nr5 • 2010 • Trouwborst - Dekker (slot)

Gedachtewisseling Trouwborst - Dekker

Hierbij mijn afsluitende reaktie op die van dr. Willem Maarten Dekker.
Ad.1. Dekker concludeert o.a.: ‘’Buiten Golgotha om kun je niet zeggen dat God aan zijn eed van trouw gebonden is. ‘’, en: ‘’In je spreken over Israël het uitgangspunt nemen in Gods trouw aan zijn verbond, kan dus niet.’’ Dit waren zinnen die ik moest lezen en herlezen (ook in hun verband) om helaas toch te concluderen dat er staat wat er staat. Hier worden in mijn ogen dingen radicaal en ten onrechte omgedraaid (zoals helaas in de kerkgeschiedenis al zo vaak gebeurd is, waarbij Golgotha zelfs losgekoppeld is van Israel). Echter, om het helder te stellen: Gods liefde voor Israel is niet afhankelijk van Golgotha, maar Golgotha is veeleer afhankelijk van Gods liefde voor Israel, van zijn verbondseed van trouw, eens gezworen aan dit volk.
Dat er momenten waren dat het er om spande (Exodus 32), inderdaad. Maar dan was er juist de middelaar (Mozes), die God herinnerde aan zijn verbond/belofte: ‘’Denk aan Abraham, Isaäk en Israël, uw dienaren, aan wie Gij gezworen hebt bij Uzelf en tot wie Gij gesproken hebt, etc.’’ (Ex.32: 13). Kortom, Mozes neemt in zijn pleidooi wél het uitgangspunt in Gods verbond: God herinneren dat Hij een belofte open heeft staan bij de aartsvaders van Israel.  Let ook op Mozes’ woordkeus: hij noemt de vaderen van het volk dat het momenteel verdorven had (gouden kalf): ‘’uw dienaren.’’ Abraham, Isaäk en Israel zijn toch uw trouwe dienaren? Dan mag u daar toch rekening mee houden bij de behandeling van hun kinderen? Dit vormt dus mede Mozes’ middelaarschap: het God herinneren aan zijn beloften aan zijn goede dienaren. En God blijkt hier gevoelig voor! En Middelaar Jezus, als dé Dienaar van God, spreekt bij de viering van het Pascha met zijn leerlingen over het ‘’nieuwe/vernieuwde verbond in mijn bloed’’, daarbij overduidelijk verwijzend naar de verbondssluiting uit Ex.24, en Golgotha (waar God vanuit zijn aan Israel gedane verbondsbelofte niets anders kan en wil dan het oordeel aan Jezus, en daarmee aan Zichzelf, te voltrekken) hier dus aan koppelend.
Waarom, is dan mijn zeer indringende vraag aan Dekker, dient de kerk dit denken vanuit het verbond dan los te laten, en naar Israel toe de rol van criticaster/openbaar aanklager zo nadrukkelijk open te houden? Welke motivatie, welke ingeving, zit daar achter?

Ad 2. Dekker concludeert: ‘’Belangrijker is echter dat de kerk op een andere manier dan het jodendom denkt over het aardse en materiële. Zij ziet alles in eschatologisch perspectief en niet in scheppingsperspectief. Daarom kan het geen taak van de kerk zijn om koste wat kost het land Israël te verdedigen.’’
Een voor mij onbegrijpelijke redenering. In de Bijbel kán en mág de eschatologie toch niet losgemaakt worden van Gods (concrete land)beloften aan Israel? Dit is de klassieke fout van de kerk geweest, waarvan we hopelijk nu toch eens eindelijk geleerd hebben? Om het nog eens in mijn visie samen te vatten: Israel is bedoeld als de concrete landingsplaats van Gods Koninkrijk op déze aarde. God is nl. geen zweverige God. Zijn Schepping is concreet: de aarde, waarop wij met onze voeten in de klei staan. Zijn Koninkrijk heeft een concreet aards adres: in Jeruzalem, waar God zijn Naam laat wonen. Daarheen zullen de volkeren optrekken om Gods wegen te leren. De laatste bladzijde van de Bijbel spreekt zelfs nog over deze conrete plaats, als het nieuw Jeruzalem voorgoed ‘’landt’’ in Israel. Dat er duistere krachten in de lucht werkzaam zijn (Ef.) die dit haarfijn aanvoelen en vanuit een, na verschillende mislukte pogingen om Israel uit te roeien, gevoel van zich door de komende God bedreigd weten, dit koste wat kost willen verhinderen (en –klein voorbeeld- de Olijfberg, waar de Messias eens terug zal komen, en de heilige stad Jeruzalem binnen de volgens sommigen zogenaamd niet tot Israel behorende ‘’Westbank’’ willen trekken), laat zien dat deze krachten zich maar al te goed bewust zijn dat Israel en eschatologie alles met elkaar te maken hebben. Mede daarom hoort in het kerkelijk denken de huidige schepping (mét Israel, God zij dank!) juist een centrale rol te hebben. Déze - weliswaar aangevochten - schepping wordt gered/vernieuwd. We leven niet op een soort minderwaardige wereld waarvan we hopen dat die eens totaal verdwijnt (met Israel daarbij voorop), met een of andere nieuwe ‘’planeet Q-13’’ ervoor in de plaats. Toegegeven, wij verwachten ‘’een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’’, maar we moeten daarbij altijd in gedachten houden dat in de Bijbel het woordje ‘’nieuw’’ nooit een afschaffing, maar veeleer verdieping/verbreding/vervolmaking van het ‘’oude’’ is, dat daarmee dus niet verdwijnt maar onderstreept en voltooid wordt. Daarbij: déze schepping is door God ‘’goed’’ genoemd, en daarom waard herschapen te worden. En Israel heeft daar de centrale (en niet de meest gemakkelijke) rol in gekregen. Laat ik het zo stellen: juist omdát ik eschatologisch denk met het oog op déze schepping, geef ik Israel (land, staat en volk), bijbels gezien noodzakelijkerwijs, de centrale plek in mijn denken. Zonder Israel geen vernieuwde schepping. Zonder Israel zelfs geen kennis van de God die dit alles beoogt. Zonder Israel geen Bijbel. Zonder Israel geen zegen voor de volkeren. Zonder Israel geen Messias. Dan houdt alles op.

Ad 3. Tot slot nog mijn reaktie op deze zinnen: ‘’Trouwborst denkt niet vanuit Golgotha, maar vanuit de landbelofte in het Oude Testament, en vanuit de interpretatie die joden daar zelf aan geven (“Israëls zelfbewustzijn”). De kerk hoeft echter geen boodschap te hebben aan Israëls zelfbewustzijn.’’
De eerste zinnen zijn hierboven behandeld. Maar met name het laatste zinnetje (‘de kerk hoeft echter geen boodschap te hebben aan Israels zelfbewustzijn’) riep bij mij enorme vraagtekens op. Alleen al in een intermenselijke relatie is het ondenkbaar dat de een ‘’geen boodschap heeft  aan het zelfbewustzijn’’ van de ander. Dat zou betekenen dat je de ander bij voorbaat niet serieus neemt. Iets dergelijks lijkt hier wel aan de hand te zijn: de kerk hoeft volgens Dekker immers geen boodschap te hebben aan Israels zelfbewustzijn. Het gemak weermee dit gesteld wordt raakt mij enorm. Als dit waar zou zijn, dat de kerk geen boodschap hoeft te hebben aan het zelfbewustzijn van Israel, is zij de naam kerk in mijn ogen niet waard. Immers, basis van ieder geloofwaardig contact is toch het de ander serieus nemen in de wijze waarop hij/zij zichzelf verstaat? Dat pretendeert de kerk toch hopelijk? En waarom dan niet nota bene bij Israel, het volk waaraan wij volgens Paulus zo’n beetje alles te danken hebben, op wie ook wij geënt zijn? Is er dan na 20 eeuwen kerkgeschiedenis, en vooral na die voor Israel enerzijds verschrikkelijke, maar tegelijk ook zo hoopvolle 20e eeuw nóg geen interesse gewekt? Dan is er nog steeds iets grondig mis. Misschien zou het dan toch eens boeiend kunnen zijn voor de kerk, om écht te luisteren, en om daarbij bijv. ook eens te horen hoe het was/is voor het Joodse volk om over dit stukje land te mogen beschikken. Voor de een vooral eindelijk een thuis waar je onafhankelijk en veilig mag zijn (helaas nog steeds tot op zekere hoogte) en niet ‘’aan de heidenen overgeleverd’’ bent; voor de ander ook een heilige plaats, waar een begin is gemaakt met het ontspruiten van het koninkrijk Gods, voor weer een derde de plaats waar Tora gestudeerd, gedaan en verbreid kan worden. En zo is er nog een waaier aan gedachten vanuit de vele Joodse groeperingen m.b.t. het door God aan hen beloofde Land, maar ook m.b.t. de Bijbel(uitleg), en de verhouding tot de Here God zelf, wat voor de kerk zeer leerzaam kan zijn. Maar mocht de kerk eigengereid denken dit alles niet nodig te hebben, dan nóg is het toch op zijn minst wellevend, en vanuit het oogpunt van ‘’familiaire betrokkenheid’’ tussen Israel en de kerk binnen Gods huisgezin (Israel als degene met het eerstgeboorterecht en de kerk als de adoptief-broer/zus) het minste dat je mag verwachten, om met tenminste enig betoon van respect voor onze oudste broeder, die de Vader als geen ander kent, deze te benaderen, in plaats van ‘’geen boodschap aan zijn zelf zelfverstaan’’ te hebben.  Ik vrees dat de kerk, terwille van haar plaats en toekomst in Gods huisgezin, zich hoognodig anders dient op te (gaan) stellen. Misschien hoog tijd dat zij zich eerst eens gaat afvragen of ze wel echt een eígen ‘’zelfbewustzijn’’ heeft, wanneer ze niet doorheeft dat ze er slechts is bij de gratie van Israel (‘’van wie de aanneming tot zonen, de heerlijkheid, de verbonden  en de wetgeving en de eredienst en de beloften zijn (tegenwoordige tijd, red.), van hen zijn de vaderen en, wat het vlees betreft, de Gezalfde’’ (Rom.9:5)), wanneer zij niet in staat is dit Israel vanuit een open, respectvolle en dankbare houding, voortkomend uit de onopgeefbare verbondenheid, te benaderen?
Kortom, mijn oproep is: ‘’Kerk, gun aan Israel trede 1 op Gods erepodium, en kijk zelf, ‘’u die eertijds heidenen waart, maar nu ook nota bene op (plaats 2 van )dat hoge podium mag staan’’, niet negerend of misgunnend, maar dankbaar en  bewonderend en vanuit de verbondenheid (we horen uiteindelijk bij dezelfde ploeg) omhoog naar je oudste broeder die daar van Godswege mág staan, wees blij met hem, en durf nu eindelijk zijn gouden medaille ook eens te kussen; het eigen zilver is toch ook al mooi genoeg?

Ds. Bart Trouwborst is predikant van de Hervormde gemeente Nieuwleusen, wijk Zuid

Voor een los nummer of abonnement, klik hier.

Afdrukken