Skip to main content

nr3 • 2005 • Het heil der hel

januari 2005 (19e jaargang nr. 3)

Het heil der hel
Dr. T. H. van der Hoeven
 

Religie staat weer hoog op de maatschappelijke agenda. Een intens debat over de identiteit van Nederland (Het Westen), waarin niet alleen woorden, maar af en toe zelfs doden vallen. Een discussie waarin de rationaliteit van de Verlichting zich opnieuw moet meten met een oude traditionele vorm van religie, de islam. Vanuit de dominante liberale cultuur gezien was het gesprek met het inheemse christendom redelijk succesvol afgesloten. Christenen waren gemarginaliseerd en geprivatiseerd, het met hart en ziel beleden moderne dogma van ‘scheiding van kerk en staat’ had een aangename en rustige modus vivendi opgeleverd, zelfs over ‘smalende godslastering’ werd lang niets vernomen. De godsvrede van een gedomesticeerd christendom.

De massale aanwezigheid van moslims in onze contreien heeft deze rust naar steeds duidelijker blijkt ingrijpend verstoord. Een soort rust die men nog slechts kan vinden in het land van Ooit. De Italiaanse schrijfster Oriana Fallacci meent in haar boek La rabbia e l’orgoglio dat wij in West-Europa eigenlijk in een nieuw land wonen: Eurabië.
In haar visie is dat bepaald geen gunstige ontwikkeling: vrijheid, emancipatie en democratie staan op het spel. Autoritaire, fundamentalistische religiositeit wint angstwekkend terrein. Hoe dan ook is er - mede voor christenen – een spannend bezinnings- en bewustwordingsproces over identiteit, normen en waarden en God gaande, waarin we worden uitgedaagd positie te kiezen met het oog op fundamenten en perspectieven van het land der toekomst. Niet lang geleden werd door de dominante cultuur ‘het einde der geschiedenis’ geproclameerd, de best mogelijke aller werelden was een feit, maar nu lijkt het er eerder op dat geschiedenis zich herhaalt. Bijvoorbeeld in zo’n discours tussen rationele moderniteit (Verlichting) en religie (islam). Zelfs vergeten en verdrongen theologische thema’s genieten nu belangstelling, staan in de krant, worden besproken in praatprogramma’s en van diverse zijden belicht op internetfora. Met dank aan de islam is zelfs het h-woord weer terug van weggeweest. De come-back van de hel. Een debat op het scherpst van de snede, Amsterdam tegenover Anatolië, ongelovigen versus gelovigen, theologiserende tijdgenoten, kruisvaarders en hellevaarten, het is weer even wennen.

De hel van de islam

Salman Rushdie, auteur van The Satanic Verses (1988, ‘De Duivelsverzen’), wordt weer geregeld genoemd, nu in dit land Ayaan Hirsi Ali voor haar leven moet vrezen. De affaire Rushdie was voor velen een eerste onaangename confrontatie met de macht en de middelen van een militante fanatieke vorm van islam. Wie herinnert zich niet geestelijk leider Khomeini met zijn fatwa? Een oproep tot moord, die in feite het verstrekken van een toegangskaart tot het eeuwige vuur behelsde. Zonder genade. ‘Zelfs als Salman Rushdie berouw krijgt en een toonbeeld van vroomheid zou worden, is het de plicht van iedere moslim om alles wat hij heeft, zijn rijkdom en zijn leven, op het spel te zetten om Rushdie naar de hel te sturen’ (Khomeini). Een bescheiden illustratie van het gegeven, dat de hel in deze jongste wereldreligie nog een vitaal geloofsartikel is en dat niet alleen bij extreme fanatici. Denken wij ook aan de onthoofdingspraktijken in Irak. Schokkend, maar daarachter zit de gedachte dat men onthoofd nu eenmaal beter geschikt is voor een verblijf in de hel. Geen heil zonder hel. Mede gebaseerd op de gedachten van joden en christenen, kent de islam een uitgewerkte visie op het hiernamaals, het eschaton, de laatste dingen. Hoe herkenbaar! Eigenlijk is dit leven alleen te waarderen in het licht van het eeuwige leven. De profeet Mohammed heeft in een belangrijke hadith gezegd: ‘Leef in deze wereld alsof je voor altijd zult leven, en leef voor de volgende wereld alsof je morgen gaat sterven.’
Het eschatologische schema lijkt verdacht veel op het christelijke model. Er komt een einde der tijden, zelfs de Messias zal komen, en dat is niemand minder dan Jezus. Uit de aard der zaak kent men uiteindelijk ook een ‘doppelter Ausgang’(Althaus): óf men gaat naar het paradijs óf naar de hel. Het voert te ver in dit bestek daar inhoudelijk veel over te zeggen, maar opvallend is dat in de koran zowel het paradijs als de hel uitvoeriger worden beschreven dan in de bijbel. Dante en Jeroen Bosch konden voor hun artistieke verbeelding van deze gruwelplaats hier waarschijnlijk beter terecht dan in de eigen bijbelse traditie. Mohammed en de zijnen kenden de hitte van de woestijn, deze hitte is in hun helbeeld tot de hoogste macht verheven. Het is er verschrikkelijk en uitzichtloos. Alleen daarom al zou men moslim moeten willen zijn, want zeker is dat dit de eindbestemming is voor de ongelovigen. Voor hen liggen de ketenen, boeien en haakstokken al klaar, en het vuur is al behoorlijk opgestookt. Eeuwige pijn zullen ze hebben, zelfs als hun huid is weggekookt geeft Allah hun een nieuwe huid, opdat er geen einde aan hun pijn en lijden zal komen. Met zwaardsteken zullen ze worden doorboord, hun schedels keer op keer gekliefd en hun levers vernield.
In de christelijke verbeelding van de hel ging het er vroeger niet minder wreed aan toe, in de Middeleeuwen, maar ook nog lang daarna. Zelfs de Reformatie weet van het dreigen met hel en verdoemenis, en christenen wisten zo eveneens raad met de goddelozen en de muzelmannen. In beide religies is de hel de ultieme straf en verschrikking, tomeloze tijdloze tortuur. Qua inhoud een tamelijk homogene blik tot in de diepste duisternis, maar toch is er een cultureel-hermeneutisch verschil. Waar voor moslims het geloof in de hel als vorm van laatste straffende gerechtigheid vitaal en essentieel is, is de hel voor veel christenen in werkelijkheid een gepasseerd station, een boze, oude droom uit het land van Ooit. Weliswaar worden christenen nog steeds geacht van harte in te stemmen met wat hierover staat in de Geloofsbelijdenis van Athanasius: ‘En die het goede gedaan hebben, zullen in het eeuwige leven ingaan, maar die het kwade gedaan hebben in het eeuwige vuur. Dit is het katholieke geloof. Wie dit niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden.’, maar wie redt dat nog? In brede christelijke kring heeft men allang afscheid genomen van de klassiek-orthodoxe voorstelling van de hel. Zoals men ook afscheid heeft genomen van bijvoorbeeld wonderen, de engelen en de (heer der hel) de duivel. Maar zelfs voor de christelijke orthodoxie bestaat er in toenemende mate een kloof tussen leer en leven, prediking en praktijk, dogma en dagelijks leven.

Het laatste taboe

In het novembernummer van CV.Koers komt de hel thematisch aan de orde. Niet toevallig op dit moment. Hier ziet men inderdaad hoe groot de verlegenheid op dit punt ook onder orthodoxe christenen is. Pijnpunt van hun geloof. Zelfs Andries Knevel heeft zijn twijfels. Hij kan niet veel meer met de hel. ‘Kan ik dus leven met de afschuwelijke werkelijkheid van de permanente marteling van vrienden, bekenden en familieleden en dat ook nog eeuwig? Nee, dat kan ik niet meer, en ik vraag me af hoe ik dat ooit gekund heb. Schaf ik hiermee de hel af? Nee, hoe graag ik dat ook zou willen, maar voorlopig reikt de Schrift me die mogelijkheid niet aan …’ We zien hoe Knevel solidariteit en liefde voor mensen laat prevaleren boven abstracte geloofsleer. Een sympathieke positie. Moeite die meer psychologisch-existentieel is dan theologisch. Wonderlijk eigenlijk dat eeuwenlang je deze spanning niet of nauwelijks ontmoet bij theologen en gelovigen. Men accepteerde gewoonweg de hel als mogelijkheid en werkelijkheid. In onze tijd heeft J.P. Sartre gezegd (overigens, een modern seculier spreken over de hel): ‘L’enfer, c’est les autres.’ De hel, dat zijn de anderen. Menselijk samenleven is soms de hel op aarde. Ik vermoed dat het in de christelijke geloofsgeschiedenis net even anders was, de hel was vooral voor de anderen. De moslims, de goddelozen, de vrijgeesten, niet wij, maar zij waren het uitverkoren brandhout. Het antithetisch denken had ooit in onze cultuur sterke kosmische dimensies. Zij waren ver weg, lastig, slecht, maar zij zijn nu gewoon wij. Zeker waar de hel vooral wordt gezien als eeuwige straf voor de ongelovigen gaat daar in zwaar geseculariseerde tijden een onheilspellende dreiging vanuit. ‘Zij’ zijn niet meer primair de anderen, maar misschien wel onze eigen kinderen of vrienden.
De hel is somtijds – voor ons gevoelen – niet alleen strijdig met Gods liefde, doch eveneens strijdig met onze liefde voor mensen. Het is dus niet zo verwonderlijk dat uit het onderzoek van CV.Koers naar voren komt dat zelfs onder orthodoxe voorgangers de traditionele gedachten over de hel steeds meer op de helling gaan. Er wordt minder over gepreekt en gesproken. Inhoudelijk kunnen steeds meer voorgangers niet meer uit de voeten met de idee van een eeuwigdurende kwelling, liever gelooft men dan in een eeuwige scheiding van God. Ook afschuwelijk, maar minder gruwelijk. Saillant is dat gemeenteleden aanzienlijk traditioneler denken. Tweederde meent nog immer dat de hel een plaats is van eeuwige kwelling. Conclusie: orthodoxie ontwikkelt zich in moderne richting, de tijdgeest werkt door, zelfs hier ligt het geloof in de hel onder vuur.

Hels leerstuk

In februari 1705 ontstond er grote beroering in de Gereformeerde kerk van Moerkapelle. De classis Schieland had er onder een deel van de gemeente een ernstig geval van ‘Bekkerianerij’ vastgesteld. De Amsterdamse predikant Balthassar Bekker (1634-1696) begon met zijn vierdelig boekwerk De betoverde weereld steeds meer zielen te winnen, zelfs op het platteland. Grote beroering en brede discussie in den lande, kennelijk was de tijd rijp voor voortgaande reformatie. Hij had de aanval geopend op het ‘heidens’ bijgeloof in duivels, demonen, magie, en ander kwaad. De hel was eerst en vooral de plaats waar de Here God de duivel voorgoed had opgesloten. Een missie om mensen te bevrijden van angsten en wanen. Een dissident geluid in calvinistisch Nederland, een eruptie van bevrijdende meningsuiting. Velen waren tot in het diepst van hun geloof gekwetst. Voetius bijvoorbeeld verdedigde dit soort ‘bijgeloof’ nog in zijn Disputationes. Bekker ondernam zo een vroege poging tot ontmythologisering van het bijbelse wereldbeeld en rationalisering en humanisering van het geloof. Daarmee toont hij zich een voorloper van de Verlichting, die later met alle kracht van redelijkheid en zedelijkheid de strijd aanging met deze ‘achterlijke’(middeleeuwse) geloofsvoorstellingen.
Wie hier nu naar kijkt, valt het op dat in de theologie van de Verlichting het eerst de degens werden gekruist met het Bilderbuch der Bösen. Satan, duivels, de hel, ze werden als bizar en nutteloos ervaren en derhalve vrolijk buiten de (gods)dienst gesteld. Rationaliteit, optimisme, de nog levende herinnering aan heksenjachten en brandstapels, ze betekenden het einde van deze traditionele theologische negatieven. Men kon niets meer met deze theologoumena der duisternis. De werkelijkheid die resteerde voor duivel & hel was die van de symboliek of de poëzie (Schleiermacher). De duivel, de hel, het worden menselijke, binnenwereldlijke artistieke, literaire of ludieke creaties (Goethes Faust). Ooit vreesden wij, nu spelen wij. De hel leed van lieverlede ook aan functieverlies door de teloorgang van het hiernamaalsgeloof. In reactie en correctie op een eeuwenlage eenzijdige fixatie van kerk en geloof op het hiernamaals, werd zelfs de hemel gesloopt en gesloten. En als er nog een hel bestond, dan was dat in onze eigen werkelijkheid (Auschwitz). Het leven zelf als pijniging en kwelling, en misschien alleen de dood of humaniteit als verlossing. De Verlichting heeft binnen het geloof een grote scheiding veroorzaakt en het hellevuur gedoofd. Dat was toen heilzaam, een vorm van (ratio)exorcisme.
Met behulp van concepten als hel en duivel is er in de naam van het geloof absoluut veel leed, angst en pijn teweeggebracht. Dit is bij mijn weten nog niet voldoende geweten. Een ongeschreven geschiedenis met vele zwarte bladzijden. Waar het evangelie verlossend is bedoeld, werd het geloof te vaak een kwelling. N.A. Berdjajew heeft terecht geconstateerd dat hel- en verdoemenisgeloof een vorm van geestelijke terreur kan zijn. Juist deze praktijk heeft velen voorgoed van geloof en kerk vervreemd. Pijnlijk, maar waar: soms beleeft men juist in de kerk en onder gelovigen de hel op aarde.

Het heil en de hel

Onze hedendaagse problemen met de hel hebben een nog diepere oorzaak: de interne rationaliteit van het bijbels geloofsgetuigenis. Er is een spanningsveld tussen de universaliteit van Gods genade en barmhartigheid (God is liefde) en de mogelijkheid dat mensen voor eeuwig verloren zouden gaan. Origenes nam het destijds al op voor de triomf der genade en universaliteit van het heil (apokakatastasis). De kerk kon dat niet accepteren en Origenes werd veroordeeld, maar Origenes is nooit verdwenen en heeft in de loop der eeuwen zijn duizenden verslagen. Juist vandaag zijn ook onder christenen heilsoptimisme en universalisme populair. De mens is goed, het wordt wel beter, het komt uiteindelijk voor allen goed. Zelfs Hitler wordt de laatste tijd in de hemel gezien. ‘Als je de hemel binnenkomt, staan Saddam Hoessein, Hitler, Stalin en Milosevic klaar om je voeten te wassen, omdat ze dat op aarde hebben nagelaten. Binnen is iedereen echt gelijk en zichzelf. Daar zullen we God ook ten volle kennen’ (Kees Klop, NCRV-voorzitter). Een invloedrijk theoloog als Karl Barth is er meer dan eens van beschuldigd dat hij uiteindelijk de alverzoening leerde. Hij ontkende dat, maar kwam er door het fervent centraal stellen van de triomf der genade in Christus wel heel dicht in de buurt. Barth laat de vrijheid van Gods genade onverlet, men mag er niet op rekenen, maar wel op hopen en erom bidden dat er geen eeuwige verdoemenis zal bestaan. Bekend werd ook de hoopvolle gedachte van H. Berkhof dat de hel een vorm van loutering zal zijn. ‘De duisternis van verwerping en godverlatenheid kan en mag niet weggeredeneerd worden, maar kan en mag evenmin vereeuwigd worden. In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn.’ (Christelijk Geloof, p. 519). In het brede midden der (Hervormde) kerk heeft dit apaiserend theologisch denken veel invloed uitgeoefend. Zoals Barth toch nooit helemaal Origenes kon worden , was dat voor de kerk ook onmogelijk. Toch was het resultaat een feitelijke sfeer van alverzoening. Misschien gaat alleen Hitler nog naar de hel, maar wij mogen allemaal hemelen.

Het heil van de hel

De Schriften zijn bewust spanningsvoller. De reformatorische traditie ook. Er blijft ook een laatste ernst. Juist de Here Jezus hield als geen ander ons de ‘onmogelijke mogelijkheid’ van hel en verdoemenis voor. Niet om mensen de stuipen op het lijf te jagen, maar om ze te verlossen van vrijblijvendheid en onverschilligheid. Het Koninkrijk is vrede en vreugde, maar ook kiezen en vechten. Bij Hem is er geen ‘goedkope genade’ (Bonhoeffer), maar strijd om laatste gerechtigheid en ware vrijheid. Alverzoening is dan te voorbarige verzoening, mooi verpakt in de mantel der liefde, waar het vooralsnog om het dragen van een geestelijke wapenrusting, ja zelfs een kruis gaat. Alles draait om de liefde, maar zelfs christenen moeten in deze wereld niet te snel te lief en te aardig willen zijn. De Verlichting heeft, naast veel goddelozen en agnosten, vooral ook brave burgerlijke christenen voortgebracht, die te weinig meer de macht van het kwaad in deze wereld peilen. Heel onze westerse cultuur lijdt aan dit onvermogen. Te naïef, te vriendelijk, te optimistisch. De Joods-Amerikaanse filosofe Susan Neiman waarschuwt hier recent in Evil in Modern Thought voor.
Is de verlichte cultuur ook niet een verweekte en verslapte cultuur? Hebben we uiteindelijk nog wel een antwoord op Bin Laden c.s.? Mutatis mutandis geldt dat ook voor kerk en geloof. Zachtaardig christendom in plaats van een strijdvaardig en weerbaar geloof, heeft dat wel toekomst? Wij hoeven geen hel en verdoemenis te preken, angst is een beroerde evangelist, maar we moeten de boze realiteit wel onder ogen zien en bestrijden. In hoop, desnoods met vrolijke wanhoop, maar voortdurend in laatste ernst. Veel meer dan wij nog durven zijn was Jezus een apokalypticus. Het komt aan op de goede strijd, de gemeente is geen theekransje, maar een beweging van het kruis. Militia Christi. Zelfs in de hemel roepen de geslachte zielen nog om gerechtigheid (Op. 6). De mantel der liefde zal niet alle onrecht en wreedheid bedekken. Het gaat om laatste gerechtigheid, en zelfs om vergelding, en daar zijn we niet te christelijk voor. Wie de hel als uiterste werkelijkheid verdoemt, doet daaraan tekort. Wat de hel precies is, is niet het belangrijkste. Stel je er niet te veel van voor, het zal nog helser zijn. Wat telt is dat het een blijvende realiteit is, zelfs als wij daar te lief en fatsoenlijk voor zijn. Zolang de hemel over de hel regeert, is zelfs de hel heilzaam. Een onmogelijke mogelijkheid die uiteindelijk slechts de Eeuwige toekomt. Geen mens komt het oordeel toe, wel valt ons eigen verantwoordelijkheid en weerbaarheid toe. Christen-zijn is niet voor bange mensen.

Dr. T.H. van der Hoeven is predikant van de Protestantse Kerk in Voorburg