nr3 • 2008 • Hier en daar zomert het soms wat

februari 2008 (22e jaargang nr.3)

Hier en daar zomert het soms wat
Over de wederzijdse dooperkenning
ds. J. van Eenennaam

Medio vorig jaar hield ik vanuit het perspectief van de pinksterkerken een lezing op een dialoogdag (RKK/VPE) over de doop, die resulteerde in enkele artikelen1, waar ik in deze bijdrage uit put. De bijdrage van Van den Heuvel lezend, begin ik daar waar het pijn doet. Ik zou wensen dat het meer en dieper tot een verbindend spreken over de doop komt (Ef. 4:1-4).

Het is een groot verlies als christelijke tradities elkaar uitsluiten over (hun verstaan van) de doop, temeer daar juist de doop mag symboliseren dat mensen vanuit een verschillend zijn verenigd zijn in/tot Christus. Een inclusief kerkbeeld is bij voorbaat om zeep geholpen als het schisma wordt bepleit door de eigen traditie als absoluut te stellen. Voor mij als predikant, werkzaam bij de Protestantse Geestelijke Verzorging in de categorale verstrooiing van de krijgsmacht, zijn ‘kerkmuren’ beduidend minder hoog. Ongetwijfeld beweegt dat mij tot het zoeken van oecumenische perspectieven.

Van tegenstelling tot verbinding
Allereerst maak ik met een paar schetsen duidelijk dat de doop op geloof door onderdompeling in de pinksterkerken tot geloofsinhoud werd verklaard. De beweging brak revolutionair door met de aandacht voor ‘de doop met de Heilige Geest’. De founding fathers Parham (1873-1929) en Seymour (1870-1922) doopten op geloof en door onderdompeling. Seymour nam daarin stelling tegen de kinderdoop: ‘We do not believe in baptizing babies or children before they come to the age of accountability. A little child cannot believe.’2 Toen de Azusa-opwekking begon door te breken in andere kerken, ontstond er een streven van pinksterpioniers om de christelijke eenheid niet voor de kwestie van de doop op het spel te zetten. De Noorse predikant Barratt (1862-1940) - later de vader van de Europese pinksterbeweging genoemd - ging hierin voor. Barratt was zelf als kind gedoopt. De Britse pinksterzendeling Polhill (1860-1938) onderstreepte dat ‘ieder het recht heeft om zijn opvattingen zo stevig als zij het wensen mogen vasthouden, of het nu besprenkeling is of onderdompeling. We moeten het recht opgeven om onze broeder de overtuiging op te dringen en altijd ons gelijk willen krijgen.’ De bijzonder hoogleraar pentecostalisme Van der Laan beschreef dit verbindend streven, toegevoegd met een in Amsterdam ondertekende internationale verklaring (1912).3 Er ontstond ruimte voor verschillende doopvisies. De eerste pinkstervoorganger Polman (1868-1932), die als kind hervormd was gedoopt, had zich in Chicago als gelovige opnieuw laten dopen. Hij was daarna op dit verbindend proces betrokken.

Leerstellige basis
Van de eerste Nederlandse pinkstergemeente onder Polman (1907) kunnen we een lijn doortrekken naar het later gevormde verband van de Broederschap van Pinkstergemeenten. Daarbij is de theologische invloed van de Assemblies of God, waarmee vanaf 1966 een sterke band ontstond, te herkennen. Bell (1866–1923) heeft in de vorming van de theologische identiteit een belangrijke rol gespeeld. Hij was universitair geschoold, had daarna het Southern Baptist Seminary gevolgd. Na jarenlang in de baptistengemeenten te hebben gewerkt, kreeg hij (1908) zijn ervaring met de Geestesdoop. Bell werd pinkstervoorganger en raakte betrokken in een samenwerkingsverband van pinkstergemeenten. In 1914, tijdens de oprichtingsvergadering van de Assemblies of God, werd hij gekozen tot algemeen voorzitter.4 Vanwege diverse opspelende controverses werd er uiteindelijk een leerstellige basis aanvaard. Als geloofsartikel werd daarin ook de doop op geloof door onderdompeling opgenomen. De Broederschap van Pinkstergemeenten, voorloper van de (gefuseerde) Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten, vormde een geloofsstatuut, dat verwant was aan dat van de Assemblies of God, waar ze sinds 1966 contact mee had. De Broederschap startte (1967) met een eigen theologische opleiding en werd de meest officiële spreekbuis van de georganiseerde pinksterbeweging in Nederland. De daaruit voortgezette VPE representeert verhoudingsgewijs kwantitatief het meest de Nederlandse pinksterbeweging; het kerkgenootschap telt momenteel ruim 150 gemeenten en ongeveer 240 predikanten. De beweging, ontstaan vanuit ‘leken’, klimt langzaam maar zeker op in de academische theologie.5 Binnen de VPE groeit aandacht voor officiële contacten met andere denominaties. Internationaal stelt het merendeel van de pinksterkerken dat de doop slechts bediend kan worden aan gelovigen door onderdompeling.6

Theologische benadering
Niet-academisch geschoolde pentecostalen zijn veelal geneigd tot een fundamentalistisch belaste hermeneutiek, waarbij de Schrift als openbaring geheel exterritoriaal begrepen wil worden.7 Wat betreft het verstaan van de doop is men geneigd om teksten redelijk zelfstandig te benaderen en etymologisch te verklaren, waarbij men soms minder toekomt aan de theologische geschiedenis ervan. Recente academische pentecostale discussies laten zien dat er hermeneutische correcties worden toegepast. Een ‘protestantse’ trek blijft dat de Schrift (en bij voorbeeld niet het kerkelijk leergezag) het eerste recht van spreken verdient. In het kaderblad van de VPE beschrijf ik de doop in de pinksterkerken. Voor het tot een theologisch verstaan hiervan komt, wordt een wordingsgeschiedenis van de christelijke doop geschetst. Het ritueel ‘dopen’ mag dan wel als een geschenk van Godswege worden beschouwd, het is niet ‘los verkrijgbaar’ alsof het rechtstreeks uit de hemel is komen vallen. De bediening en betekenis van de christelijke doop zijn uit verwante verhalen en gebruiken over (andere vormen van) dopen onttrokken. Hierin worden niet alleen lijnen zichtbaar met het Oude Testament, maar ook interessante kruisingen met het fenomeen van de proselietendoop, de doop uit de Farizeese en Esseense traditie en hoe Johannes de Doper de doop zag. Het voert hier te ver om verschillen en overeenkomsten te noemen.8

Historisch vlechtwerk
Met de instelling van de christelijke doop is niet een systematische dooptheologie overgeleverd, al vinden we heel wat betekenissen bij Paulus. God is in de Messias Jezus gekomen voor Israël en alle volkeren. De doop maakt zichtbaar dat mensen toetreden tot de kring van de Messias op grond van geloof in / van Christus in de vergeving van zonden. De reddende genade, die mag worden aanvaard - en niet de doop op zichzelf - is fundamenteel voor het behoud. Bekering is het menselijk handelen op het aanbod van Gods genade in Jezus Christus, gehoor geven aan de roep tot navolging. Het onzichtbare in dit handelen is het werk van God in de wedergeboorte. Op dat nieuwe leven van de leerling is de Geest volop betrokken. In de doop worden de beloften van het toekomstige leven zichtbaar. De doop symboliseert de dood en opstanding van Jezus Christus. Het ritueel betekent dat het oude leven in het watergraf wordt afgelegd. Zoals Jezus door de kracht van God is opgestaan, mag de dopeling opstaan tot een nieuw leven. Het vraagt gehoorzaamheid om het nieuwe leven uit te leven. Het is niet mogelijk uit eigen kracht, maar door de kracht van de Heilige Geest. In de naam van de Vader, de Zoon en de Geest worden mensen ‘in Christus’ gedoopt; zo zijn zij allen aan elkaar in gelijkheid verbonden, worden zij ingelijfd in het lichaam van Christus, zijn gemeente en opgenomen in een nieuw verbond. De wordingsgeschiedenis van de doop eindigt uiteraard niet in de Schrift, maar is vervolgens uitgegroeid tot verschillende betekenissystemen, waar een historisch vlechtwerk van verschillende opvattingen en gebruiken aan ten grondslag ligt. Bij de doop is er nagedacht over de triniteit, de verhouding met de zonde, de geloofsgemeenschap, de doopvoorbereiding (onderricht, vasten, verzaking van het kwaad), het ambt, de (on)geldigheid (eenmaligheid, verzegeling), de zalving, de eucharistie, het (liturgische) tijdstip, maar ook de leeftijd (w.o. het dopen van kinderen). Vanuit de hamartiologie, de ecclesiologie, de liturgiek, de pneumatologie, het apostolaat, de praktische theologie e.d. zijn er vanuit verschillende tradities van die ene Kerk accenten geplaatst bij dit christelijke initiatieritueel. Uiteraard zijn de theologische beslissingen die werden genomen niet los te denken van onder meer politieke, sociologische, psychologische en pedagogische factoren.

Theologisch probleem
De aanvankelijke en gebruikelijke lijn, die te herkennen is in de vroegchristelijke dooptheologische concepten, gaat van catechese / geloof naar doop. Al acht ik het aannemelijk dat een ‘pater familias’ zich als representant heeft laten dopen, toch kunnen en mogen wat mij betreft de oikosteksten in lijn met een verbondstheologie gelezen worden. Het is onnodig de mogelijkheid uit te sluiten dat er kinderen gedoopt zouden kúnnen zijn, wat vanuit baptistische hoek nogal eens gebeurt. Evenzo gaat men te ver als men met deze teksten een normatieve kinderdooptheologie op wil tuigen om daarmee een ander doopmodel door te strepen. Ik veronderstel niet dat de kinderdoop theologisch geen solide papieren heeft. Het zijn alleen niet de enige papieren. De theologische onderbouwing van de kinderdoop (Augustinus) is van latere datum en kreeg goede aanhechting met het verbondstheologisch denken. Het initiatieritueel laat zien dat ‘de kinderen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en zijn gemeente horen. Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd.’ (HC 74) Deze doopvorm is voor (een deel van) de kerk logisch en fundamenteel geworden. Dat er soms mensen vanaf hun geboorte tot christen zijn gedoopt, terwijl ze (schijnbaar) niet geloofden en/of leefden als christen, vormt een theologisch probleem. Het vraagt een doordenking van de ‘gedoopte natie’ (Van Ruler) tot de ‘goedkope genade’ (Bonhoeffer).

Antwoordelijk
De pentecostalen, komend uit hun opwekkingstraditie, prediken bekering en nodigen tot doop in water en Geest. Pentecostalen zouden het initiatieritueel kunnen herleiden tot de drievoudige antropologisch-symbolische grondstructuur (Van Gennep). Het gaat van ‘losmaking’ van een leven ‘in de duisternis’ (zonder toekomst; ‘dood door de zonde’), een bewuste ‘overgang’ (via het ritueel van onderdompeling in water) om daarna – ‘opneming’ – vernieuwing tegemoet te gaan als toegevoegde leerling in de kring van de Messias en bekrachtigd te mogen worden door de Heilige Geest. Los van elkaar beschouwd blijft zowel in de kinderdoop als in de baptistische doop de betekenis ervan niet beperkt tot het moment van het dopen zelf, blijft een geldige plaats voor Gods voorafgaande genade (die altijd boven het sacrament uitgaat) en blijft het tweezijdige karakter van het verbond in tact. Het moment en de wijze van participatie in de initiatierites verschillen. Pentecostalen dringen aan ernst te maken met God en tot geloof te komen en zij staan voluit in de hun geëigende (doop)traditie. De opwekkingsprediking tot geloof gaat gepaard met (andere) theologische en existentiële reducties. In het geval dat iemand ook als kind in een bepaalde kerk al gedoopt is, neigen pentecostalen voorbij te gaan aan ‘de staat waarin’ iemand  (reeds) ‘geroepen’ is (1 Kor. 7:24) en wat dat theologisch en geestelijk kan betekenen. In de reformatorische theologie worden de uitverkiezing en het verbond gezien als primordiale aspecten, die hun verdichting verdienen in de (kinder)doop. Komt een kindgedoopte in een baptistische kerk toch tot een tweede doop, zo voelt men een doorstreping van de heilige doop en volgt de kritiek dat niet de voorafgaande genade van God, maar de menselijke ervaring als primaat wordt omhelsd. In de VPE zijn er voorgangers die willen nadenken over het begrip ‘doopvernieuwing’ om erkenning te kunnen geven aan wat God geschonken kan hebben in de kinderdoop en recht te doen aan de eenmaligheid van de christelijke doop.9
Bij die ‘baptistische’ doop kunnen ook ‘reformatorische’ noties worden erkend. Een gelovige doopt immers zichzelf niet, maar laat zich dopen; hij mag het ritueel ant-woordelijk van Godswege ondergaan. De christelijke initiatie ‘begint’ (schijnbaar) bij ‘bekering’, feitelijk in de door God gewerkte wedergeboorte, en wordt in de rite voltooid met de doop. Er is een vergelijking denkbaar met de gereformeerde verbondsstructuur, waar het kind uiteindelijk geroepen wordt om ant-woordelijk het geloof (als gave van God) te belijden.

Dooperkenning
Ter voorbereiding van mijn lezing hield ik een peiling bij een honderdtal vertegenwoordigers van gemeenten. Er waren enkele markante voorbeelden, waarbij een evangeliegemeente zelfs een statutenwijziging bleek te hebben doorgevoerd om een gelovige die de eenmaligheid van haar (kinder)doop onderstreepte, als lid te kunnen aanvaarden. Daarnaast is er in gemeenten ook een striktheid op te merken, die onder andere illustratief is voor de kracht van het ritueel van de doop.
De pinksterkerken ontwikkelden zich vanuit een congregationalistische structuur. Als elke afzonderlijke kerk geregeerd wordt door haar eigen statuut, is het niet gemakkelijk met één mond over ‘wederzijdse dooperkenning’ te spreken. Het onderwerp ligt overigens in de hele kerkelijke wereld gevoelig. Dit denken te agenderen is een concrete stap, al maakt af en toe zo’n zwaluw nog geen zomer. De Pauselijke raad voor de bevordering van de eenheid der Christenen initieert (vanaf 1991) gesprekken tussen rooms-katholieken en (ook  Nederlandse) pinksterkerken over evangelisatie, proselitisme en het gezamenlijk getuigenis. Deze moesten wel uitmonden in de vraag: wat is een christen of hoe kun je christen worden?10 Dat er niet alleen gesprekken over, maar ook met elkaar zijn, is hoopvol.

Ds. John van Eenennaam is geestelijk verzorger in de krijgsmacht

Noten:

1. Eenennaam, J. J. van “Het doopkleed en ons naakte geloof” in Parakleet, nr. 103 en 104; 27e jaargang 2007. Zie http://www.stucom.nl onder nr. 0183.
2. Seymour, W. J. The Doctrines and Disciplines of the Azusa Street Apostolic Faith Mission of Los Angeles, California; 1915.
3. Laan, C. van der, De spade regen, Kampen, 1989; p. 158, 165.
4. Burgess, S. M. McGee, G. B. Dictionary of Pentecostal and Charismatic Movements, Michigan; 1988.
5. Na een leerstoel Theologie van de Charismatische Vernieuwing aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de VU volgde een leerstoel Pentecostalisme (voortgezet met een Master Pentecostal Studies). Na het Hollenweger Center is inmiddels een European Research Network on Global Pentecostalism opgericht (2005).
6. Uitzonderingen; de grootste pinksterdenominatie in Chili, de Iglesia Metodista Pentecostal past de kinderdoop toe. In de Pentecostal Holiness Church is ‘besprenkeling’ officieel toegestaan. Anderson, A. The origins, growth and significance of the pentecostal movements in the third world, Birmingham.
7. Montsma, J. A. De exterritoriale openbaring, Amsterdam; 1985.
8. Eenennaam, J. J. van “Het doopkleed en ons naakte geloof”(2) in Parakleet, nr. 104; 27e jaargang 2007. Zie http://www.stucom.nl onder nr. 0183.
9. Dit bleek op de gehouden dialoogdag (RKK/VPE) over de doop 14 juni 2007.
10. Symposium 30 november 2007; VU te Amsterdam. Informatie: http://www.stucom.nl

 

 



 

Afdrukken