nr1 • 2007 • Geen eigen beeld van God

oktober 2007 (22e jaargang nr. 1)

   

Geen eigen beeld van God
De rechtvaardiging van de goddeloze

Drs. M.J. Schuurrman

De rechtvaardiging van de goddeloze maakt van het christelijk geloof een moeilijk geloof. Waarom is dat nodig? Waarom kunnen wij zelf niet onze gedachten laten gaan over God, maar moeten we onze gedachten laten corrigeren door de Bijbel? Waarom kunnen we niet zonder de rol van Christus? Dat zou het toch gemakkelijker maken om anderen te overtuigen van geloof? Het is immers makkelijker te geloven in (een) God dan in Christus?

De rechtvaardigingsleer begint niet bij de mens. Ook niet bij de zonde, maar bij God. Luther ontdekte de rechtvaardigingsleer door het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Hij ontdekte het Evangelie, de belofte van dit gebod: God wil ook mijn God worden. Luther legde het eerste gebod christocentrisch uit: Christus liet hem zien, dat God ook zijn God wilde zijn. Dat had een bevrijdende werking. Hij worstelde sterk met de vraag of God hem wel genadig wilde zijn. In die worsteling kon zijn geweten hem niet helpen. Zijn biechtvader beval hem om niet op zijn eigen gedachten te vertrouwen, maar op de belofte van het eerste gebod. Dit gebod om te geloven heeft Luther geholpen. Sindsdien ervoer hij het eerste gebod als een middel tegen aanvechtingen.
Luther ontdekte door dit gebod hoe God werkelijk is. De wezenstrek van God is, dat Hij uitdeelt van wat Hij heeft. Dat begint al met de schepping: Hij laat ons delen in zijn bestaan. Alles wat wij zijn is een geschenk van God. Ook na de zondeval laat God de mensen delen in wie Hij is. Hij schenkt zichzelf door Christus. Dit uitdelen behoort tot het wezen van God. Als mens geloven wij dat echter niet. Wij hebben heel andere voorstellingen van God. Wij maken van God een projectie van ons onvermogen. Het levert ons een beeld op van God die op een onbarmhartige manier van ons eist. Wij hebben het idee dat wij voor God moeten presteren. Wij maken van God een rechter, die recht zal spreken op een manier zoals wij dat zouden doen: zonder barmhartigheid. Wij beoordelen onszelf en anderen onbarmhartig: wij overvragen anderen en onszelf.

Zonde: wantrouwen van God

Hierachter gaat een bepaalde visie op zonde schuil. Zonde is wat men verkeerd doet, een verkeerde daad, een morele overtreding. Men heeft de wet van God overtreden. En overtreding roept om compensatie (straf, genoegdoening). Dit is een hardnekkig misverstand over zonde. Niet alleen de rooms-katholieke moraal heeft hier last van, maar ook de gereformeerde traditie. ‘Waaruit kent gij de ellende? Uit Gods wet’. Dan denkt men aan het 3e tot het 10e gebod. Dan vervalt men in moralisme. Wie tegen het 7e gebod zondigt, moet dan voor in de kerk schuld belijden. En in een moderne kerk wordt verantwoord burgerschap het ultieme christelijke ideaal. Maar men slaat de belangrijkste geboden over: het gebod om geen ander houvast te hebben dan God de Here en geen eigen beeld van God te scheppen.
Luther ontdekte, dat alle zonde begint met het wantrouwen van Gods belofte. De zondaar kan God niet serieus nemen, omdat God anders is. Omdat wij God niet vertrouwen, zoeken wij naar andere gronden om op te kunnen bouwen. Dat verwoordt hij in zijn Grote Catechismus: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men vluchten kan in alle noden. Daarom betekent ‘een God hebben’ niets anders dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt.’1 Geloven heeft dus alles met vertrouwen te maken. Wie niet op de levende God vertrouwt, maakt een afgod. En dat kan heel wat zijn: geld, goed, geleerdheid, wijsheid. Alles wat men maar vertrouwt om niet op God te hoeven vertrouwen.

Onderscheid Wet – Evangelie

Door dat wantrouwen willen wij het liefst zelf God zijn. Dan hebben we alles in de hand. Maar als zondaar denken we dan alleen aan God als de strenge rechter. We worden dan onze eigen rechter. Maar het is uiteindelijk een inhumane wens, want we vergeten dat God als rechter ook barmhartig oordeelt. In de rol van God overvragen wij daarom onszelf. Wij kunnen niet als God zijn, ook al zouden wij dat willen.
Een belangrijk onderdeel van de rechtvaardigingsleer is dat zonde leidt tot een verkeerde visie op de wet. De wet is van oorsprong goed, omdat het Gods wil is. Als wij iemand wantrouwen, wantrouwen we alles van die ander – ook zijn goede bedoelingen. Zo wantrouwen wij ook al Gods goede bedoelingen. De wet wordt als een strenge eis opgevat, een eis die niet te volbrengen is. Tegelijkertijd gaat de zondaar wel een poging doen om de wet te vervullen – om zichzelf voor God te rechtvaardigen. Daarom is de zonde niet in de eerste plaat een morele overtreding, maar begint de zonde met het negeren van de eerste twee geboden. Dat uit zich in het niet willen vertrouwen van Gods beloften: niet willen geloven, dat God ook mijn God wil zijn.
Door ons wantrouwen kunnen wij niet aanvaarden dat God het goede met ons voorheeft. Uit de wet van God leren wij onze zonde kennen. Het is echter niet de eisende wet, die ons de zonde leert kennen, maar de wet als evangelie: de belofte van het eerste gebod. Wantrouwen kan alleen maar verdwijnen door aanvaarding van liefde. Het offer van Christus, Gods liefdedaad doorbreekt onze zonde. Het evangelie, de liefde van God voor mensen, laat onze tekortkomingen zien. Zonder het evangelie kunnen wij niet over zonde spreken. Buiten het kader van het geloof kunnen wij iets niet als zonde duiden. Zonde bestaat niet op een seculiere manier! Want zonde bestaat alleen in de relatie tussen God en de mens.

De rol van Christus

Deze interpretatie van zonde kan alleen maar binnen het kader van het christelijk geloof. Deze visie op zonde en redding is ontleend aan de komst van Christus naar de aarde en aan zijn offer aan het kruis. Schrap de rechtvaardiging, schrap het offer van Christus en je hebt geen christelijk geloof meer over. Het christelijk geloof heeft een ongelofelijke claim als het gaat om God: er is geen andere God dan de God die in Christus op aarde aan het kruis stierf en zo de zonde van zijn eigen schepselen op zich nam. Het christelijk geloof is in de kern dus onverzoenlijk met andere godsdiensten. Het christelijk geloof is dus ook niet te verzoenen met jodendom of islam.
Deze claim heeft ook gezorgd voor de breuk tussen jodendom en christendom. Deze breuk is echter ontstaan binnen het jodendom zelf. De eerste christenen waren joden, die net als Jezus zelf, het eerste gebod serieus namen. Deze joden, die in Jezus Gods aanwezigheid herkenden, moesten in het reine komen met het hoor Israël (Deut. 6:4). Wie zegt, dat Jezus geen God kan zijn omdat dat niet past binnen het jodendom van die tijd, doet aan geschiedvervalsing. De joodse auteur van het Johannesevangelie poogt, evenals de andere joodse auteurs van het Nieuwe Testament, te komen tot een verbinding van het Sjema en het geloof in Christus Jezus als Mensenzoon, als Zoon van God.2 Ook al komt de drie-eenheid als begrip niet in de Bijbel voor, de zaak waar het om gaat wel.3 Daarom is Luthers christocentrische interpretatie van het eerste gebod een bijbels-theologisch verantwoorde interpretatie.

Bevrijding

Wie God wantrouwt, wil niet bij God zijn en duldt ook niet Gods aanwezigheid. Alles liever dan God. Door onszelf God te wanen, dachten wij de gevolgen van de zonde in de hand te hebben en eigen heer en meester te zijn. Dat is echter de illusie van de zonde. Als mens zijn wij echter altijd onderdaan. Behoren wij niet aan God toe, dan behoren wij toe aan de werkelijkheid die God ontkent: aan de duivel, aan de zonde, aan de dood (vgl. Heid. Cat., zondag 1). Door tegen God te kiezen, kwamen we terecht in het gebied waarin de duivel en de dood heersen. Alverzoening is in dit verband discutabel. Waarom zou het wantrouwen van God na de dood wel voorbij zijn? Daarom moet de zonde ernstig serieus genomen worden, omdat goddeloosheid uiteindelijk ertoe leidt dat de mens gevangen komt in kwaadwillende, mensvijandige macht. De mens kan zich niet zelf bevrijden. Het is onze aan de zonde ontsproten zelfoverschatting dat wij bij kunnen dragen aan onze redding.
Echter, de dood van Christus betekent ook bevrijding uit die macht (Rom. 8:2). Daarom zijn de belangrijke woorden uit het evangelie: verlossing, bevrijding en redding. Deze redding plaatst ons over vanuit dit doodsgebied in het vreugdevolle werkelijkheid van God. De doop markeert deze overgang (Rom. 6:4).

Rechtvaardigverklaring

God blijft wel rechter. Zonde kan Hij immers niet gedogen. Hij veroordeelt het menselijke wantrouwen, maar het oordeel heeft Christus aan het kruis voor ons weggedragen. God velt wel een oordeel, maar dat houdt voor de gelovige vrijspraak in. Voor ons als zondaars, die God denken als een eisende persoon ondenkbaar. Maar het past bij zijn barmhartige en royale karakter, dat Hij ons deze vrijspraak geeft. Door die vrijspraak dankzij Christus’ offer worden zondaars, goddelozen met God verzoend.
Niet God moet verzoend worden, maar de goddeloze moet met God worden verzoend. Het offer van Christus is geen eerwraak. Het gaat niet om een God die bloed wil zien. God veroordeelt de zonde, maar spreekt de goddeloze vrij. Hij wreekt zich niet op een ander, maar neemt zelf de straf op zich. Dat kan Hij, omdat Hij door Christus en door de Geest één met ons is geworden. Deze eenheid met Christus is onze redding, onze vrijspraak. Er is wel één voorwaarde: wij moeten deze gunst wel willen aanvaarden. Wij moeten deze gift van God wel willen ontvangen. En dat is nu geloven: het accepteren van die vrijspraak.

Heiligmaking

Wantrouwen van God moet uit ons leven uitgedreven worden. Dat is een taak van de Heilige Geest. De Geest komt in ons wonen. Dat leidt het proces van de heiliging of heiligmaking in: (1) wij leren Gods liefde aanvaarden, (2) wij worden één met Christus. En overeenkomstig Gods karakter mogen wij delen in al het goede van Christus. In de heiliging is het dus opnieuw God die als eerste handelt. De valkuil van de heiliging is dat deze weer moralistisch wordt ingevuld. In de heiliging gaat het in de eerste plaats om dankbaarheid (overwonnen wantrouwen) naar God toe. Dus niet om een bepaalde (christelijk-burgerlijke) moraal. Deze verleiding geldt voor elke modaliteit binnen de kerk. Zowel ter linker- als ter rechterzijde wordt de moraal eerder vanuit een ideologie ingevuld dan vanuit het evangelie.
Het kenmerk van de christelijke levensstijl is zelfverloochening: God erkennen als Heer. Dus niet als burgermansfatsoen, conservatisme of progressiviteit. Heiliging is: leren te leven zoals God ons heeft bedoeld, vanuit Gods liefde voor ons. Een levenslange worsteling, waarin de Geest hard nodig hebben, waarin de aanvechting van het wantrouwen altijd op de loer ligt. Ook al is de goddeloze rechtvaardig verklaard, in dit leven blijft er altijd een spanning tussen de oude en de nieuwe mens. De gelovige is zondaar en rechtvaardige tegelijk.

Actualiteit

Gerechtigheid kan alleen God schenken. Elk menselijk oordeel heeft onrechtvaardige kanten. Wij kunnen ook onze eigen rechter niet zijn. Alleen God kan een goed oordeel over ons vellen. De mens veroordeelt al snel onbarmhartig, door naar de eigen tekortkomingen te kijken. Menselijke maatstaven krijgen al snel inhumane trekken (minderwaardigheidsgevoel, BodymassIndex). De mens heeft een waardigheid, omdat het God heeft behaagt om de gevallen mens te redden. Onze waardigheid is dus niet af te meten aan prestaties. Zeg dat maar eens in een maatschappij, waar betaalde arbeid de norm lijkt te zijn.
De rechtvaardigingsleer heeft dus betekenis voor de ethiek en de psychologie. Maar de rechtvaardigingsleer heeft vooral theologische actualiteit. Het gaat om het juiste beeld van God, die Zich in Christus ten offer gaf om zondaars te redden. Een andere God is er niet.

Drs. M.J. Schuurman is predikant van de hervormde gemeente (PKN) Ilpendam-Watergang  

Noten:

1. Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland. Ingeleid door dr. Klaas Zwanepol (Zoetermeer / Heerenveen, 2004) pag. 66.
2. Alleen van de auteur van Lukas-Handelingen en van 2 Petrus wordt de mogelijkheid opengehouden, dat de auteur niet-joods was.
3. Deze bijbels-theologische fundering van de triniteit laat de exegeet en voormalige evangelisch-lutherse bisschop Ulrich Wilckens op een overtuigende manier zien: Der Sohn Gottes und seine Gemeinde. Studien zur Theologie der Johanneischen Schriften. FRLANT 200 (Göttingen, 2002). Het is ook een rode draad in zijn Theologie des Neuen Testaments (Neukirchen-Vluyn, 2002vv).

 

Afdrukken