Skip to main content

nr2 • 2003 • Door het lied het Woord horen

november 2003 (18e jaargang nr. 2)

Door het lied het Woord horen
Prediking naar aanleiding van een gezang uit het Liedboek

Ds. M.D. van der Giessen

Geïnspireerd door het artikel Preken uit ‘de kleine Bijbel’ van ds. H. Mudde in de Postille voor dit kerkelijk jaar heb ik op paaszondagavond stilgestaan bij de geschiedenis van de Emmaüsgangers aan de hand van gezang 72. Ik heb daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de inhoudsvolle preekschets die Mudde geeft voor een dienst met een liedpreek. In de veelheid van diensten en dito woorden in de lijdens- en paastijd bleek het een goede mogelijkheid te zijn om door het lied het Woord te horen. De evangelielezing werd in gedeelten gelezen, afgewisseld met het zingen en lezen van coupletten van psalm 139.

Geloofsliederen

De dichter Willem Barnard heeft in gezang 72 in vier strofen een aantal kernen uit het verhaal laten oplichten, die wij met hem op ons af willen laten komen…. in de hoop, dat het verhaal opnieuw in zijn kracht tot ons komt. Liederen hebben zo een bijzondere waarde in het geloofsleven. Met liederen zingen we ons geloof uit, maar met de liederen zingen we ons ook het geloof in. Zingen is daarin zoiets als ademen, in- en uitademen. Flarden van zinnen uit liederen, die mensen door crises heen hebben geholpen. Mensen dragen woorden met zich mee, maar die woorden willen mensen ook dragen op momenten, dat het er op aankomt.
Dat zijn vaak ‘klassiekers’: De Heer is mijn Herder; Geloofd zij God met diepst ontzag; Neem, Heer mijn beide handen. Om deze reden pleit R. Bohren voor ‘uit het hoofd leren’ (In der Tiefe der Zisterne) of zoals de engelsen nog zoveel mooier zeggen ‘learning by heart’. Bewoordingen verbeelden hele geloofswerelden, waar je, als je het helemaal zou willen uitzeggen als je dat al zou kunnen een hele dogmatiek voor nodig hebt. Maar geloofswerelden, die door het poëtische, het dichterlijke wel opgeroepen worden. Juist geloofswerkelijkheden, die ons verstand te boven gaan, gaan tintelen als dichters daar hun gaven voor hebben mogen geven om iets van het geloofsgeheim te verwoorden.

Gezang 72

Niet alleen ‘klassiekers’ kunnen die kracht hebben, maar ook ‘nieuwe’ liederen. Een voorbeeld daarvan is gezang 72, waarin de bewoordingen het verhaal van de Emmaüsgangers op ongekende wijze kort en krachtig tot onze verbeelding laten spreken. Een lied, dat ons wil vergezellen op onze levensweg. Bijna als een soort zegen, waarin uitgesproken, uitgezongen wordt, dat de Opgestane in heel onze levensweg ons wil omgeven. Vroeger werd aan reizigers en pelgrims een zegen meegegeven. Bekend is de Ierse zegenbede: God zij voor u, naast, achter, onder, in jou, om je heen en boven jou – de zegen van St. Patrick. Gezang 72 lijkt een echo van die zegen. Er spreekt vertrouwen en verlangen uit. Zo mogen we de woorden van gezang 72 - strofe voor strofe - op ons af laten komen.
        Gij volgt ons uit Jeruzalem
        en spreekt zodat ons in uw stem
        waar Gij de schriften opendoet,
        het woord van den beginne groet.

“Gij volgt ons uit Jeruzalem”. Het is zo kernachtig, dat je het al gezongen hebt voor je er erg in hebt. “Gij volgt ons uit Jeruzalem”. Uit(!) Jeruzalem! De Emmaüsgangers zijn teleurgesteld over alles wat er is gebeurd met Jezus. Ze hadden zo gehoopt, dat Hij degene zou zijn, die Israël verlossen zou. Daarom zijn ze maar weggegaan. Heengegaan door teleurstelling! Hoe vaak zien wij dat ook niet in onze tijd? Kerkverlating, geloofsafval – het spreekt niet meer aan. Afgehaakt!
Lang niet altijd uit onverschilligheid, soms ook wel uit teleurstelling. Men had echt gehoopt, dat het zou vonken in hun leven. Onvervuld verlangen, onvervulde openheid. In Om de verstaanbaarheid schrijft C.M. van Loon over Boris Dittrich. Die vertelde eens, dat hij een keer met Kerst in Israël was en toen ineens de behoefte voelde om in Bethlehem naar de kerk te gaan. “Ik heb daar uren gezeten. Toen ik de kerk uitging, hoopte ik: misschien valt er nu een lichtbundel op mijn leven, zodat ik opgenomen word in iets groots, maar dat gebeurde niet. Ik heb het echt geprobeerd. Ik dacht: ik ben er rijp voor, maar er gebeurde gewoon helemaal niets. Als je mensen om je heen ziet die zo intens geloven, dan heeft dat iets moois, maar bij mij lukt het niet”. Afhaken door onvervulde openheid. En zo is hij verder zijn eigen weg gegaan… en hoevelen niet met hem. Waar moet je dan nog hopen? Hoeveel ouders zijn er niet, die hun kinderen andere wegen hebben zien gaan en denken… kunnen ze nog bereikt worden? Gij volgt ons uit Jeruzalem. Al gaan mensen van de kerk weg, dan zijn ze nog niet uit het bereik van de Opgestane, nee sterker nog - Hij volgt. Wij worden geroepen Hem te volgen, maar wie niet volgt, is niet uit zijn bereik, want Hij volgt wel. En onverwacht en ongedacht spreekt Hij aan. Hèt spreekt misschien niet meer aan, maar Hij gaat wel door aan te spreken, ook op plekken waar wij het niet zouden verwachten, buiten Jeruzalem. Woorden klinken dan, waar mensen door verrast worden.
En is dat niet wat steeds aan de orde is op Pasen. Het opmerkelijke van Pasen – we worden opgehaald; niemand geloofde het! Als de Opgestane niet zelf de discipelen had opgezocht, dan had niemand Hem ontdekt, want niemand ging op zoek. Met de Opstanding had niemand gerekend.

Psalm 139

Psalm 139 lezen en zingen bij de Evangelielezing is niet zomaar een willekeurige keuze. Van oudsher is psalm 139 de psalm van de zondag op de Paaszondag. Niet de Paasjubel, maar de diepe tonen van psalm 139 is het lied waarmee de christenheid vanouds her op Pasen begon. Toen ik net dominee was, vond ik: op Pasen moeten we gelijk beginnen met de Paasjubel – voluit “Halleluja, de Heer is waarlijk opgestaan!” En dat vind ik eigenlijk nog wel; tegelijkertijd is die andere toon zeker zo belangrijk. Een goede collega zei: jij wilt beginnen op de hoogte van Pasen, maar wij mensen moeten gebracht worden op de toonhoogte van Pasen. Mensen moeten opgehaald, soms letterlijk, maar zeker ook figuurlijk -, opgehaald worden, anders is de toon van Pasen te hoog voor ons en gaat die over ons heen. Gij volgt ons uit Jeruzalem.
        Heer, die mij ziet zoals ik ben,
        dieper dan ik mijzelf ooit ken,
        kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,
        Gij volgt mij waar ik zit of sta
        (Psalm  139, vers 1a)

Om ons aan te spreken!! In den beginne riep God: Adam, waar zijt Gij. Hij gaat voort ons aan te spreken bij onze naam.
        God heeft het eerste woord,
        Voor wij ter wereld kwamen,
        riep Hij ons reeds bij name,
        zijn roep wordt nog gehoord.
        (Gezang 1, vers 2)

Zo riep Hij op de paasmorgen: Maria! Rabboeni! Gij volgt en spreekt ons aan!
        Zo zult Gij ons terzijde gaan;
        want Gij zijt waarlijk opgestaan,
        in 't breken van ons brood zijt Gij
        ons in ons eigen huis nabij.

Terzijde gaan

Zo zult Gij ons terzijde gaan’. De staande uitdrukking in onze taal is ‘terzijde staan’. Dat paste de dichter waarschijnlijk niet. Staan komt immers al voor in het rijmwoord ‘opgestaan’, maar er is meer. ‘Terzijde gaan’ is veel rijker, inhoudsvoller; het houdt de beweging vast, het is meegaan en begeleiden. De Opgestane is er niet een moment, maar gedurig, ook al onderkennen wij Hem niet.
        Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
        Ja overal, op al mijn wegen
        En altijd weer komt Gij mij tegen.
        (Psalm 139, vers 2a)       

        Want Gij  zijt waarlijk opgestaan.

Pasen en Pinksteren

        O Heer, tot U zo bidden wij,
        blijf in ons midden, wees nabij,
        steek Gij ons dorre hart in brand
        al zijn wij traag door onverstand.

“Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen!” Voor ons een uitdrukking voor iets, waarvan we niet verwachten, dat het gauw zal gebeuren, maar als we op Pasen iets nodig hebben, dan is het wel, dat het Pinksteren wordt. Liefst Pasen en Pinksteren op één dag! Bij Pasen blijven wij van onszelf uit steken in ons ongeloof, in onze twijfel. Daarom de bede: 'O, Heer, tot U zo bidden wij: steek Gij ons dorre hart in brand’. Bede om het vuur van de Geest! De aanwezigheid van de Opgestane is wel vertrouwd, maar nooit vanzelfsprekend, ook niet in zijn ‘terzijde gaan’. “Niemand kan belijden, dat Jezus is Heer dan door de Heilige Geest”. Jezus is wel bij ons, maar wij zouden aan Hem voorbijgaan, als de Geest ons de ogen niet opent voor Hem! Waar je als gelovige en ongelovige overvallen wordt door het gevoelen, de gedachte: “Nu sta ik er alleen voor…” - toch niet! Bidt dat Zijn aanwezigheid opgemerkt mag worden, tot je eigen verwondering. Ontdekt.. door uzelf, door allen, die u lief zijn.

Onze laatste reisgenoot en metgezel

In gezang 73 De Heer is onze reisgenoot is het woord ‘reisgenoot’ voor Jaap Zijlstra het dragende woord in zijn liedbewerking van het verhaal over de Emmaüsgangers. Het begint en eindigt ermee. In het Liedboek staat dit gezang afgedrukt met een melodie van Jan Pasveer. Bij het dichten van dit lied had de dichter zelf echter de melodie van Psalm 134 in gedachten. Dat ‘s HEEREN zegen op u daal’ wordt werkelijkheid in de Opgestane, die onze reisgenoot is. In het laatste couplet van gezang 72 spitst Willem Barnard deze gedachte vooral toe op het einde van het leven.
        Wanneer ons dan de avond wenkt,
        de schaduw van ons leven lengt,
        wees onze laatste reisgenoot,
        een metgezel in alle nood.

Heel ons leven zal Hij ons terzijde gaan. Zo gaan wij voort. De avond ‘wenkt’- beeld (Mudde) van: in de verte of al dichtbij staat de levensavond te zwaaien: ‘hierheen’. Hier gaat het met jou naar toe. “De schaduw van het leven lengt”: de dagen en jaren die je gegaan bent, zijn inmiddels met elkaar meer ‘donker’ dan er nog ˋlicht’ voorhanden lijkt. En dan roept het lied: wees onze laatste reisgenoot en metgezel in alle nood.

Op de Paaszondag zingen wij veelal: “Nu jaagt de dood geen angst meer aan”. Woorden, die goed verstaan moeten worden, willen ze niet misverstaan worden. Doordat Jezus de zonde, de schuld heeft betaald – ‘daarom: alles is voldaan’- daarom kan inderdaad gezongen worden; nu jaagt de dood geen angst meer aan. Wij leven na de overwinning, maar nog niet in de definitieve verlossing. De dood slaat nog hele zere plekken en een mens, ook een christen die moet gaan sterven kan daar geweldig tegen op zien, maar in dat alles mag gehoopt worden worden op Christus’nabijheid, zijn genade – stervensgenade.

Eens lag een man - tussen de 40 en de 50  - in het ziekenhuis, met de vervlogen hoop, dat zijn ziekte nog te genezen zou zijn. Helaas. Naast hem op de tweepersoonskamer nog een man, ongeveer even oud, zelfde situtatie. Opgegeven! Beide mannen kenden elkaar daarvoor niet, maar waren zeer verbonden geraakt in hun strijd en hoop… en daarna ook in hun twijfel, aanvechting en ongeloof. Dit kan toch niet waar zijn… Ze hadden zo gehoopt… maar helaas… en daar met hen werd het Avondmaal gevierd. Twee mannen, die samen op weg waren, op de terugtocht en daar kwam in de teken van brood en wijn de Opgestane en Hij werd door hen herkend.
        Wees onze laatste reisgenoot,
        een metgezel in alle nood.

        In dood en leven , Heer, wees Gij nabij.

Gezang 392

De dichter Henry Francis Lyte leefde van 1793 tot 1847 - 54 jaar oud geworden. Op 4 september 1847, amper twee maanden voor zijn sterven, schreef Hij ‘Abide with me’, Blijf bij mij, Heer’ (gezang 392). Op die dag  had de doodzieke Lyte de laatste dienst gehouden in de All Saint Church te Brixton. Met moeite had hij nog gepreekt en wel over Lucas 24, 29: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om bij hen te blijven. Hij sprak erover en bediende zelf ook het Avondmaal. Diezelfde avond schreef hij ‘Abide with me” – ‘Blijf mij nabij, in leven en in sterven’.
In leven! Meer dan wij vaak denken. Dat dit lied ook ieder jaar gezongen wordt bij de community-singing op Wembly voor de eindstrijd om de Engelse voetbalbeker – cupfinal – is voor ons nuchtere Hollanders misschien te veel van het goede, maar het tekent hoezeer de Levende in het leven nabij wil zijn, maar nog veel meer in ons sterven als onze laatste reisgenoot en een metgezel in alle nood. Waar Hij ons volgt uit Jeruzalem, doet Hij dat om ons terug te brengen in Jeruzalem – om te zijn met Hem, in leven en in sterven!