nr1 • 2007 • Toch maar een bisschop?

oktober 2007 (22e jaargang nr. 1)

   

Toch maar een bisschop? Over episcopaal en presbyteriaal
Dr P. van den Heuvel

Er zijn opmerkelijke ontwikkelingen gaande in de kerk. De discussie vorig jaar in de synode over de posiitie van de kerkelijk werker heeft een hernieuwde bezinning op het ambt teweeg gebracht. Op 4 oktober was er in Utrecht een symposium met als thema: 'Gaat de dominee voorbij?' Het ging daarin over het ambt van predikant, tussen dienaar van het Woord, geestelijk leider of voorganger/manager van een gemeente. De overweldigende belangstelling voor deze bijeenkomst maakt duidelijk hoe groot de verlegenheid is, maar ook de belangstelling om zich op de fundamentele vragen van het ambt opnieuw te bezinnen. Dat is verrassend omdat in de afgelopen periode vooral de functionele en technische kanten van het ambt de aandacht trokken (de normjaartaak van de predikant die 1840 uur omvat e.d.). Maar wat is eigenlijk de wezenlijke inhoud en roeping van het ambt?

Kerk en gemeente

Ook op het terrein van de verhouding van kerk en gemeente lijken er allerlei verschuivingen op te treden. We hebben sinds 2004 een nieuwe kerkorde, op presbyteriaal-synodale leest geschoeid. Daarin zijn de bevoegdheden van de landelijke kerk en de plaatselijke gemeente zorgvuldig uitgebalanceerd. Met name de gereformeerden hebben er als leeuwen voor gewaakt dat aan het recht van de plaatselijke gemeente niet tekort zou worden gedaan. Maar onderschat ook de hervormde en de evangelisch-lutherse gemeenten niet: zij laten zich door de synode evenmin de kaas van het kerkelijke brood eten. Je zou dus verwachten dat er tevredenheid alom is: de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente is in de kerkorde voluit gewaarborgd.  
Maar ook hier lijkt een verschuiving op gang te komen. Ik hoor plotseling van alle kanten dat er episcopale elementen in de kerkorde moeten worden ingebouwd. In kringen van de visitatie wordt gezegd: 'zo kan het niet langer. Er moet wat gebeuren'. De Leede heeft onlangs in Kontekstueel geschreven  over de protestantse dominee. In dat artikel lijkt zelfs een paus bespreekbaar: 'beter een goede paus dan een slechte kerkenraad', zegt hij. Daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in. Het omgekeerde is trouwens ook waar: beter een goede kerkenraad dan een slechte paus. En ik voeg eraan toe: bij een slechte kerkenraad is alleen de gemeente de dupe, bij een slechte paus de hele wereldkerk!
Het is opmerkelijk dat het woord episcopaal opeens een bijna dromerige klank heeft gekregen. Ik hoor er iets van heimwee in. Hadden we maar een bisschop! Een beetje gechargeerd: men schetst een aantal idealen, men confronteert ons met problemen in de kerk. Vervolgens schrijft men er het woord bisschop bij: dan zou de kerk beter aan haar roeping kunnen beantwoorden. Laat er geen misverstand over bestaan: ik deel de idealen en ik herken de problemen. De vraag is alleen of het invoeren van het episcopale element de oplossing dichterbij brengt.

Tegengas

Het is tijd om eens wat tegengas te geven. Daarbij stel ik allereerst de vraag: wat staat u precies voor ogen? Daar stuiten we al direct op een probleem. De motieven achter het verlangen naar een bisschop lopen namelijk sterk uiteen en zijn soms tegenstrijdig.
Scherper geformuleerd: het enige echt gemeenschappelijke motief is dat men ongelukkig is met de huidige situatie: 'Zo kan het niet langer!'. Daarmee is echter nog geen antwoord gegeven op de vraag wat men wel wil. Het doet mij denken aan tien jaar geleden, toen er binnen de Nederlandse Hervormde Kerk plotseling een massaal verlangen ontstond naar federatie. Het leek wel alsof de hele kerk daar vóór was. Nadere analyse bracht echter aan het licht dat bij het begrip federatie ieder weer iets anders voor ogen stond. De enige gemeenschappelijkheid in het verlangen naar federatie was wat men niet wilde, namelijk de vereniging (fusie).
Daarom is het van belang nu de motieven te analyseren in de roep om een episcopaal element. Des te meer omdat het daarin om een buitengewoon complex geheel gaat. In een document over het bisschoppelijk ambt van de Lutherse Wereldfederatie uit 1983 worden maar liefst 12 bisschoppelijke taken opgesomd.

Motieven

Welke motieven spelen een rol in de huidige discussie?
J. Kronenburg noemt in zijn proefschrift als eerste aanleiding voor zijn studie over de theologie van het bisschopsambt het gemis aan een pastor pastorum in een persoonlijke crisissituatie. Wie ziet er om naar de predikant als deze vastloopt in zijn werk of in zijn persoonlijke leven? Het pastorale motief staat bij hem voorop. Er komen in zijn studie ook andere motieven aan de orde, maar hier ligt voor hem het zwaartepunt.
Anderen leggen sterk de nadruk op het ambt van bisschop met het oog op de eenheid. Nog onlangs heeft Van der Borght op het IRTI congres in Roemenië betoogd dat een episcopale structuur bevorderlijk is voor de eenheid van de kerk. Het bewaren van de gemeente bij het centrum van haar kerk-zijn behoort inderdaad tot de fundamentele taken van het ambt. Kerkrechtelijk moet echter de vraag worden gesteld of de eenheid niet zeker zo goed gewaarborgd is op de basis van de conciliariteit (het beraad in de ambtelijke vergaderingen) als bij het personele ambt van de bisschop. Op het IRTI congres kwam de pijnlijke reactie van een Roemeens theoloog: 'Wij hebben hier bisschoppen, maar ik kan niet zeggen dat ze de eenheid hebben bevorderd'.
De Leede bracht in Kontekstueel drie andere motieven naar voren. Hij noemt de huidige culturele context, het belang van de continuïteit en het belang van besluitvaardig optreden.
1. Met de culturele context bedoelt hij dat iemand moet kunnen doorgroeien naar meer verantwoordelijkheid. Hij stelt de gelijkheid van de drie ambten (van predikant, ouderling en diaken) ter discussie. Maar ook binnen het ambt van predikant is een zekere (zoals hij dat noemt in een nadere toelichting) 'hiërarchisering van dat ambt noodzakelijk'. Hij noemt dan een opklimmende reeks van junior-predikanten, senior-predikanten, superintendenten en bisschoppen. Één van hen is dan voorzitter of scriba van de synode. Wat hij precies met hiërarchisering bedoelt wordt verder niet uitgewerkt, maar in elk geval gaat het hem om het 'ambt als toegekend en waardig gebleken gezag'. Dat kan niet anders betekenen dan dat men in die opklimmende reeks in toenemende mate bevoegdheden ontvangt over anderen. Dat zit in het woord hiërarchie. De ene predikant krijgt bevoegdheid om te beslissen ('met gezag leiding nemen') over de andere.
2. Bij de continuïteit doelt De Leede op een waarborg voor het belijden en de ethiek van de kerk. 'Een kerkenraad en zeker een synode zijn daarvoor niet meer toereikend, daarvoor is het kerkelijk leven veel te ingewikkeld geworden'. Hij wil een dam opwerpen tegen congregationalisme en vrijblijvendheid in de kerk, tegen de verkokering van spiritualiteiten. We hebben iemand nodig (een senior-predikant, een bisschop) die met toegekend gezag het geloofsgesprek kan bevorderen en de collegialiteit kan bewaren. Iemand die in persoon optreedt als vertegenwoordiger van belijden en ethiek.
3. Het derde motief: iemand moet in staat worden gesteld besluitvaardig op te treden. Ik erken: hier ligt een probleem! We voelen ons soms machteloos als het ergens mis gaat in een gemeente of met een predikant. De hele vaderlandse pers valt over ons heen: waarom grijpt de synode niet in? 'Als er nu eens een goede seniorpredikant regionaal bisschoppelijk bevoegdheden krijgt?' Wat zouden gemeenten die met hun dominee in de maag zitten 'er wel bij varen wanneer een superintendent een wijs besluit zou kunnen nemen'. Hij spreekt van een gezagsvacuüm in de kerk. De ambtelijke vergaderingen en colleges zijn blijkbaar niet bij machte het aan hen toegekende gezag uit te oefenen, daarom moeten ambtsdragers worden aangesteld die als persoon (dus: individueel) met gezag leiding kunnen geven aan de predikanten en slagvaardig kunnen optreden.

Vijf kanttekeningen

Ik plaats vijf kanttekeningen:
1. Om te beginnen valt mij op hoe vaak het woord 'gezag' wordt gebruikt. Ik begrijp dat er een stevige machtspositie nodig is om effectief (met slagkracht!) te kunnen optreden. Ik zou graag eerst willen weten met welke bevoegdheden deze bisschoppelijke figuren moeten worden toegerust om al deze taken slagvaardig te kunnen uitoefenen.
2. De discussie wordt bepaald onzuiver als een wijze bisschop wordt gezet tegenover een disfunctionerende dominee. Je moet nooit het ideaal-plaatje van het ene systeem uitspelen tegenover de zondige werkelijkheid van het andere. Om een zuivere discussie te voeren moeten de sterke kanten van beide stelsels met elkaar worden vergeleken, en eveneens de zwakke. Dan krijg je een eerlijke vergelijking.
Er zijn in onze kerk colleges die te lang aarzelen om in te grijpen, maar er zijn ook bisschoppen die de zaken op hun beloop laten of hun macht misbruiken. Ik kan daar desgewenst voorbeelden van verschaffen. Ik ben vooralsnog van mening dat de kans op verkeerde besluiten bij iemand die de macht alleen in handen heeft, minstens zo groot is als bij een college waarin men elkaar kan corrigeren.
3. Slagvaardigheid: beseffen we dat in deze tijd geen enkele bisschop zijn besluiten werkelijk alleen neemt? Daar gaat ook veel inspraak en overleg aan vooraf. Ik zou wel eens uit de praktijk van andere kerken willen vernemen of in een episcopale structuur de besluitvorming inderdaad veel sneller gaat (althans wanneer elementaire beginselen van rechtsbescherming in acht worden genomen).
4. In de vierde plaats signaleer ik dat in deze benadering de plaatselijke gemeente teveel uit beeld is geraakt. Er moet bovenplaatselijk leiding worden gegeven aan het inhoudelijk kerk-zijn. 'De regionale kerkgemeenschappen zullen het toch moeten doen, in ons huidige kerk-zijn'.
Bij deze redenering worden niet (slechts) enkele episcopale elementen worden ingevlochten in ons kerkelijk stelsel, maar wordt in feite een bom gelegd onder het fundamentele uitgangspunt van ons kerk-zijn, name­lijk dat het hart van de kerk klopt in de plaatselijke gemeente (de wijkgemeente) die samenkomt rondom Woord en sacrament èn dat aan die plaatselijke gemeente leiding wordt gegeven door een kerkenraad die de gemeente zelf heeft verkozen. Niet de regionale kerkgemeenschap, maar de plaatselijke gemeente zal het moeten doen, is mijn overtuiging. Het bovenplaatselijke is er (slechts) om de gemeente in haar taak te ondersteunen, niet om haar taken over te nemen.
5. Want laten we ons goed realiseren: wie bevoegdheden aan de één toekent, neemt ze van de ander af. Als we aan een bisschoppelijk persoon de bevoegdheid verlenen om een predikant over te plaatsen, ontnemen we daarmee aan de gemeente het fundamentele recht om zelf haar ambtsdragers (inclusief de predikant) te verkiezen en te beroepen. Iedereen beseft trouwens dat we nieuwe problemen oproepen als een gemeente tegen haar wil een predikant krijgt toegewezen die elders is vastgelopen.
Dat door de huidige discussie het gesprek over het ambt opnieuw alle aandacht krijgt, is zeer positief. Dat de kerk behoefte heeft aan mensen die moedig en geduldig, vastberaden en communicatief het ambt dragen en daarmee de kerk dienen, daarover zijn we het volstrekt eens. Maar ik verzet mij tegen het zoeken van een oplossing van de huidige problemen in de richting van het personele ambt (de bisschop).

Voorzet

Als ik zelf een voorzet zou moeten geven in welke richting een oplossing zou kunnen worden gevonden, dan denk ik aan een niet te omvangrijke ambtelijke vergadering op regionaal niveau, tussen classis en synode in. Daartoe zouden de bestaande bevoegdheden met betrekking tot disfunctionerende predikanten en gemeenten, die nu berusten bij de classicale vergaderingen (ongevraagd verlof etc.) moeten worden over­geheveld naar deze algemene classicale vergadering. Daarbij zou aan elke ACV een vrijgestelde scriba moeten worden verbonden, die als ambtsdrager (dus in persoon) als centraal aanspreekpunt fungeert, maar die tegelijk is ingebed in de struc­tuur van de ambtelijke vergadering. Dat betekent dat er naast en tegenover de regionale visitatie als orgaan dat zich toelegt op advisering en agogische begeleiding, een ambtelijk bestuurlijk orgaan is dat kan ingrijpen als het dreigt mis te gaan. Op deze wijze kan slagvaardiger optreden mogelijk worden gemaakt doordat de lijnen tussen de visitatie en het bevoegde ambtelijke orgaan korter en doorzichtiger worden.

Conclusie

Ik begrijp dat De Leede in zijn artikel juist heeft willen voorkomen dat het ambt van predikant wordt uitgehold en verwordt tot een bureaucratische functie. Ik ben er niet van overtuigd dat het invoeren van episcopale elementen daarvoor het geëigende middel is. We moeten de waarden van het presbyteriaal-synodale stelsel niet lichtvaardig prijs geven door te dagdromen over een bisschop als we niet eerst de kerkordelijke consequenties daarvan grondig hebben doordacht.

Literatuur:
J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk, Zoetermeer 2003.

Afdrukken