samenhangt: van het tegenover van het Woord en van het ambt. Schept dat tegenover niet juist de ruimte voor de Geest om zijn werk te doen en voor de gemeente om de prediking vrij en zelfstandig te beamen? Daar moet je je als prediker verder niet tussen willen dringen, ook niet met je passie.
Wij willen niet afdingen op talent of charisma als dat ingekaderd is in het ambt. Voor de meesten van ons is de prediking een ambacht dat je je met vallen en opstaan enigszins eigen maakt. Veel meer dan trouw aan het Evangelie die blijkt uit zorgvuldige exegese en hart voor de gemeente moet je van ons niet vragen. Of je daarbij als prediker wat te zeggen hebt, dat ligt niet in jouw macht, tenminste niet als bedoeld is iets van Godswege. Je kunt er met de gemeente om bidden, verder moet je het (willen) laten gebeuren. Woelderink heeft zich destijds afgezet tegen wat hij de profeten noemde in de kringen die zich door een doperse geestesstroming lieten meenemen. Wij hebben het vermoeden dat hij ook zijn bedenkingen zou hebben bij wat Passie voor Preken wil.

De liturg

Een ander perspectief om je plek als prediker te zoeken, biedt wat wij in brede zin de liturgische beweging noemen. Je kunt er niet omheen, zeker niet na het verschijnen van het nieuwe Dienstboek. Deze keer gaat het niet om een ontwikkeling van onderop, in de plaatselijke gemeente, maar van bovenaf. Het Dienstboek is immers een officiële uitgave van de synode, ambtelijke vergadering van de landelijke kerk, vrucht van het SoW-orgaan voor de eredienst. Hier zet niet de populariteit de toon, maar de traditie, en wel de voor-reformatorische. Daar zoekt het aansluiting bij.
Ook in publicaties daaromheen vind je deze tendens terug. Te denken valt aan Kind op Zondag, aan het materiaal voor geloofsopvoeding van SGO, aan het leesrooster van het NBG. In het kerkelijk spraakgebruik zijn woorden als antependia, intochtslied, kyrie en gloria, liturgisch centrum,  Paaswake, Paaskaars, responsies, veertigdagentijd, versper enz. ingeburgerd geraakt en dat waar ze voor staan vindt gaandeweg een plek in het kerkelijk leven. De zondagen worden bij hun liturgische naam genoemd. De Schrift wordt in dat kader gelezen, volgens de vaste roosters. De gemeente komt niet meer samen voor de eredienst maar om de liturgie te vieren.
Je mag van zo’n publicatie als het Dienstboek en van de andere Proeven toch zeggen dat de kerk zich daarin rekenschap geeft van haar identiteit. Om nog eens een woord van Noordmans te citeren: de liturgie is de dogmatiek van de gemeente. Daarin krijgt haar geloof(sbeleving) concreet gestalte. Wie zich als prediker met deze keus van de synode identificeert, neemt een ingrijpende beslissing voor zijn eigen positie. Menig collega gaat daarin zover dat hij zich een witte toga aanschaft. Dat is meer dan eens een keer een andere kleur. Een witte toga is een priestergewaad. Kiest de voorganger voor de positie van de priester in de liturgie, dan zitten we daarmee aan de andere kant van de wip: het ambt wordt zozeer onderstreept, dat de prediker erdoor tegenover de gemeente komt te staan. Volgens Van der Velden is dat ook het motief: de witte toga geeft een nieuw gezag aan het ambt. (W&D, jg.50, nr.17)

Intussen is het, zoals gezegd, aspect van een bredere, liturgische beweging, aangestuurd door de synode en haar organen van bijstand, met een wezenlijk andere kijk op de eredienst en dus ook een andere geloofsbeleving en een andere rol voor de prediker. Een priester bemiddelt het heil. Die bemiddeling geschiedt in de liturgie, door middel van de rituelen, culminerend in de consecratie. Door het voltrekken van deze heilige handelingen, leidt de priester de gemeente in de tegenwoordigheid van God en laat hij haar delen in het heil. Zijn wijding geeft hem daartoe volmacht. De gemeente is op zijn dienst aangewezen.
Een reformatorische eredienst kent in deze zin geen liturgie en geen rituelen. Het voert te ver om hierover uit te wijden, maar het is een beslissend inzicht. Alle dingen moeten wel met orde geschieden als de gemeente samenkomt en er is dan ook een orde van dienst, maar die heeft geen sacrale betekenis. We spreken van een openbare eredienst, die overal onder de open hoge hemel plaats kan vinden en in principe door ieder gemeentelid kan worden geleid. De liturgie en haar rituelen vragen om een gewijde ruimte en om iemand die tot priester gewijd is. De zwarte toga en eventueel het zwarte pak van de ouderling geven op z’n best aan dat het om een samenkomst van publieke betekenis gaat. Er spreekt een zeker theocratisch besef uit. Met de witte toga zit je dus in een heel andere geestelijke sfeer.
Nu wordt de soep niet zo heet gegeten als ze hier wordt opgediend, maar duidelijk mag zijn dat de keus voor wit niet zo onschuldig is als het mag lijken. Het is in elk geval een wezensvreemd element in een reformatorische eredienst. Het geeft je iets van de ‘geestelijke’ en het maakt de gemeente tot ‘leek’.

Ter rechterzijde is men intussen liturgischer dan men zelf beseft. Als ergens de onderdelen van de eredienst zijn gesacraliseerd, dan hier. Ze hebben haast iets numineus gekregen. Wordt ervan afgeweken, dan roept dat grote onzekerheid op, zelfs angst en agressie. Oude berijming en Statenvertaling zijn tot enige heilbemiddelende bewoording verklaard. De prediking wordt beoordeeld op standaarduitdrukkingen en gedachtegangen die een heel eigen liturgische taal zijn gaan vormen.

De prediker als verteller

Een veel bescheidener rol ziet voor zich weggelegd de prediker als verteller. Van hen is de meest bekende ds. N. ter Linden. Ook deze predikers gaat het erom de gemeente te laten delen in religieuze ervaring, nu echter niet die van henzelf, maar die van de bijbelverhalen. Zo karakteriseren zij de Schrift ook: als vertolking van wat mensen hebben beleefd aan hun geloof. Op die manier maken zij de bijbelverhalen toegankelijk voor mensen van deze tijd: het gaat daarin, wat kort door de bocht, om ervaring, niet om openbaring. Het gaat om het verhaal van mensen, gevat in termen en voorstellingen die in hun cultuur verworteld zijn. Het is hun historisch bepaalde waarheid. Zo relativeer je waarvoor je in je eigen belevingswereld geen analogie kent of wat je niet causaal verklaren kunt. De hoorder wordt in zijn moderniteit volstrekt serieus genomen. De prediker staat helemaal aan zijn kant. Veel mensen die van de Schrift waren vervreemd, zijn opnieuw gaan luisteren.
Naar ons gevoelen gaat het hier om een nieuwe vrijzinnigheid, maar tegelijk zijn we geboeid door deze intentie en ook door wat het oplevert. Want als de praktijk van het kerkelijk leven ons iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het wel dat de hermeneutische problematiek volstrekt serieus genomen moet worden, met het oog op de preek, maar ook met het oog op de ethische keuzen waar de gemeente voor komt te staan. Wij noemen als voorbeeld de recente homodiscussie. Het heeft ook alles te maken met het openbare van de eredienst, het missionaire, zo u wilt theocratische karakter ervan. Naar onze overtuiging is het wezenlijk voor de reformatorische traditie om er zich voortdurend rekenschap van te geven. Zonder hermeneutiek valt er niets te traderen, alleen nog te conserveren. Zoals wij ter linkerzijde collega’s zien kiezen voor de Schrift als verslag van religieuze ervaring, zo zien wij ter rechterzijde anderen posities betrekken die naar fundamentalisme neigen. Alle worsteling met de historisch-kritische vragen ontbreekt en al te gemakkelijk wordt er een isgelijkteken gezet tussen bijbeltekst en Woord Gods. Alsof de Geest daar niet aan te pas moet komen! Zoals voor genen het Woord verhaal geworden is, zo voor dezen dictaat. Zo a-historisch kijken moslems tegen de koran aan.

Voor ons gaat het in de Schrift om meer dan religieuze ervaring. Zij is daarin ook openbaring, in alle verborgenheid van menselijke verwoording en historische setting. Er is wat geschied. Dat geldt met name voor de opstanding van Jezus Christus, als heilsfeit in de geschiedenis van deze wereld. Van daaruit willen we de Schrift lezen. Zo houdt ze voor ons het karakter van tegenover en breekt ze onze werkelijkheid open naar God toe en naar het rijk dat komt. Daarom hebben we niet zozeer wat te vertellen maar vooral wat te verkondigen.

Ambt

Verbi divini minister. Dat is de meest klassieke omschrijving van de prediker. Hoe je dat invult, kan dus behoorlijk uiteen lopen. Wat ons betreft, gaat het dan over het ambt. Maar niet buiten de gemeente om. Die roept ertoe. Het kan goed zijn dat je het in je hebt om prediker te zijn, maar om prediker te worden, heb je een roeping nodig. Door de gemeente en zo door God.
Dat is een wezenlijk aspect van haar mondigheid. Zo ergens dan komt daarin uit dat de reformatie geen onderscheid kent tussen geestelijken en leken. Het ambtelijke gezag in de kerk rust niet in de successio apostolorum, maar in de vocatio congregationis. Daar staat de Geest achter. Het gaat in de prediking dan ook niet om het subjectieve gezag van de persoon maar om het objectieve gezag van het ambt. Het wordt je verleend, middels de gemeente.
Zij maakt de dienst uit als zij samenkomt, indirect door de roeping tot het ambt en direct, omdat zij naar reformatorisch besef zelf ook liturg is. Daarom moet ze door alle aandacht voor de performance van de prediker niet de trekken van publiek krijgen en evenmin van leek in een liturgie. Zij heeft haar eigen directe omgang met God. Dat geeft de dienst een open karakter. Ze hoort en gelooft het Woord niet om de persoon of het talent van de prediker, maar omdat en voor zover zij het erkent als Woord Gods. Zij beaamt het in lied en gebed. Zij luistert als mondige gemeente met een eigen verantwoordelijkheid. Tussen de prediker en de gemeente staat de Geest die in alle waarheid leidt. De prediker dient dat te respecteren en ook in de toonzetting van de prediking eerbiedig afstand te bewaren. Zijn geest en de Heilige Geest vallen niet samen.

Ds. Albert Juffer en ds. Wijnand G. Sonnenberg zijn hervormd predikant in respectievelijk  Putten en Ermelo