Skip to main content

nr3 • 2004 • De dienaar en de liturgie

januari 2004 (18e jaargang nr. 3)

De dienaar en de liturgie

Drs. J. Zuur

In hun artikel zijn Juffer en Sonnenberg hartstochtelijk op zoek naar de plaats van de predikant. Zij zoeken die plaats opnieuw vanuit het reformatorisch erfgoed te bepalen en zetten hun bevindingen af tegen wat zij als een verschuiving van accenten ervaren. In allerlei elementen van nieuwe vormgeving ervaren de schrijvers een afglijden van het reformatorisch uitgangspunt. Ten aanzien van de prediking zien zij dat in de vormgeving van de prediking als verslag van de eigen religieuze ervaring, ten aanzien van de liturgie spitsen zij dat toe op de rol van het ambt, met name wanneer die gehuld gaat in een ‘witte toga’. Het is precies op dit punt dat ik het gesprek zoek met beide auteurs: is het waar dat het dragen van de albe (ze noemen niet de stola, terwijl die in dat opzicht nog gevaarlijker geacht zou moeten worden) de predikant maakt tot priester die het heil bemiddelt? Is het waar dat antependia, kyrie en gloria en dergelijke de eredienst weghaalt uit zijn missionaire en theocratische verband en plaatst in een gewijde ruimte waarin het heil wordt bemiddeld? Misschien is het goed het woord predikant te vermijden, en te spreken – met de kerk van de Reformatie – over de dienaar.

Uitgangspunt

Wat is het uitgangspunt van waaruit Juffer en Sonnenberg zelf de dienaar zien? Het werk van de Geest, die geen tegenover schept van het ambt en de gemeente, maar die er voor zorgt dat de gemeente een eigen directe omgang met God heeft. In de prediking hoort zij zelf het Woord van God en beaamt dat met lied en gebed. Dit uitgangspunt deel ik graag met de schrijvers. Maar juist dan moeten er ook vragen worden gesteld bij tegenstellingen die zij scheppen. Wat is de verworteling van het ambt? Juffer en Sonnenberg stellen: niet de successio apostolorum maar de vocatio van de gemeente. Maar staat niet juist de roeping van de gemeente geheel en al in dienst van het gezag van de apostelen? Rust het ambt niet ook in de binding aan dat gezag? En is het niet ook eigen aan de apostolische successie – die men ook een reformatorische inhoud kan geven – dat het ambt in de gemeente verbinding schept met de hele kerk van alle tijden en plaatsen, die als katholieke kerk juist geworteld is in het gezag van de apostelen? Laat het helder zijn: er is slechts een christelijke traditie. Wie de reformatorische traditie tegenover de katholieke traditie plaatst komt in strijd met de Schrift en de belijdenis van die kerken. De tegenstellingen die Juffer en Sonnenberg maken zijn te snel genomen. Hoe functioneren ambt en gemeente in het krachtenveld van de Geest? De schrijvers stellen aan het slot: tussen de prediker en de gemeente staat de Geest die in alle waarheid leidt. Is het niet zuiverder om te stellen dat ambt en gemeente binnen de leiding van de Heilige Geest hun eigen plaats en verantwoordelijkheid hebben, en juist van daaruit elkaar veronderstellen en op elkaar aangewezen zijn? De Geest staat niet alleen in tussen ambt en gemeente, veeleer betrekt Hij die op elkaar. Ambt en mondige gemeenteleden hebben hun plaats in het kader van de vele genadegaven en de ene Geest (1 Kor. 12, 11).
Al is mijn benadering van de liturgie geheel anders dan die van Juffer en Sonnenberg, de vraag is of zij met hun uithaal naar een accentuering van de liturgie in de reformatorische kerk een zeker gelijk kunnen hebben. Na de periode van ‘toenadering tot Rome’ trekt de Rooms Katholieke Kerk de grenzen duidelijker en vooral strakker, doordat het sacrament zo sterk mogelijk gebonden wordt aan het ambt, en wel in de apostolische successie volgens Roomse maatstaven. Betekent dat reformatorische christenen die de waarde en betekenis van de katholieke liturgie hebben ontdekt, zich zonder meer hebben uitgeleverd aan de Roomse visie op de verhouding ambt en gemeente? Bij collega’s, die net als ik de albe met stola dragen, is dat zeker niet het geval. Bij mij gaat het er om dat juist een oriëntatie van de (reformatorische) liturgie aan de Catholica alle stemmen wegen en mee beslissen, en dat geen stem uit de kerk der eeuwen, waarmee wij verbonden zijn, ongehoord wordt gelaten. En dat heel de geschapen werkelijkheid wordt ingebracht in de dienst der verzoening vanuit het offer van Christus. En dat daarom woord en toon, klank en kleur hun plaats krijgen in de samenkomst van de gemeente, in die open ruimte (van kerkgebouw of open lucht) waarin Christus en zijn gemeente, God en zijn volk elkaar direct ontmoeten, van hart tot hart. Daarin uit zich geloof in God zelf in zijn zelfopenbaring, als degene die ons “achterna gekomen is in onze diepe val, tot Hij ons vond op Golgotha” (Noordmans).
Wanneer ik dit uitgangspunt met Juffer en Sonnenberg meen te delen, wil ik graag nader uitwerken hoe dat concreet wordt in de diensten waarin ik voorga. Binnen de begrenzing van dit artikel kan ik slechts enkele voorbeelden noemen.

Concretisering

Wat is eigenlijk een introïtus? Daar onder kan men verstaan het binnenschrijden van de clerus. Zo ging het vaak in diverse deeltradities die aan de oorspronkelijke Catholica ontsproten zijn. Dan is het inderdaad verdacht. Dat is in strijd met de grondslag van de Reformatie - die beweging was niet voor niets een radicale vernieuwingsbeweging - en ook niet in overeenstemming met de bedoeling van de kerk der eeuwen. Moeten we de introïtus – reformatorisch–katholiek - niet anders verstaan? Dan is het niet de clerus die als ‘hoofddader’ binnengaat, maar de gemeente zelf, en wel op de roeping van Godswege. Immers, naar katholiek besef wordt de dienst altijd geopend met een psalm. Wie heft die psalm aan? De op Gods roep samengekomen gemeente. Het is de gemeente zelf die, krachtens haar algemeen priesterschap, de Schrift de kerk binnendraagt. In het kielzog van de psalmzingende gemeente komen dan de dienstdoende ambtsdragers binnen. Heel zinvol is het ook een steeds brandende godslamp aan te brengen die de verbinding legt met Israël en de synagoge: voordat het echtpaar X als eerste deze ruimte binnentrad, was God zelf er al: Hij die ons roept, ook samenroept.

Het Onze hulp en het daarmee verbonden gebed van toenadering kan heel goed door een ouderling worden uitgesproken. In verootmoediging en belijdenis van vertrouwen mag deze vanwege zijn pastorale taak voorgaan. Op dezelfde wijze is het zinvol dat de diaken het kyriegebed van de gemeente inleidt, om zo leiding te geven aan de diaconale dienst van de gemeente. Het moet duidelijk zijn dat ook in de wijze waarop de verscheidenheid van de ambten functioneert, de gemeente zelf het eigenlijke subject van de liturgie is. Ambtsdrager kunnen en mogen voorgaan, elk op hun plaats, zij nemen de rol van de gemeente niet over, maar leiden die ‘slechts’ in. Het is bijzonder jammer dat de erfenis van wijlen Prof. Dr. G.N. Lammens op dit punt niet verder is gedragen. Hij heeft bij uitstek aangetoond hoe het ambt functioneert om de gemeente als subject te laten functioneren, in een klassieke, katholieke liturgie, die recht doet aan de diepste intenties van de Reformatie. Het ambt functioneert niet om de gemeente en haar verhouding tot God weg te drukken, maar om die juist te activeren. Een voorbeeld is de wisselgroet voorafgaande aan het gebed bij de Dienst van de Heilige Schrift en het eucharistische gebed. Voorganger en gemeente groeten elkaar met de zegen van Aäron, in zijn kortste vorm: de Heer zal bij u zijn. De Heer zal u bewaren. Persoonlijk kan ik hier niet meer zonder. Het is een hoogst verantwoordelijk werk dat ik nu als dienaar van het Woord ga doen: ik ga voor in de opening van de Schriften. Zeker, ik heb alles gegeven bij de voorbereiding. Maar dan nog: waartoe ben ik in staat? Het is een pak van mijn hart als Juffer en Sonnenberg mij voorhouden dat van mij als dienaar van het Woord niks meer wordt verwacht dan dat ik mij in de exegese goed voorbereid, en hart heb voor de gemeente. Toch gebeurt er meer dan dat ik wat exegetisch vakwerk lever, en de teksten probeer neer te zetten in de actualiteit van de gemeente. Uiteindelijk is het God zelf die door deze dienst spreekt tot de gemeente. Dat valt niet samen met de dienst die ik verricht, maar die dienst wordt daarbij wel in dienst genomen. Daarom treed ik als voorganger de gemeente tegemoet om duidelijk te maken dat in alles wat de Schriften nu laten klinken de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer geschiedt. Juist dan kan ik de aanvaarding en de geborgenheid van de gemeente niet missen, die klinkt uit de responsie: de Heer zal u bewaren. Bij die aanvaarding en geborgenheid kan ik dan de zwaarste kritiek op mijn preek ook aan: er kan een open gesprek zijn op basis van wederzijdse aanvaarding. In de wisselgroet vertrouwen we elkaar, voorganger en gemeenteleden, toe aan de Heer zelf. Niemand komt dus tussenbeide als we elkaar, voorganger en gemeenteleden, zo aan die Heer zelf toevertrouwen.

Juist deze liturgische vormen geven aan hoe de verhouding ligt: het gaat om de Heer zelf en ons zelf. Dezelfde liturgische dialoog keert terug bij de nodiging tot de lofprijzing in de prefatie van het eucharistische gebed. Deze klassieke nodiging maakt dat dit gedenkende gebed (waarin ik voorga door de prefatie te zingen op de klassieke melodie) een handeling van de gemeente wordt, die in het sanctus (heilig, heilig, heilig) en het benedictus (gezegend Hij die komt in de naam van de Heer) door de gemeente zelf wordt aangeheven. Wanneer als bezwaar wordt aangevoerd dat in zulke dialogen ambt en gemeente teveel tegenover elkaar worden gesteld, antwoordt Lammens: de kerken van de Reformatie kennen ook ambten, maar juist de dialoog doorbreekt het eenzijdig ambtelijke van de liturgie. Geheel in de lijn van de klassieke traditie is het, wanneer niet slechts de verschillende ambten in de dienst vertegenwoordigd zijn, maar ook gemeenteleden zelf. Bij de voorlezing van de Schrift en de voorbeden kan de dienst van gemeenteleden worden gevraagd.

Eten, drinken en kleden

Als Jezus ons leert dat wij niet als de heidenen bezorgdheid zullen kennen over de vraag: wat zullen we eten en wat zullen we drinken en waarmee zullen we ons kleden?, dan bedoelt Hij zeker niet dat die vragen te allen tijde onjuist zijn. Juist in de samenkomst van de gemeente is duidelijk dat we brood zullen eten en wijn zullen drinken tot de gedachtenis van Jezus Christus, om de gemeenschap met Zijn lichaam en bloed te beleven. Dat brengt mij bij de vraag of Juffer en Sonnenberg terecht de tegenstelling aanbrengen: gewijde ruimte of missionair? Ook in de open lucht geeft de gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus, het gedenken van zijn offer bij de tekenen van brood en wijn, een eigen karakter aan de samenkomst van de gemeente. Het witte gewaad is juist niet het specifieke gewaad van de gewijde priester als bijzondere representant van Christus, maar van de hele geloofsgemeenschap die bijeen is in het algemeen priesterschap. De albe verwijst naar de witte klederen waarin Jezus Christus als de Opgestane wordt verkondigd, vgl. Matt. 28, 2, Mark. 16, 5; Luk. 24, 4, vgl. Openb. 7, 9. Is het witte gewaad per se het gewaad van de priester die het heil bemiddelt? Ziet de witte kleur er echt op dat de directe verhouding tussen God en de gelovige wordt doorbroken door de bemiddeling van de priester? Zo massief stellen Juffer en Sonnenberg het wel, en de vraag is: doen ze daarmee recht aan wie het witte gewaad dragen, en zien ze niet voorbij aan de bijbelse noties die de eerste dag van de week in verband met de opstanding brengen? Met deze verwijzing naar de opstanding ga ik nog voorbij aan wat de oorsprong van het witte gewaad is: de joodse gebedsmantel. Waarom is de zwarte toga theocratischer? Is dat niet het kleed van de academische leraar, die juist daardoor een niveauverschil met gemeenteleden accentueert? Waarom zitten we met een zwarte toga in een betere geestelijke sfeer? Is de zwarte toga echt geestelijk? Is zij niet veeleer burgerlijk? Is de albe met stola (verwijzend naar het juk van Christus) niet geestelijker, dichter bij de zaak van Jezus Christus, zijn opstanding en de volmacht die Hij aan zijn apostolische kerk geeft?

Sacrale sfeer?

Scheppen we met antependia, paaskaars e.d. een sacrale sfeer? Maar wat is sacraal? Kun je zo’n woord zo suggestief gebruiken, zonder recht te doen aan de bijbelse notie van heiligheid? Komen we niet voor het aangezicht van de Heilige God, als we de eredienst houden? Is de Schrift die wij horen niet de Heilige Schrift? En vieren we niet het Heilig Avondmaal en bedienen wij niet de Heilige Doop? Deelt het eigen karakter van die heiligheid zich niet mee aan de hele liturgie als ontmoeting tussen God en zijn volk, Christus en zijn gemeente? Waarom worden de priester en de dienaar zo scherp uit elkaar gehouden? Heeft wijlen Prof. W. Kremer niet terecht gewezen op een ‘priesterlijke prediking’? Als alle gelovigen in een algemeen priesterschap staan, waarom wordt aan de dienaar dan elk priesterschap ontzegd? Is dat wel reformatorisch? Nee, omdat de dienaar het gericht en de vergeving van de zonden aanzegt. Is het waar dat een reformatorische eredienst geen rituelen kent? Wat is dan de zegen aan het eind van elke – ook reformatorische – eredienst? Deze vraag opent een andere: wat is de zin van de handoplegging, en hoe zou die bijbels een plaats mogen hebben. Liturgie en pastoraat raken elkaar hier, zoals liturgie altijd raakt aan pastoraat, spiritualiteit, diaconaat, belijden, missionair in de wereld staan, het theocratische visioen. Het gaat in zulke rituelen en symbolen juist om Gods heil in Christus en door de Geest voor de totale geschapen werkelijkheid die – zij het kritisch – wordt ingebracht en meedoet als de Heer met zijn volk samengekomen is. Water, brood en wijn als sacramentele tekenen, en daaromheen: de lichten van de kaarsen, de godslamp die altijd brandt, de wierook, en de uitgebreide handen van de dienaar die de gemeente zegent aan het einde van de dienst, als rituelen daarom heen die onderstrepen en concretiseren wat hier daadwerkelijk geschiedt: God zelf en de gelovigen zelf in de levende ontmoeting met elkaar.

Die levende ontmoeting is vol van levenskracht en groeikracht: God zegent de gemeenteleden met zichzelf en al zijn gaven, en de gemeente zegent de Heer in haar loflied en aanbidding. Inderdaad, heel sacraal. Maar anders dan Juffer en Sonnenberg laken. Dit sacrale barst van de dynamiek van deze bijzondere ontmoeting waarin stromen van zegen aan elkaar ontspringen en elkaar vruchtbaar maken in de kracht van de Geest die ons innerlijk herschept en tegelijk het gelaat van de aarde vernieuwt.

Prediker als liturg?

Wie heeft ooit beweerd dat de prediker zijn identiteit vooral als liturg heeft? Dat prediking in een liturgisch kader staat – hoe sober ook, maar altijd – is heel iets anders. Juffer en Sonnenberg verwijzen naar het Dienstboek. Maar het Dienstboek stelt – juist vanwege het leesrooster en de toelichting daarop – het centrale karakter van de Schrift als Woord van God, en als canon, op volstrekt gereformeerde wijze aan de orde. Waar willen Juffer en Sonnenberg in het Dienstboek naar verwijzen, om aan te tonen dat dit niet het geval is? Juist in het Dienstboek komen we het accent op de gemeente en haar mondigheid tegen.  Zij noemen antependia, intochtslied, kyrie en gloria, liturgisch centrum, Paaswake, Paaskaars, responsies, veertigdagentijd, vesper, en besluiten die opsomming met: enz. Zij zetten dit alles in het kader van het nieuwe gezag van het ambt, waardoor de gemeente van gelovigen opzij geschoven wordt / dreigt te worden. Mag de vraag gesteld worden hoe de ruimte zal worden aangekleed waarin de gemeente haar eredienst oefent? Mag er nagedacht worden over voorwerpen en kleuren die zullen worden aangebracht? En hoe dat gebeurt? Mag daarbij de traditie van de kerk van alle eeuwen een rol spelen? Moet ook dan het woord van de apostel niet in ere gehouden worden: beproeft (toetst) alle dingen, en behoud het goede? Is het dan zo vreemd om antependia te hangen in de kleuren van het kerkelijk jaar? En mag de vraag gesteld worden hoe de eredienst wordt begonnen? Mijn ervaring is dat kerkgangers, gelovigen, gesteld voor de vraag hoe de eredienst het beste kan worden begonnen, uiteenlopende antwoorden geven, die geen van alle fout zijn, maar – juist ook in hun verscheidenheid – heel juist: met een loflied, met een verootmoediging, met een kreet over de nood van de schepping. Het is juist de ervaring van gewone gemeenteleden die in de samenhang van kyrie en gloria tot uitdrukking komt. Hoe vieren wij Pasen? Laten wij daar iets aan vooraf gaan, en zo ja wat en waarom? Het getal veertig speelt bijbels een belangrijke rol in de opgang naar het heil. En hoe verbinden de schrijvers de vesper met de nieuwe plaats van het ambt, als bedacht wordt dat daar geen ambtsdrager in hoeft voor te gaan, omdat het een gebedsdienst is van  gelovigen, waar het ambt geen prominente rol speelt. Het is volkomen op zijn plaats als Juffer en Sonnenberg zich er tegen verzetten dat de gemeente wordt gebonden aan de subjectiviteit van de prediker. Maar als zij terecht de Schrift als openbaring van God boven de ervaring uit laten gaan, kunnen dan handelingen, rituelen en symbolen dat accent alleen hinderen en blokkeren? Kunnen zij het  niet juist versterken? Gebeurt dat niet ook bijvoorbeeld aan het einde van de kerkdienst als de zegen wordt uitgesproken met handoplegging?

Juist als Juffer en Sonnenberg de rol van de predikant opnieuw zoeken in het kader van het werk van de Heilige Geest in de gemeente, kan de liturgie de plek zijn waar de mondige gemeente met haar eigen verantwoordelijkheid volop aan het woord komt. In de liturgie voor de zondagsdienst, maar ook in de getijden, kunnen gemeenteleden betrokken worden vooraf, om te zoeken naar vorm en inhoud van de dienst, en nog directer bij de gebeden. Rechte liturgie zet predikant en gemeenteleden op hun plaats. In een doordachte, op de klassieke orden gebaseerde liturgie, waarbij gerekend wordt met de kerk der eeuwen, blijft de verkondiging een centrale rol spelen, waarin de grote daden van God aan Israël en in Christus, in hun actuele toepassing, centraal staan. Trouw aan het evangelie en zorgvuldige exegese zijn juist binnen een liturgisch doordachte setting van beslissend belang. Wanneer Juffer en Sonnenberg op dit punt Noordmans aanhalen, dat niet het talent maar volmacht het wezen van het pastorale ambt is, dan is dat helemaal waar en ter zake.

Kan de preek wel zo tegenover de liturgie gesteld worden als Juffer en Sonnenberg doen? Staat een preek niet altijd in een liturgisch verband? En is de preek niet altijd – hoe sober gehouden ook – onderdeel van de liturgie, waarin de lezing van de Schrift, liederen en gebeden een rol spelen? En kunnen we dan niet omgekeerd zeggen dat liturgie ook prediking is, ongeveer zoals Paulus de gedachtenis van de dood van de Heer bij brood en wijn verkondiging noemt, 1 Kor. 11, 26? De verkondiging van de dood van de Heer bij de viering van de tafel zit in de woorden die de handeling begeleiden. Dat geeft de liturgie des te meer een verkondigend karakter.

Israël, de dienaar en de liturgie

Wat in de bijdrage van Juffer en Sonnenberg wel heel sterk ontbreekt, is de voorrang van Israël. Juist in de liturgie van de kerk der eeuwen komt die voorrang sterk naar voren, waar een eredienst nooit anders begint dan met een psalm. De gewoonte – ook in veel reformatorische kerkdiensten – om eredienst te beginnen met een lied dat zo sterk mogelijk aanspreekt – als was het een ‘binnenkomer’ - dient hartgrondig te worden afgewezen. Met de kerk van alle eeuwen dienen wij de eredienst nooit met iets anders te beginnen dan met een psalm: Israël zet de toon als wij de Heilige, gezegend Hij bezingen. In die lijn en stijl, in de volstrekte eenheid van inhoud en vorm, gaat de hele dienst verder: horen we de Schrift, zingen we de liederen en zeggen we de gebeden en vieren we de maaltijd van de Heer – en komen we thuis aan zijn hart.

Drs. J. Zuur is hervormd predikant te ˋs Gravenhage