nr3 • 2008 • Hoe terecht is de minachting voor de kinderdoop?

februari 2008 (22e jaargang nr.3)

Hoe terecht is de minachting voor de kinderdoop?
dr. J.A.O.L. Vercammen

De vraag naar de doop is in het oecumenische debat opnieuw actueel geworden. De minachting vanuit de pinksterhoek voor de kinderdoop weegt daarbij zwaar op de discussie over hoe de integriteit van het doopsacrament overeind te houden. Wordt bij de kinderdoop het sacrament dan per se geweld aangedaan?

Jezus spreekt over zijn dood aan het kruis als over een doopsel (Luc. 12:50; Marc. 10:38-39). Zijn dood is een onderdompeling, een ondergang in wat mens en wereld ondermijnt. Zijn verrijzenis is de ervaring dat midden in de chaos ‘redding’ geboden wordt. Dat mag ook de ervaring zijn van iedere gedoopte. Niemand hoeft immers nog zonder hoop te zijn, niemand hoeft om te komen in het kwaad: wie lief heeft zoals de Heer het heeft voorgeleefd, zal – zoals Hij - eveneens ervaren dat die liefde niet alleen tegen alle kwaad bestand is maar het ook overwint. In de doop worden we één met de Heer, schrijft Paulus, één in zijn dood om ook samen met Hem te verrijzen. Het kwaad verliest het van de vrijheid om lief te hebben (Rom. 6:3-6). De doop is een antwoord op de roeping die vanwege God uitgaat naar elke mens, want elke mens wordt door de Eeuwige uitgenodigd om participeren aan de ‘liefdesdynamiek’ van het Koninkrijk.
De doop is een wedergeboorte tot het nieuwe leven van die vrijheid. De Eerste Kerk ziet zichzelf als de moederschoot waarin dit nieuwe leven gedijen kan. In de kerk wordt een gedoopte opnieuw geboren in de gemeenschap van God zelf. De gedoopten zijn de ‘levende stenen’, waarmee de kerk is opgebouwd als ‘de geestelijke tempel’ die God ten teken van hoop en redding voor de mensen wil oprichten (vgl. 1 Petr. 2:5). De eucharistie ‘brengt het verband aan’ tussen de levende stenen en bewerkt hun blijvende verbondenheid.  

De vraag naar de kinderdoop
De vraag is of er nog wel plaats is voor de kinderdoop als men uitgaat van deze ‘hoge’, maar mijns inziens enig juiste, opvatting over de doop. De verachting van de kinderdoop door vele wederdopers lijkt me goed te begrijpen. Waar de kinderdoop beleefd wordt als een viering van dankbaarheid voor het nieuwe leven, heeft dat uiteraard nog weinig te maken met waar het in de doop werkelijk om dient te gaan. Waarmee natuurlijk niet gezegd is dat die dankbaarheid zonder zin zou zijn. Het is echter wel een teken aan de wand dat we ook in een kleine volkskerk als de onze de doop voor devaluatie moeten behoeden.
Nu zou het een misvatting zijn dat het geloofsgetuigenis van volwassen dopeling een sluitende garantie zou zijn tegen deze devaluatie. Ook bij volwassen dopelingen kunnen allerlei oneigenlijke motieven een rol spelen.

Het geloof van de kerk
In beide benaderingen blijft echter een fundamenteel aspect van de doop buiten beschouwing. Namelijk dat de roeping die aan elke doop vooraf gaat een geschenk is dat ieder mens ‘om niet’ door de Eeuwige wordt aangeboden. Het geloof van de kerkelijke gemeenschap waarin naast volwassenen, ook kinderen worden gedoopt, is op dat gegeven gebaseerd.
De gemeenschap waarin gedoopt wordt, belijdt door het gebeuren zelf haar geloof in Gods genade waarmee ook dit kind reeds ‘omspeeld’ wordt. Gods genade deed ook dit kind reeds wedergeboren worden. Het is dus gered van de dood. De doop kan niet zonder de belijdenis van de gemeenschap dat ook deze nieuwe mens niet de gevangene van het kwaad hoeft te zijn, maar principieel in staat is het goede te doen, omdat de Eeuwige genadig op hem of haar neerziet en dus de Heilige Geest reeds verblijf in hem of haar heeft genomen. Op bewuste leeftijd zal de gedoopte dit zelf ook kunnen erkennen en zelf ook kunnen uitspreken, maar Gods handelen is uiteraard van dat uitspreken en van dat bewustzijn niet afhankelijk.
Het kind dat gedoopt wordt behoort ook tot de kerk, ook al zal het later nog bewust voor de kerk dienen te kiezen. Het behoort reeds tot Gods volk onderweg in deze wereld. De doop is het sacramentele teken van dit principiële lidmaatschap. Dat lidmaatschap is trouwens niet op initiatief van mensen tot stand gekomen. Het is Gods initiatief. De al dan niet bewuste erkenning daarvan op volwassen leeftijd doet geen afbreuk aan dit gegeven. Wie die erkenning als uitgangspunt neemt voor het bepalen van de waarde van een doop, redeneert vanuit een eenzijdig standpunt waarin sociologische en psychologische argumenten dominant zijn.

Het ‘commitment’ van de kerk
Dat geloof brengt een concreet commitment met zich mee. De gemeenschap wil de dopeling, of het nu om volwassenen dan wel om kinderen gaat, het goede milieu aanbieden waarin men helemaal kan uitgroeien als christen, als mens-naar-Gods-hart. Het heeft daarom maar weinig zin om kinderen te dopen van ouders die zelf geen lid zijn van de kerkelijke gemeenschap waarin het kind door de doop wordt opgenomen. Het gezin is een van die ‘kerkelijke cellen’ waaruit de bredere gemeenschap is opgebouwd en waarop het aangewezen is. Het heeft evenmin zin van de kinderdoop een privé-gebeuren te maken, waarbij feitelijk alleen maar intimi van de ouders aanwezig zijn. De kinderdoop hoort thuis in de zondagsviering van de parochie. De (kinder)doop kan immers niet zonder het geloof van de bredere gemeenschap.

De doop: meer proces dan moment
De vraag naar de kinderdoop moet trouwens gesitueerd worden tegen de achtergrond van de opvatting dat de doop meer ‘proces’ dan ‘moment’ is. In het oecumenisch debat lijkt men het er trouwens over eens te worden dat de doop tegelijk een proces en een eschatologisch gegeven is. Daarmee is het ineens ook een grondplan voor het hele leven. Het hele leven kan begrepen worden als een ingroeien in Christus en daarmee als een binnengaan in de gemeenschap van God zelf. Gods genade en het menselijke geloofsantwoord daarop zijn in al de fasen van dit proces van initiatie op elkaar betrokken. Gods genade wordt niet slechts eenmalig gegeven, ze blijft de gedoopte vergezellen bij de verdere levenontwikkeling en blijft uitnodigen om deel te nemen aan Gods handelen in deze wereld. Ook met betrekking tot de integratie in de kerk, het Lichaam van Christus, moet men spreken van een proces waardoor door dagelijks te sterven en op te staan met Christus, de gedoopte steeds sterker geworteld wordt in de gemeenschap met elkaar en met Christus. De deelname aan de eucharistie en het zich toeleggen op de navolging vormen de bevestiging van deze integratie.

Dr. J.A.O.L. Vercammen is aartsbisschop van de Oud-Katholieke Kerk in Nederland

 

 



 

Afdrukken