nr3 • 2008 • Te nieuw om helemaal eigen te maken

februari 2008 (22e jaargang nr.3)

Te nieuw om helemaal eigen te maken
Enkele evaluerende opmerkingen
dr. G.C. den Hertog

Er beweegt van alles

Na lezing van de copy van dit nummer is de overheersende indruk: er is op verschillende fronten beweging. Ds J.J. van Eenennaam schrijft -het was nieuw voor mij -dat een bepaalde 'evangeliegemeente zelfs een statutenwijziging bleek te hebben doorgevoerd om een gelovige die de eenmaligheid van haar (kinder)doop onderstreepte, als lid te kunnen aanvaarden.' Dat is hoe dan ook een stap - 'n een opmerkelijke! - in de richting van erkenning van de mogelijkheid van de kinderdoop. Er is daarnaast ook de nodige beweging in de kerken, die opteren voor de kinderdoop. Zo loopt het artikel van ds G.H. Abma uit op de aanbeveling: 'Geef de mogelijkheid aan iemand die als kind reeds gedoopt is door onderdompeling het sterven met Christus en met Hem opstaan te beleven, zou ik zeggen.'
Tekenen zich daar openingen af, wolkjes als eens mans hand? Is er een mooie en leefbare consensus denkbaar? Niet alle scribenten in dit nummer zullen die conclusie voetstoots voor hun rekening nemen. Smelt is er al wel voor gewonnen, maar Verboom zou de notie van het verbond toch teveel missen. Het is inderdaad op zijn minst opmerkelijk, dat de oer-gereformeerde nadruk op het verbond, in de theologie geslachten lang een dragende steunbeer voor de leer van de doop, niet of nauwelijks meer mee blijkt te doen. Van den Heuvel verbaast zich onder andere daar over, maar hij heeft er ook een verklaring voor: niet Kuyper of Barth hebben voor de verschuivingen in gedachten over de doop gezorgd, maar de stille revolutie van de belevingscultuur. Ds L.W. Smelt schrijft dat jongeren zich opnieuw hebben laten dopen in de Gouwe, en de foto van dat gebeuren als een kostbare herinnering koesteren. Mensen zijn over de hele linie op zoek naar wat authentiek is, ware beleving, onvervreemdbaar van mij'.

Downloaden lukt altijd maar een beetje

Je kunt er natuurlijk een stevige dogmatische riedel naast zetten. Je weet van tevoren, dat het niet overkomt. Op dat niveau vallen de beslissingen niet meer. Het voelt goed, of niet -en dan kun je verder wel inpakken. Vandaar ook de aanbeveling van ds Abma om het over een andere boeg te gooien: geef iemand de mogelijkheid het sterven en opstaan met Christus te beleven.
Zonder hem op dat zinnetje vast te pinnen denk ik, dat we daar eens over door zouden moeten praten. Noordegraaf betoogt in zijn bijbelstudie over Romeinen 6 dat in de doop het heilsgebeuren van sterven en opstaan met Christus zichtbaar wordt gemaakt en verzegeld en betuigd. Hij grenst dat af tegen wat in de tijd van het Nieuwe Testament in zwang was: de mysteriegodsdiensten met hun inwijdingsriten. Je trad door die inwijdingsrite binnen in een nieuwe werkelijkheid, die vanaf nu helemaal de jouwe was. De beleving en de werkelijkheid vielen vrijwel compleet samen.
Daar ligt precies het meest wezenlijke verschil met de doop. De doop vertelt ons van sterven en opstaan en zo deel hebben aan het nieuwe leven van Gods rijk, dat niet 'compatible' is met ons zondige bestaan en dat we ons altijd maar zeer ten dele kunnen toeëigenen. Sterker nog: van dat eigen maken zou helemaal niets terecht kúnnen komen, als niet de Heilige Geest als eerste gave van de grote toekomst ons dat nieuwe bestaan zelf zou brengen. We dopen onszelf niet, en wie over de keuze je te laten dopen spreekt loopt groot gevaar te vergeten dat Gods heil ons overkomen is en overkomt. Van O. Hofius heb ik begrepen, dat - waar het Nieuwe Testament theologisch spreekt -er altijd sprake is van een gedoopt worden. In de doop ben ik niet degene van wie het allemaal uit gaat, het overkomt me eerder, er gebeurt iets aan en in mij. Het geheim daarvan is dat de doop krachtens de tegenwoordigheid van Jezus Christus in de doop de kracht om doden levend te maken in zich bergt.1 De doop is - deftig gezegd - een eschatologisch gebeuren.
Als kopje heb ik daarom boven deze paragraaf gezet: 'Downloaden lukt altijd maar een beetje'. Daarmee bedoel ik: De doop is en blijft te nieuw om ons helemaal eigen te maken. Ik begrijp heel goed, dat mensen vandaag méér willen. Méér van de Geest, méér van zijn gaven. Wie een blik durft te slaan op zijn eigen innerlijk, bespeurt al gauw dat de ziel gebrek lijdt en dreigt te verkommeren. De roep om beleving in onze cultuur komt voorwaar niet uit de lucht vallen. De doop zegt: de kloof tussen jouw verkocht zijn onder de zonde en het nieuwe leven in Christus zul je altijd blijven voelen. De doop zegt je, dat je daardoor niet ontmoedigd hoeft te raken, maar mag roepen: Gode zij dank - die in Christus mij verlost uit een bestaan dat beheerst wordt door zonde en dood!

Belofte

We zijn gewend het belofte-karakter van de doop te onderstrepen. Maar misschien hebben we dat beloftekarakter te dogmatisch of ook verkort verstaan. Dogmatisch: opgeborgen in het hoofdstuk over de toeëigening van het heil. Verkort: alsof het alleen gaat om de vraag of ik mag delen in het heil - en de aard van het heil en het heil zelf erbuiten gelaten kan worden.
Dat de doop belofte is, dienen we vanuit wat de doop uitbeeldt - inlijving in kruis en opstanding van Jezus Christus als eerste doorbraak van Gods nieuwe wereld -te verstaan. De doop is belofte in die zin, dat de Here ons de betrouwbare beloften van het genadeverbond geeft, maar beseffen we ook dat Hij ons die beloften geeft op de wijze van Hebreeën 11: we hebben het niet verkregen. Of denk aan wat Paulus in 2 Korintiërs 4 schrijft: we zijn ver van de Heer, in den vreemde. We wandelen in geloof, niet in aanschouwen - en ook niet in beleven.
Noordegraaf heeft gelijk, denk ik: We zijn helaas ook in de gereformeerde traditie ver van deze paulinische radicaliteit afgeraakt. Hetzij dat de doop is omgeven door een korst van onzekerheid, twijfel of anderzijds verworden is tot een vrijblijvend gebeuren. Hij citeert Van de Beek, die de vloer aanveegt met de doop als onschuldig familiegebeuren of kerkelijk inwijdingsritueel. De doop is een ontzagwekkend gebeuren, dat onze toeëigening verre te boven gaat. De kern is: we geven niet een aansprekende invulling aan een rite de passage, maar we worden ondergedompeld in een vernieuwing die ongekend is en al voor ons klaar ligt. Een overgang van dood naar leven.
Het helpt ons voor mijn besef echt verder, als we dit op ons in laten werken. Jongeren die zich in de Gouwe laten dopen vragen inderdaad om méér dan een onschuldige paar druppels op het voorhoofd van een baby. Maar vertelt iemand hen ook dat de beleving van de doop per definitie achterblijft bij de werkelijkheid? En legt iemand hen uit, dat de beleving niet eens het eigenlijke is, maar alleen dan echt is, als de vreugde over het heil samengaat met het smartelijk besef van het 'nog niet'.

Onherhaalbaar

Als we in de doop het sterven en opstaan met Christus zouden kunnen beleven, zoals ds Abma schrijft, is de doop ook voor herhaling vatbaar. Als het echter zo is, dat de beleving van de doop principieel in het teken staat van het onmogelijke, dat nochtans in Christus werkelijkheid is: dat er leven gelegd wordt in een hart waarin de dood heerst en geen plek is voor leven als gemeenschap met God, dan is de doop eenmalig.
Een mens wordt immers ook maar één keer van dood levend. Wie hier gaat sjoemelen of op gevoelens drijven bewijst niemand een dienst. Degene die nu graag een keer de doop wil beleven als uiting van geloof niet, de gemeente niet die het spoor alleen maar bijster kan raken en zichzelf al evenmin.
Een doopherinnering is iets anders. Herinneren is juist niet herhalen. Het lijkt me altijd, maar zeker ook vandaag buitengewoon belangrijk ons de daden van de Here te binnen te brengen. De Heilige Geest doet niet anders, heb ik uit Johannes 14 tot 16 begrepen.
En beloften herhalen? Het herinnert me aan mijn jonge jaren, toen ik nogal eens beloften aan God gedaan heb om dit of dat niet meer te doen. Meestal lukte het niet, en het had de nodige mismoedigheid tot gevolg. Het was echt een bevrijding voor me te horen en te verstaan, dat het verbond niet een afspraak is, die vervalt als één van beide partijen het laat afweten. Wie wil weten wat het is, leze en spelle Genesis 15, waar we een Abram tegenkomen, die er niet over peinst op basis van wederkerigheid een verbond te sluiten. Daar is ook de Here, die in de angst en de gevaren van de nacht alléén tussen de stukken doorgaat en zijn hele God-zijn inzet
in het verbond. Hij zal het oordeel en de dood in Zichzelf moeten dragen, als dit verbond een mislukking zou worden. En Hij legt het oordeel en de dood op zijn eigen Zoon, opdat het verbond echt helemaal genadeverbond zou zijn. Het zit 'm dus niet in mijn houden van mijn beloften, maar in het God door zijn Geest in mij láten werken. Het zit 'm daarom ook niet in ons herhalen van eens gedane beloften, maar in het ons -zoals Gezang 195 (Liedboek voor de Kerken) zegt -neerleggen bij Christus, in zijn dood begraven. En dan vervolgens - met de woorden van de Heidelbergse Catechismus - de Geest van het leven in Christus Jezus (Rom. 8,2) in ons láten werken.
Ja, er is veel aan gelegen, dat we onze doop leren verstaan - en vanuit dat verstaan ook gaan beleven.

Noot

1 O. Hofius, Glaube und Taufe nach dem Zeugnis des Neuen Testaments, in: O. Hofius, Neutestamentliche Studien, (Wissenschaftliche Untersuchungen zum Neuen Testament Band 132), Tübingen 2000, 266v. 

Afdrukken