Skip to main content

nr1 • 2003 • ‘Kaal en grijs?’

Oktober 2003 (18e jaargang nr. 1)

‘Kaal en grijs?’
Over soberheid, levensvreugde en de ‘calvinistische ziel’

Prof.dr. G.C. den Hertog

Ik kan me niet herinneren dat ik drie jaar geleden veel gelezen heb over de openingszin van het Boekenweekgeschenk: ‘De aula van het crematorium in Amsterdam is uitgevoerd in kale grijze baksteen, even kaal en grijs als de lucht boven de stad en de calvinistische ziel.’1 Het lijkt me echter onwaarschijnlijk dat ik de enige was, die zich geërgerd heeft aan deze kleurloze bevestiging van een sterereotype. Mulisch vond het kennelijk nodig nog weer eens langs de calvinistische ziel te schuren, die kaal en grijs zou zijn, zij het nog als baksteen en dus net niet als beton. Maar het afgrijzen druipt er van af. Er zit geen glans op de calvinistische ziel, ze lééft niet. Calvinisten zijn grijze muizen, die niet weten wat léven, wat beleven, wat genieten is. Het was niet voor het eerst, dat we dat naar ons toe kregen, en het zal ook de laatste keer wel niet zijn. Maar klopt het nog? Is de calvinist van vandaag sober, wars van de geneugten des levens?

Soberheid

Als we de volle breedte van wat linksom of rechtsom gereformeerd heet aan ons oog voorbij laten trekken, denk ik dat het voor geen enkele stroming nog opgaat. Ook (bevindelijk) gereformeerden gaan inmiddels massaal met vakantie, en houden door de bank genomen zeker niet minder dan niet-refo’s van lekker eten en mooie auto’s. In dit opzicht mag de emancipatie wel geheel voltooid genoemd worden. Als mijn informatie juist is, is ergens op de Veluwe zelfs een uitzonderlijke maatregel genomen om de kerkgangers zonder prangende zorgen de diensten te laten bijwonen. Een paar opgeschoten jongens moeten of mogen tijdens de diensten buiten blijven om een oogje in het zeil te houden; ­­voor­kómen moet worden dat de zorg over de dure Mercedes of BMW - dit fraaie brok aards slijk zou eens gestolen kunnen worden! - de kerkganger bij het luisteren zou kunnen hinderen. Dat die jongens verstoken blijven van de samenkomst van de gemeente neemt men kennelijk zonder problemen op de koop toe - óók in deze gemeenten, waarin de schaduw van de eeuwigheid zwaar over het leven heenvalt.
In 1987 publiceerde de historicus S. Schama een studie over ons land tijdens de Gouden Eeuw die in vertaling de titel meekreeg: Overvloed en onbehagen.2 Een titel die aan het denken zet. Het gereformeerde Nederland was welvarend in die zeventiende eeuw, maar men kon of durfde er niet met een vrij geweten van genieten en al helemaal niet erin op te gaan. ‘Gooi geen geld over de balk, en al helemaal geen geld dat je nog niet verdiend hebt!’
Er heeft zich in de vorige eeuw op dit punt een geweldige omslag voltrokken, die aan niemand is voorbij gegaan. Was het voorheen zó, dat spaarzin hoog aangeschreven stond, ­­­en je niet trouwde, voordat je als meisje een uitzet had gespaard en als jongen een gezin kon onderhouden, sinds enkele tientallen jaren echter wordt het lenen - dat wil zeggen: het uitgeven van wat je niet hebt -, en daarmee een heel andere manier van inrichten van je leven, krachtig gestimuleerd. Wie het niet breed heeft, laat het vaak rustig breed hangen. Die stompzinnige reclames van Frisia en Geelink moeten toch ergens van betaald worden - en wat kan dat ‘ergens’ ánders zijn dan dat ze worden betaald door die mensen die ook in onze economische dip vrijmoedig lenen?

Calvinisme en kapitalisme

Ongeveer een eeuw geleden heeft Max Weber het zó voorgesteld, dat de gegoede calvinistische burgerij in Nederland door een samenspel van factoren precies de ideale voedingsbodem vormde, waarop het moderne kapitalisme kon ontstaan: rijkdom was blijk van Gods zegen, maar o wee, als je ervan ging genieten. Daarom leefden ze voor zichzelf sober en investeerden ze het verdiende geld weer in hun bedrijf. Voorin het boek van Schama staat als motto een woord van Calvijn uit zijn commentaar op Genesis 3: ‘Laten zij die overvloed hebben eraan denken dat ze zijn omgeven met doornen, en laten ze goed oppassen dat ze er niet door geprikt worden.’ In welke context het bij Calvijn staat vermeldt Schama er niet bij, maar het stereotiepe beeld wordt er nog weer eens door bevestigd. Je kunt er in elk geval moeilijk aan ontlenen, dat Calvijn ons stimuleert nu eens uitbundig van het leven te genieten.
Tot op de dag van vandaag heeft men in brede kring Weber nagepraat, al valt er het nodige op af te dingen. De calvinist met zijn soberheid staat nog steeds model voor een vreugdeloos type mens. Romans van schrijvers met een gereformeerde achtergrond uit de tijd na de Tweede Wereldoorlog hebben dat beeld nog eens versterkt. De gereformeerde levensstijl is er één van weinig mogen, en van genieten is er dus niet of nauwelijks sprake. Integendeel, iedere vorm van genot is als zodanig bedenkelijk, en dat geldt niet alleen van seksualiteit.

Nu is het ontegenzeggelijk waar: er zijn in de gereformeerde traditie mensen, die zich altijd wat schuldig voelen, als ze vreugde scheppen in het goede van de aarde. Ze kunnen eigenlijk niet met een goed en vrij geweten genieten. Als je vandaag de luxe in de ‘refo-wereld’ bekijkt lijkt dat echter goeddeels verleden tijd. Of gaat er ook nu nog ‘onbehagen’ onder de ‘overvloed’ schuil? Maar wat is dan de aard van dat onbehagen? Wordt dat onbehagen gevoed door een besef van die andere bestemming van ons leven, die een gereformeerd mens met de paplepel naar binnen krijgt? Of is het een onbehagen dat samenhangt met het gevoel van onveiligheid, dat breed leeft?3
­

Belevingscultuur

We leven in een wereld, waarin alles gericht is op ervaring en beleving. We hebben nog altijd overvloed, maar het hart van veel mensen is leeg. Dan ga je die extra beleving zoeken. In die verre vacantie. Of in de alcohol, met alle agressie die er het gevolg van is. Vorige zomer was Terschelling in het nieuws vanwege het buitensporig en gevaarlijk alcoholgebruik van vacantie vierende jongeren. ‘Mijn lever kan ertegen’, zei een meisje stoer voor de camera’s. Is er in dat belevingsgeweld nog plaats voor subtiele ervaringen van transcendentie als in de Eiland-trilogie van Vonne van der Meer?
Eén ding is kenmerkend voor het huidige levensgevoel: je moet uit het leven halen wat erin zit. Sterven zonder dat je alles meegemaakt hebt, dát is pas echt sneu. Het christelijk geloof verliest meer en meer terrein, en daarmee valt het zicht op de toekomst van Christus en het leven na dit leven weg. Men moet en zal het daarom in dít leven allemaal gehad hebben, en zo maakt men van de buik zijn god. Anders gezegd: het hele bestaan is gericht op ervaring, van direct genieten of van een kick op het randje.
Intussen stuiten we wel op onze grenzen. De noodzaak van een zekere mate van soberheid is in onze cultuur vandaag aan de orde. De huidige regering stelt, dat we ondanks jaren van fraaie overschotten in Nederland toch nog op te grote voet geleefd hebben. Het zal soberder moeten. Maar of een regering dat tot stand kan brengen? Een paar jaar geleden was er het reclamespotje van de Postbank, waarin gezongen wordt: ‘Vijftien miljoen Nederlanders, op dat kleine stukje aarde, die schrijf je toch geen wetten voor, die laat je in hun waarde’. Iemand in zijn of haar waarde laten is dus: iemand geen strobreed in de weg leggen, als hij of zij het leven naar eigen inzichten vormgeeft. Dat is het precieze tegendeel van soberheid. Als je jarenlang hebt gepropageerd, dat mensen vooral zichzelf moeten zijn, dat het ‘goed moet voelen’, dat jouw vrijheid en zelfbeschikkingsrecht het hoogste goed is, dat helaas botst op de rechten en verlangens van anderen, verander je dat niet met een aantal regeringsmaatregelen.

Waarom sober leven?

Onder ‘sober’ leven verstaan we dus: je het genot van bepaalde dingen ontzeggen. Maar waarom zou je dat als christen doen? Wat is er eigenlijk mis met rijkdom? Abraham, Job en Salomo - om niet meer te noemen - worden ons in de Bijbel toch als uitzonderlijk rijke mensen getekend?! Inderdaad, en als God in Jesaja 25,6-12 zijn Rijk tekent, is het als een uitbundig feestmaal. En Jezus’ gelijkenissen - denk alleen aan die van ‘het koninklijke bruiloftsmaal’ in Matteüs 22,1-14 - gaan óók die kant uit! Maar - waarom zou je dan pleiten voor een ‘sober’ leven?
Om te beginnen: het gaat in Gods Koninkrijk om delen van vreugde met elkaar, voor Gods aangezicht, en niet om het bezitten van geld en goed! Verder: geld en goed vormen niet het probleem, al moeten we de zuigkracht ervan niet onderschatten. Geld is op zichzelf niets. Mensen kennen er waarde aan toe, en als die waarde voor jou alles beheersend wordt is je geld een god geworden. Daarom noemt de apostel ‘geldzucht de wortel van alle kwaad’ (1 Tim. 6,10).
Je kunt je geld voor een groot deel weer ‘in de zaak stoppen’, en betrekkelijk ‘sober’ leven, maar als het belangrijkste voor jou is dat men weet voor hoeveel je goed bent, is geld nog steeds je god. Je ontleent aan je inkomen je status. We moeten onszelf dus afvragen: Wat betekenen de dingen voor mij? Een mooi sieraad, dat je van je ouders of je man of vrouw gekregen hebt, draag je met vreugde, en er is niets mis mee. Dat sieraad ontleent zijn waarde niet aan wat het in de winkel heeft gekost, maar aan degene van wie je het gekregen hebt. Maar als je je met goud behangt om anderen te imponeren, doe je er goed aan 1 Petrus 3,1-4 eens goed te lezen.    
Als ons leven gericht is op het hebben van geld en goed, en niet op God, dan is er alles mis met rijkdom. Dat los je niet op met een scheut soberheid aan je leven toe te voegen. Hoe dan wél?

Zelfbeheersing in blijdschap

De Bijbel spreekt liever over blijdschap dan over geluk of genot. We komen het woord ‘soberheid’ niet tegen in de opsomming van de ‘vrucht van de Geest’ uit Galaten 5. Daar staat wel ‘blijd­schap’, tussen ‘liefde’ en ‘vrede’ in, en ook het woord ‘zelfbeheersing’. Maar eerst: ‘blijd­schap’. Dat­ is een nieuw-testamentisch kernwoord, en het hangt op het allernauwst samen dat in de kerstnacht de engel de herders ‘grote blijdschap’ mocht verkondigen. Het is blijdschap in Christus (Filp. 4,4), over Gods onverdiende genade, over de vrede met God die Christus tot stand heeft gebracht en waarin Hij ons doet delen. Blijdschap is het, als een leven van niet te verzadigen begeerte naar van alles en nog wat plaats maakt voor ‘tevredenheid’ (1 Tim. 6,6). ‘Weest tevreden met wat gij hebt.’ (Hebr. 13,5)
Dan dat andere woord: ‘zelfbeheersing’. Wat is het verschil met ‘soberheid’? Nu, ‘sober­heid’ heeft betrekking op hoe je met geld en goed omgaat. Het blijft aan de buitenkant. Je kunt ‘sober’ zijn uit gierigheid, en er schijnen mensen te zijn die niet van lekker eten houden en ook niet van vakantie, en die geen gevoel hebben voor een mooie auto. Ben je dan waar de Bijbel je wil hebben? Nee, de Bijbel betrekt altijd de binnenkant - ons hart - erbij. In de ­opsomming van wat alles ‘vrucht van de Geest’ mag heten staat, als laatste, ‘zelfbeheersing’. ­‘Zelfbeheersing’, dat is iets anders dan karaktersterkte. Het is vrucht van de Geest, die mensen vervult met liefde en vrede en daarmee de bron van het zoeken naar ongeremde bevrediging van eigen behoeften ­doet opdrogen. ‘Zelfbeheersing’ doet mensen vreugde scheppen in het leven naar Gods geboden. Hoe ziet zo’n leven eruit?

Ingetogenheid

In Handelingen 24,25 lezen we van Paulus, dat hij tegenover de stadhouder Felix spreekt over ‘gerechtigheid, ingetogenheid en toekomend oordeel’. Hij doet dat, als Felix hem heeft laten roepen om hem te ‘horen over Christus’. Als we de tekst onbevangen lezen, krijgen we de indruk dat Paulus begonnen is met Gods handelen in Jezus Christus te verkondigen, en dat heeft toegespitst op deze drie punten. Hoe hij dat gedaan heeft kunnen we uit het geheel van dit hoofdstuk opmaken. Bij ‘gerechtigheid’ kunnen we denken aan zijn opstelling tegenover de stadhouder. Die staat haaks op die van de advocaat van de hogepriester. In vers 3 lezen we hoe deze Tertullus Felix stroop om de mond smeert: ‘door uw toedoen genieten wij grote vrede en zijn grote verbeteringen voor het joodse volk tot stand gekomen, wat wij alleszins en overal met grote erkentelijkheid erkennen.’ De werkelijkheid was anders. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vermeldt over hem: ‘Antonius Felix, de vrijgelaten slaaf, had de mentaliteit van een slaaf, maar oefende het recht van een alleenheerser uit door ongeremd zijn wreedheid en lusten te bevredigen... Hij durfde alles wat schandelijk was te bedrijven.’ Hij wordt later ook door Nero om zijn wanbeheer en corruptie ter verantwoording geroepen, en gaat af door de achterdeur van de geschiedenis.
Paulus, de gevangene, die de verleiding om de stadhouder voor zich in te nemen nog op een heel andere manier gevoeld zal hebben, ziet af van enigerlei vorm van vleierij. Hij spreekt Felix niet op verheven toon aan, maar legt een claim op hem: het feit dat hij al vele jaren stadhouder is brengt met zich mee dat hij weet waarom het gaat en een rechtvaardig oordeel kan vellen. Paulus steekt Felix geen pluim op de hoed, maar herinnert hem aan de roeping van de overheid volgens Psalm 72: recht doen aan de arme, helpen wie geen helper heeft.
Vervolgens spreekt de apostel dan tot Felix over ‘ingetogenheid’. Dat is nog iets anders dan dat een mens zich wat inhoudt. Het gaat erom - zoals Paulus in vers 16 zegt - zich erop te richten ‘een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen’. Het is: beseffen dat doen wat rechtvaardig is onder de mensen de roeping en bestemming van een mens is, niet uit het leven te halen wat erin zit en je eigen plekje in te nemen. ‘Ingetogenheid’ is niet - ik denk aan Boutellier - uit welbegrepen eigenbelang enige vrijheden tijdelijk opschorten en inleveren omwille van een maximaal genieten, maar een heel ander leven.
Het punt is dat er een ‘opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen’ ophanden is, en dat houdt in: een ‘toekomstig oordeel’. Felix wordt bang - een vervelend gevoel, dat het genieten bedreigt. Hij wil dat niet, en stuurt Paulus weg. Als hij hem bij later gelegenheden nog eens laat komen, is het dan ook niet om weer met die onrust geconfronteerd te worden, maar alleen omdat deze gevangene misschien wel enige financiën zou kunnen organiseren. Had hij niet zelf gesproken over de inzameling die hij gehouden had in Klein-Azië en Griekenland voor de armen in Jeruzalem? Felix gaf niet vor niets opdracht geen van Paulus’ mensen te beletten hem van dienst te zijn (vs. 23). Misschien zouden ze op de idee komen dezelfde bronnen nóg eens aan te boren, maar nu voor de apostel zelf...
Felix - 'gelukkige' betekent zijn naam - verspeelt het echte leven, precies vanwege zijn niet te bedwingen begeerte uit het leven te halen wat er voor hem in zou kunnen zitten.

‘Niet ten einde toe gebruiken’

Als we ergens in een winkel deze uitdrukking tegen zouden komen zouden de gedachten van de meeste mensen gaan in de richting van iets als ‘uiterste houdbaarheidsdatum’. Of misschien maken ze er uit op, dat je deze fles niet tot op de bodem moet leegmaken. Dat het een zinsnede is uit 1 Korintiërs 7,31, waarin Paulus pleit voor een nuchter en ingetogen leven, zal slechts een enkeling meteen herkennen. Als je rijk bent in Christus, bedoelt Paulus ermee, is die diepste drift om voor jezelf uit het leven te halen wat erin zit niet meer allesbeheersend. Je hoeft hier op aarde niet alles te hebben, omdat je leeft van wat God je geeft, uit onverdiende goedheid. En je weet, dat je leven in Gods hand is, dat Hij voor je zorgt.
Dan hebben geld en goed jou niet meer, ze zijn je god niet, ze kunnen je het echte leven niet schenken. In 1 Timoteüs 6,6-7 lezen we: ‘We hebben immers niets op de wereld meegebracht, en we kunnen er ook niets uit meenemen!’ Die woorden kun je opvatten als algemene levenswijsheid, en er zou op zichzelf genomen al veel gewonnen zijn, als velen het zó ter harte zouden nemen. Maar het is evangelie, verkondiging van Gods genade in Christus. ‘We hebben niets in de wereld meegenomen’, dat is: we hebben het leven, onze aanleg, we hebben alles ontvangen, om Christus’ wil. ‘En we kunnen er ook niets uit meenemen.’ Dat is de nuchtere werkelijkheid, zoals ook Psalm 49 die - met een indringende waarschuwing! - tekent.

Dienen of roven

In 1 Timoteüs 6 wordt een andere wijze van leven aangeprezen. We lezen er: ‘wie rijk zijn in deze wereld doen er goed aan niet hooghartig te zijn en hun hoop niet gevestigd te houden op onzekere rijkdom, maar integendeel te hopen op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om goed te doen, om rijk te zijn in goede werken, dat wil zeggen vrijgevig en mededeelzaam’. Waar dit niet maar een houding is - denk aan Ananias en Saffira! -, maar vrucht van de Geest, ‘verzekeren we ons van een vaste grondslag voor de toekomst om het ware leven te grijpen’ (1 Tim. 6,17-19).
Dat is dus heel belangrijk: je ontvangt wat je van God krijgt om ermee te dienen. Wie God in Christus leert kennen gaat leven op een manier, die je zelf niet voor mogelijk had gehou­den. Je ontdekt: het is wáár, wat Jezus heeft gezegd, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen (Hand. 20,35). Luther zei het heel scherp: ‘Waar en wanneer je niet dient, róóf je!’. Dat staat werkelijk haaks op het huidige levensgevoel, dat cirkelt om de vraag of ik wel aan mijn trekken kom.

Geniet het leven!

Maar - is dat niet zó radicaal, dat we helemaal niet meer mogen genieten? Zo heeft Luther het in elk geval zelf niet opgevat; hij heeft er geen geheim van gemaakt, dat hij kon genieten van een biertje en een goede maaltijd, en niet in de laatste plaats ook van seksuele gemeenschap met zijn vrouw Käte.    
Nu, een benepen en vreugdeloos leven is stellig niet naar Gods bedoeling. Prediker, die toch de donkere kanten en de raadsels van het leven én de dwaasheid van mensen laat uitkomen, roept zijn lezers op hun brood met vreugde te eten en hun wijn met een vrolijk hart te drinken, want als zij dat doen, heeft God het reeds lang zo gewild. ‘Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen van het ijdele leven, dat hij u geeft onder de zon.’ (Pred. 9,7-9) Als een mens kan genieten van wat God hem of haar geeft, dan is dat Gods gave (Pred. 5,18).
Als je ‘rijk bent in God’ (Luc. 12,21) is de drang álles te willen hebben misschien niet weggenomen, maar toch een stuk minder. Nu kun je pas echt genieten. Ontspannen. Met oog voor mensen om je heen, die veel moeten missen. Soms kunnen die mensen jou trouwens veel leren. Er zijn ook vandaag mensen met geringe financiële armslag, voor wie een dure vakantie er niet in zit, maar die van een dagje uit een féést weten te maken, die echt kunnen genieten van de appeltaart op zondag, of van een eenvoudige maaltijd, die met zorg klaargemaakt is. De glans van Gods goedheid speelt er overheen. De zegen van de Here, die maakt rijk (Spr. 10,22). A.A. Spijkerboer heeft dat ‘het eenvoudige leven’ genoemd, en dat als volgt voor zichzelf ingevuld: ‘ik ben met een fietstocht met alleen een zakje boterhammen en zo nu en dan een kop koffie en een pijp tabak op een terras volmaakt gelukkig.’4 Het gaat niet om ‘soberheid’, maar om ‘zelfbeheersing’. In 1 Korintiërs 7 spreekt Paulus van daaruit. Alleen wie kan afzien van genot, niet om zichzelf en anderen het bewijs te leveren van eigen innerlijke kracht, maar om te dienen, om zich aan de Here te wijden, kan ook werkelijk genieten. Genieten vraagt dus om tucht. We moeten vandaag niet enkel pleiten voor ‘soberheid’, maar het gaat erom weer echt te leren genieten. Het zou goed zijn, als ons leven iets van dit geheim zou uitstralen...

Noten:

1. H. Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid. Een tegenspraak, z.p. 2000, 7.
2. S. Schama, Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw, Amsterdam 19983.
3. Denk alleen al aan titel en ondertitel van H. Boutellier, De veiligheidsutopie. Hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf, Den Haag 2002.
4. A.A. Spijkerboer, Een rondje om de kerk. Kroniek van een halve eeuw, Kampen 2001, 169.