nr5 • 2008 • Interview

juni 2008 (22e jaargang nr.5)

‘Een gemeente is wel volledig kerk, maar niet de totale kerk’
Interview door dr. P. van den Heuvel en drs. P. Verbaan

Naar aanleiding van Wij zijn ook katholiek1 hadden twee redactieleden in maart in Boskoop een gesprek met de eindredacteuren van dit boek: dr. Hans Kronenburg (72) en dr. René de Reuver (48).

Jullie zijn verschillend van generatie en modaliteit; hoe kwamen jullie ertoe om samen over dit onderwerp te publiceren?
Kronenburg: Het was eind 2005, dat René naar aanleiding van zijn dissertatie een lezing hield voor de Confessionele Vereniging te Zeist over verscheidenheid in eenheid van de kerk. Het onderwerp boeit me vanwege mijn speciale aandacht voor de bisschop in de kerk, dus besloot ik naar die avond te gaan. Ik heb hem daar een vraag gesteld, ik kende zijn boek en we spraken na afloop nog met elkaar door. We zeiden toen: we zouden eens moeten doorpraten. Dat hebben we gedaan. We herkenden bij elkaar de zorg over de dreigende teloorgang van het besef aan katholiciteit binnen de Protestantse Kerk in Nederland. En zo is het idee van een boek gegroeid.
De Reuver: Vanaf het begin was ook (prof. dr.) Hans van Oort hierbij betrokken. Hij heeft een hele periode meegedacht, ook vanuit zijn kritische houding ten opzichte van de Protestantse Kerk. Aan hem hebben we veel te danken, niet alleen de titel van het boek – een woord van Melanchthon, waarvan hij de bron helaas niet wist te traceren. Ook dr. J. Haitsma was betrokken, vooral naar aanleiding van het thema van de katholiciteit (hij overleed in januari 2007). In een latere fase moest Hans van Oort door tijdgebrek afhaken.

Waarom dit thema? Wat is jullie eigenlijke motief?
Kronenburg:
Er is de afgelopen jaren door het Samen op Weg-proces en de wordingsgeschiedenis van de Protestantse Kerk zoveel geïnvesteerd in de fusie van en in de onderlinge verschillen tussen de lutherse, gereformeerde en hervormde tradities, dat het besef  deel uit te maken van de kerk der eeuwen soms ver te zoeken was. Maar we moeten toch – met Van Ruler - zeggen dat de reformatie slechts een moment in de geschiedenis van de catholica is? Dat is goed gereformeerd, getuige het oude adagium: christianus mihi nomen, reformatus cognomen: christen is mijn naam, gereformeerd mijn bijnaam. Dat relativeert de eigen traditie en schept openheid naar de oecumene. Maar in de gemeenten trekt men zich niet veel van andere kerken aan, iedereen heeft z’n handen vol aan zichzelf. Het katholieke gehalte van de kerk – dat goed verwoord staat in de nieuwe kerkorde – is niet een hobby van een aantal theologen, maar is wezenlijk voor de kerk. Dat moest nodig opnieuw op de kaart gezet worden.
De Reuver: In mijn promotiestudie werd ik geraakt door Cyprianus. Met name hoe hij al in de derde eeuw de eenheid wist te bewaren te midden van verschillende inzichten en argumenten. Bij het samengaan van kerken, zowel landelijk als plaatselijk, komen er niet geringe verschillen aan de oppervlakte. Het is de kunst om in die verscheidenheid te blijven beseffen dat je aan elkaar gegeven bent en samen kerk bent. Katholiciteit veronderstelt de veelheid en verscheidenheid van de ene kerk. De betekenis van deze katholiciteit willen we accentueren.

Dat hangt misschien ook wel van de locale verschillen af… maar eerst terug naar deze vraag. Begrijpen we het goed dat dit boek uit verontrusting is geboren? Is het een theologie van de verontrusting?
Kronenburg: Nee… eh nou ja… misschien wel. Maar W. Aalders, indertijd de woordvoeder van de theologie der verontrusting, dacht juist heel sterk vanuit de catholica! Daarom wordt hij ook geportretteerd in ons boek.
De Reuver: Een theologie van de verontrusting zou ik het niet direct willen noemen. Maar wel een dringend appèl, dat uit verontrusting of zorg is geboren. We dreigen iets kwijt te raken van het wereldwijde door ons zo op onszelf te concentreren. De Reformatie is juist geboren niet  omdat men iets nieuws wilde beginnen, maar omdat men de traditie van de Vroege Kerk op authentieke wijze wilde voortzetten. Dat besef hebben we in de wording van de Protestantse Kerk te weinig gelegd. De Protestantse Kerk is geen nieuwe kerk, maar gestalte van de katholieke kerk, van de kerk van alle eeuwen en plaatsen.

Een soort getuigenis dus?
De Reuver: Ja, als je het zo wilt noemen.

Wat is nu eigenlijk die katholiciteit? Vijfentwintig auteurs behandelen twaalf aspecten en zeven inkleuringen en geven vijftien portretten. Het begint ons te duizelen. Als het begrip over alles gaat, zegt het uiteindelijk niets. Leg eens aan onze lezers uit waar het in het kort om gaat.
Kronenburg: We leven in een tijd van deïnsitutionalisering en individualisering. Er leeft in onze kerk ‘een parvenuachtige voorkeur voor de eigen mening’ (Noordmans). ‘Ik wil zelf uitmaken wat ik geloof, het traditionele geloof van de kerk – daar kan ik niets mee’. Dat leidt natuurlijk tot niets, tot chaos. Om dat te voorkomen zijn ons vanuit de Vroege Kerk drie ‘normen’ aangereikt om ons te bewaren bij het geloof: de canon, het credo en het ambt. Dat zijn de drie wachters die de katholiciteit van de kerk bewaken, de richtingwijzers die we nodig hebben om in het spoor te blijven van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk van Christus. In ons boek willen we laten zien hoe allerlei mensen, vanaf Luther tot W. Aalders, dat hebben gedaan en wat dat betekent voor de verschillende aspecten van ons kerk zijn: de omgang met de Schrift, de liturgie, de zending, de cultuur. Inderdaad, dan gaat het over ‘alles’: ‘katholiek’ betekent ook ‘overeenkomstig het geheel’.   
De Reuver: Het begrip katholiciteit heeft een ontwikkeling doorgemaakt. De eerste die het gebruikt is Ignatius van Antiochië (ong. 110 na Chr). Hij spreekt over Jezus Christus en de katholieke kerk. Onder deze kerk verstaat hij de bisschop met het volk. Vincentium van Lerinum (ong. 430 na Chr.) omschrijft katholiciteit als ‘datgene wat overal, altijd en door allen wordt geloofd’. In ons boek gaan we uit van een omschrijving van katholiciteit zoals de Wereldraad van Kerken in 2006 in Porto Alegre die heeft gegeven. Onder katholiciteit wordt hier verstaan elke gemeenschap van gedoopte gelovigen waarin door de Geest de volheid van Christus tot uitdrukking komt in het belijden van het apostolisch geloof, het verkondigen van het evangelie en het vieren van de sacramenten.
Hierbij aansluitend versta ik onder katholiciteit een gemeenschap van gelovigen (de sancti) die leeft vanuit de doop en van de hemelse gave van brood en wijn (de sancta). Voor mij is katholiciteit synoniem voor wat het Apostolicum als nadere bepaling van de kerk belijdt: de gemeenschap der heiligen. ‘Heiligen’ staat hier zowel voor de heiligen zelf als voor de heilige tekens van doop en avondmaal waaraan zij deelhebben.

Maar sluit het een het ander ook niet uit? Denk aan Calvijn, die de katholiciteit heel anders definieert dan jij nu doet. Voor hem is het (zie de Catechismus van Genève) de gemeenschap van de uitverkorenen. Dat is een kritisch begrip….
De Reuver: Katholiciteit is inderdaad een kritisch begrip. In de tijd van de Reformatie typeert de Heidelbergse Catechismus de kerk als gemeenschap van het ware geloof (antwoord 54 en 55). Tegenover Rome en de Dopersen was deze contextuele toespitsing toen noodzakelijk. Nu, in onze tijd van individualisering en met alle nadruk op ervaring, is het m.i. noodzakelijk om de kritische toevoeging van het Apostolicum weer volop te honoreren.

Maar de katholiciteit van de kerk is toch een geloofsartikel, geen werk-woord. Wordt van een geloofsartikel niet een programma gemaakt?
De Reuver:  Het lijkt me goed om geloofsartikel en werkwoord niet tegen elkaar uit te spelen. Het zijn geen concurrenten maar twee brandpunten van de ene ellips. Katholiciteit is gave en opgave. In deze volgorde. Ze bepaalt de kerk bij de volheid van Christus, het Hoofd der kerk en de Heer der wereld. Als voorwerp van geloof is ze een opgave waar aan moet worden gewerkt. Ze bepaalt de kerk als universele gemeenschap van gemeenten bij haar identiteit en maakt haar kritisch tegenover elke vorm van nationalisme, racisme, confessionalisme en vervlakking van identiteit.

Waarom dan geen auteur van buiten de Protestantse Kerk?
De Reuver: We hebben er bewust voor gekozen om een boek te schrijven dat meedoet in de bezinning op de identiteit van de Protestantse Kerk. Vandaar dat we mensen uit de hele breedte van deze kerk hebben benaderd. De enige uitzondering is dr. Van der Borght. Hij behoort tot de Protestantse Kerk van België.

In jullie boek klinkt een positieve waardering door voor oecumene in het spoor van de Wereldraad en de Rooms-Katholieke Kerk – met name voor alles wat de Oude Kerk ons aanreikt. Maar alles wat uit de evangelische hoek komt wordt erg zuinig bekeken. 'Lonken naar de evangelische en charismatische beweging' klinkt niet erg positief. Horen de evangelicals, neem de pinksterkerken in Afrika, volgens jullie dan niet bij de catholica?
Kronenburg: Ja zeker, ik schrijf in mijn inleiding dat de Geest meer pijlen op haar boog heeft dan alleen de geïnstitutionaliseerde kerken. In een kerk die het woord ‘katholiek’ in haar credo heeft staan dient ook ruimte te zijn voor de subjectiviteit van de geloofservaring en de charismatische werking van de Geest: denk aan de migrantenkerken – daar valt veel van te leren! Als we maar niet vergeten dat de Geest ook werkzaam wil zijn in de geloofstraditie, het instituut, het sacrament en het ambt.
De Reuver: We hebben daarom bewust Wout van Laar gevraagd het hoofdstuk te schrijven over katholiciteit en zending. Als secretaris van de Zendingsraad kent hij de evangelicale beweging wereldwijd als geen ander.

Zijn bijdrage is buitengewoon kritisch. Hij legt een bom onder al die rapporten van de Wereldraad van Kerken met hun prachtige volzinnen. Hoe reageren jullie daarop?
Kronenburg: Dat was inderdaad wel de meest kritische bijdrage in het boek… Maar vergeet ook niet dat de ‘officiële’ oecumene de laatste tijd steeds meer oog krijgt voor de niet-institutionele stromingen binnen de christenheid. Denk maar aan het door de Wereldraad opgerichte Global Christian Forum, waarin ook de evangelicals en de pinksterkerken meedoen.

Is bijvoorbeeld niet juist het missionaire een element in die katholiciteit, dat door de evangelicals veel serieuzer wordt genomen?
De Reuver: Ik weet dit niet. Het is helder dat evangelicals missionair zijn ingesteld. Groei speelt bij hen een grote rol. Alleen valt het mij wel op dat deze groei sterk gericht is op vergroting van wat er al is. Het ‘Kom ga met ons en doe als wij’, hoor ik bij hen nogal eens als ‘kom ga met ons en word als wij’.  Bovendien gaat men in alle missionaire ijver vaak voorbij aan al bestaande kerken. Van katholiciteit is dan niet veel meer over.
Kronenburg: Je moet in elk geval zeggen dat de evangelicals de zending hoog in het vaandel hebben, maar het katholiek gehalte van hun ecclesiologie is vaak heel zwak: als ik lees dat allerlei missionarissen ‘kerken gaan planten’, betreft het meestal losstaande groepen, zonder ambtelijke structuur en zonder inbedding in een landelijk verband. En dan denk ik: hoe lang zullen die groepen het uithouden, voordat ze uit elkaar vallen? En wat hebben ze dan bijgedragen aan de broodnodige vernieuwing van de bestaande kerken? Komen we zo niet terecht in Amerikaanse toestanden: een eindeloze veelheid van kerken en groepen, allemaal met een eigen ‘boodschap’?

Jullie zijn nogal kritisch over de gemeente. Er lijkt in het boek een tegenstelling te zijn tussen katholiek en de nadruk op de plaatselijke gemeente. Maar het hart van het kerk zijn klopt toch waar de gemeente samenkomt rondom Woord en Sacrament, waar mensen worden gedoopt en tot geloof komen?
Kronenburg: Ja, natuurlijk, in de plaatselijke gemeente krijgt de katholieke kerk gestalte. Dat is goed reformatorisch. Maar de gemeente valt niet samen met de katholieke kerk, ze gaat er niet in op. Even wezenlijk is de universele gestalte van de kerk. Er is altijd een spanning tussen gemeente en kerk, tussen het locale aspect van de kerk en het universele. Je mag ze niet tegen elkaar uitspelen, door bij voorbeeld te zeggen: het ene is typisch protestants en het andere is typisch rooms. Het zijn twee dimensie van één en dezelfde kerk, je moet ze bij elkaar houden. De dialoogcommissie Reformatie-Catholica heeft daar in 2003 een mooi document over gepubliceerd ‘De universele en de lokale dimensie van de kerk’. Daar valt veel van te leren voor een kerk als de Protestantse Kerk, waarin de plaatselijke gemeente bijna sacrosanct is geworden. Maar helaas is dit rapport nog steeds niet door de synode besproken…

Maar wordt dan de gemeente een onderafdeling van de kerk?
De Reuver: Volgens onze kerkorde bestaat de Protestantse Kerk uit gemeenten. Deze gemeenten tezamen vormen dus de kerk. Een gemeente is daarom wel volledig kerk, maar niet de totale kerk.
De relatie tussen verschillende (wijk)gemeenten is volgens onze kerkorde wel heel dun. Ze bestaat eruit dat (wijk)gemeenten elkaar moeten informeren over hun plannen. Dit is samen kerk zijn als wijkgemeenten binnen eenzelfde kerk op anorexia formaat. Wat is hier nog zichtbaar van het geloof in een katholieke kerk?

Wat had je dan gewild? Moeten wijkgemeenten gedwongen worden tot samenwerking?
De Reuver:
Dwang heeft natuurlijk geen zin, zeker niet van ‘bovenaf’. Het gaat mij om het besef van het samen kerk zijn. De Kerkorde heeft dit op dit punt te gemakkelijk opgegeven.

Die nadruk op de plaatselijke gemeente is toch ook te begrijpen en te verdedigen? Eeuwenlang hoorde men bij de gemeente omdat men er woonde. Nu ligt de nadruk meer op de Koinonia (gemeenschap). Dat is toch een legitiem aspect?
Kronenburg:
Zeker, Van Ruler zei al: de plaatselijke kerk is compleet kerk: daar zijn alle ambten, alle sacramenten, de hele genade. Maar hij zei ook: die vele gemeenten behoren bijeen en zijn één geheel, ze zijn wel zelfstandig, maar niet autonoom. Terecht (maar tot verdriet van congregationalistisch denkende gemeenten) spreekt de kerkorde van de PKN dan ook nergens over ‘de autonomie van de plaatselijke gemeente’. 

Om het punt van de liturgie aan te snijden: het Dienstboek werkt met twee sporen erediensten A en B. Dat is toch ook een poging om enerzijds die ruimte te scheppen, zonder dat anderzijds die sporen werkelijk samengaan? Terzijde: er wordt gesproken over een katholiek-oecumenische en een gereformeerde orde van dienst. Verdient alleen de vierende orde het predicaat katholiek, is een gereformeerde (lerende) orde niet katholiek?
Kronenburg:
Hans Uytenbogaardt laat in ons boek heel mooi zien - overigens in het spoor van de hervormd-gereformeerde theoloog H. Jonker! - dat de gereformeerde liturgie slechts beoogde een correctie aan te brengen op de rooms-katholieke liturgie, een correctie die noodzakelijk was om de weg weer vrij te maken voor aansluiting bij de Vroege Kerk. Daarmee is gezegd dat de gereformeerde liturgie verstaan wil zijn niet als vervanging van, maar als moment in de katholieke liturgische traditie. En de oecumenische uitdaging van het Dienstboek is natuurlijk dat het die twee tradities met elkaar in gesprek wil brengen. 
De Reuver: Katholiciteit is niet: laat alle bloemen maar groeien. In Boskoop zijn er veel hoveniers. Van hen leer ik dat een tuin aan allerlei criteria moet voldoen wil het als tuin verantwoord zijn. Zo zie ik dit ook ten aanzien van de liturgie van de gemeenten. Het gaat niet aan dat elke gemeente doet ‘wat goed is in haar eigen ogen’, maar om een liturgie die zich verantwoordt ten opzicht van de lange traditie van de kerk. Met een variatie op het artikel van A. van de Beek in ons boek: de context zorgt voor de vorm, de eenheid voor de norm.

Jullie zijn nogal kritisch over de Doleantie. Is jullie boek niet een ontzettend hervormd boek?
Kronenburg:
We hadden een promovendidag op de VU en daar ben ik er door Kees van der Kooi ook op aangesproken. Hij vroeg waarom Kuyper ontbrak in de galerij van vijftien katholiek denkende theologen, in tegenstelling tot H. Bavinck die we wel hadden opgenomen. Maar een scheurmaker, iemand die bewust op een schisma afkoerst kun je toch niet katholiek noemen? We hebben toch van Augustinus geleerd dat schismatici per definitie on-katholiek zijn? Kuyper heeft nooit geleden onder de scheuring die de Doleantie veroorzaakt heeft, Bavinck, een kind van de Afscheiding, wel. Zijn denken is helemaal gestempeld door het verlangen naar katholiciteit. Lees alleen maar zijn beroemde rede over ‘De katholiciteit van christendom en kerk’ uit 1888, nota bene twee jaar na de Doleantie. 

Nog even over de classis. Is dit niet de katholieke kerkvergadering bij uitstek?
De Reuver:
Zo zou het wel moeten zijn, ja. De werkelijkheid is helaas vaak anders. In mijn jaren als preses van de classis Alphen aan den Rijn heb ik gezien dat de vergaderingen altijd weer werden afgemeten aan de vraag: wat heb ik en wat heeft mijn gemeente hieraan? Het beleven van het regionaal samen kerk zijn in deze vergadering is niet sterk. De structuur van een vergadering doet hier ook geen goed aan. We houden niet meer van vergaderingen. Bovendien  is een vergadering om zaken te regelen. En dat is niet het hoofddoel van een classicale vergadering. Er moet daarom gezocht worden naar betere vormen om katholiciteit in de classis vorm te geven.

Hoe zou het ambt daar een rol in kunnen spelen?
Kronenburg:
Naar mijn inzicht zou het ons katholiciteitsbesef enorm ten goede komen als we in de PKN eindelijk eens serieus gingen nadenken over de betekenis van het bisschopsambt. Daarbij denk ik niet aan de roomse prelaat, maar  aan de bisschop zoals die in de Vroege Kerk functioneerde. Het is toch opmerkelijk dat het woord ‘katholiek’ voor het eerst gebruikt wordt door Ignatius van Antiochië (ongeveer 100 na. Chr) en dan in verband met de bisschop! De bisschop – en dat is bij Ignatius in feite de voorganger van de plaatselijke kerk - is voor hem een teken van eenheid, hij verwijst in zijn doen en laten naar het Hoofd der kerk, Christus. Daarom, zegt Ignatius, moet je als gemeente in de buurt van de bisschop blijven, want dan blijf je ook bij Christus. Dat besef zijn wij als protestanten kwijtgeraakt, met alle desastreuze gevolgen van dien.
De Reuver: Nog niet zo lang geleden heeft dr. Reeling Brouwer in een verhaal voor predikanten en kerkelijk werkers gewezen op een katholieke aspect van het ambt van predikant. Dit ambt is namelijk niet aan een gemeente maar aan de kerk gebonden. Het is principieel bovenplaatselijk. In de bezinning op de predikant en de kerkelijk werker mag dit katholieke element van het predikantschap niet ondersneeuwen. Het lijkt me onmisbaar om het ambt overeind te houden.

We leven in een tijd van oneliners. Hebben jullie nog een uitsmijter tot slot?
Kronenburg:
Ik hoop dat onze gemeentes vasthouden dat ze kerk zijn op het kruispunt van alle tijden en alle plaatsen. Want, zoals  Paulus zo mooi zegt: alleen ‘samen met alle heiligen’ zullen we de lengte en breedte, de hoogte en diepte van de liefde van Christus kunnen vatten.
De Reuver: Plaatselijke gemeente: wees Kerk!

Noot:
Dr. J. Kronenburg, dr. R. de Reuver (eindred.), Wij zijn ook katholiek. Over protestantse katholiciteit, Protetantse Pers, Heerenveen 2007.

Afdrukken