nr2 • 2008 • Calvijn en onze omgang met de Bijbel

december 2008 (23e jaargang nr.2)

Calvijn en onze omgang met de Bijbel

Dr. W. de Greef

We weten weinig af van Calvijns bekering. In het woord vooraf van zijn commentaar op de Psalmen merkt hij slechts op dat het een bekering is die hem geheel onverwacht overkwam. God overweldigde zijn hart en bracht hem tot docilitas, tot de bereidheid om zich te laten onderrichten. Voortaan laat Calvijn zich leiden door wat God ons in zijn Woord te zeggen heeft.

Luisteren
Calvijn noemt de Bijbel de school van de ware wijsheid. Zoals leerlingen op school alleen iets opsteken als ze openstaan voor wat ze daar horen, zo moeten wij in onze omgang met de Bijbel bereid zijn ons te laten onderrichten. Dat zal ons moeite kosten. We moeten onze trots, namelijk het besef het te weten, afleggen en ootmoedig en klein worden. We moeten ons leven lang leerlingen blijven. Calvijn zegt van zichzelf ook dat hij een leerling is en dat ook moet blijven.
De Bijbel hebben we nodig om ware wijsheid te leren. Het betreft wijsheid die uitgaat boven kennis die we op andere terreinen verwerven kunnen, omdat de Bijbel ons bepaalt bij de relatie tussen God en ons. In de kennis van de ware wijsheid vinden we tevens het echte leven.
Voor onze omgang met de Bijbel is het belangrijk dat we verstaan dat God een God is die spreekt. Dat lijkt averechts te staan op de moderne opvatting, dat we in Bijbel te maken hebben met geschriften waarin mensen weergeven wat ze van God ervaren hebben. Het goddelijke en het menselijke aspect van de Bijbel moeten we echter niet tegen elkaar uitspelen.
Calvijn benadrukt dat God op een bijzondere manier tot ons spreekt. Als Hij overeenkomstig zijn natuur zou spreken, begrijpen we niet wat Hij ons zeggen wil. Maar God legt zijn majesteit als het ware af en past zich in zijn spreken bij ons aan, zoals een voedster dat doet die met een klein kind anders praat dan met een volwassene. God spreekt op een menselijke manier tot ons. Hij maakt niet alleen gebruik van mensen, maar Hij past zich ook in wat Hij zegt bij ons aan, bijvoorbeeld als Hij zegt dat Hij berouw heeft.
Omdat God ‘op menselijke wijze’ tot ons spreekt, legt Calvijn de Bijbel uit zoals hij te werk gegaan was bij het schrijven van zijn commentaar op een geschrift van de Romeinse wijsgeer Seneca. We kunnen daaruit leren dat we aandacht moeten hebben voor wat er staat, dat kennis van de oorspronkelijke talen, het Hebreeuws en het Grieks, niet gemist kan worden en dat de retorica goede diensten bewijst voor het begrijpen van wat de schrijver zeggen wil. Verder is, wat Calvijns exegetische methode betreft, belangrijk dat de teksten verstaan dienen te worden in het kader van hun historische context.

Oude èn Nieuwe Testament
Calvijn benadrukt de fundamentele betekenis van het Oude Testament. Hij wijst erop dat in het Nieuwe Testament met ‘de Schriften’ het Oude Testament bedoeld wordt. Het Oude Testament was toen de Bijbel, waarin alles te vinden was. Dat wil niet zeggen dat we het Nieuwe Testament niet nodig hebben. Calvijn gebruikt voor het Nieuwe Testament vaak het woord ‘Evangelie’ om het bijzondere karakter van het Nieuwe Testament te benadrukken. Daarin wordt ons immers verkondigd dat de door God beloofde Messias gekomen is.
Wat de taak van de Messias is, lezen we in het Oude Testament. Calvijn had met fanatiekelingen te maken die het Oude Testament overbodig vonden, omdat de waarheid van de hemelse wijsheid ons door Christus en de apostelen geopenbaard is. Maar de evangelisten, zegt Calvijn, waren helemaal niet van plan door hun geschriften de Wet en de Profeten af te schaffen. Het is eerder zo dat zij Christus met de vinger aanwijzen en ons aansporen om van hem alles te verwachten wat hem in de Wet en de Profeten toegeschreven wordt. Daarom zal het lezen van het Evangelie pas dan nuttig zijn en vrucht dragen als we leren het Evangelie met de oude beloften te verbinden.
Als we tot ons door laten dringen wat Calvijn ons over de relatie van het Oude en het Nieuwe Testament zeggen wil, beseffen we des te meer dat het niet goed is het Nieuwe Testament als een zelfstandig boek te verspreiden. En een Schriftlezing uit het Oude Testament mag in een kerkdienst toch ook niet ontbreken. En hoe staat het met de prediking uit het Oude Testament? Petrus schrijft immers dat de profeten met het oog op ons gesproken hebben (1 Petrus 1:12). Calvijn bracht dat in praktijk door op doordeweekse dagen in lectio continua uit het Oude Testament te preken. Tweehonderd preken over Deuteronomium bijvoorbeeld! In een van zijn preken wekt hij de gemeente op om thans, na de komst van Christus, het Oude Testament met aandacht te lezen in vergelijking met het Nieuwe Testament. Het Oude Testament bevestigt het Nieuwe Testament. Dat is van betekenis voor ons geloof.

Wat Calvijn over de relatie van het Oude en het Nieuwe Testament zegt, is eveneens van betekenis voor het verstaan van onszelf als kerk. We hebben als kerk geen zelfstandige positie. Gods omgang met Israël breidt zich na Jezus’ hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest uit naar de volkeren. Als christenen uit de heidenen mogen we met Israël deelhebben aan heil dat God beloofd heeft.
Calvijn kan zich, vanwege de bijzondere betekenis van Jezus Christus, buitengewoon kritisch over Joden uitlaten. Toch stemt hij met Paulus in dat God trouw is ten opzichte van Israël. Het houdt voor hem niet in dat Israël als volk en Kanaän als het beloofde land, een rol blijven spelen in Gods handelen. De Joden zijn en blijven echter wel de eerstgeborenen in het huisgezin van God.

Uitleg Oude Testament
In Calvijns uitleg van de Bijbel is duidelijk te merken dat het Oude Testament van grote betekenis is. Gods omgang met Abraham en Israël wordt serieus genomen. Gebeurt dat ook in ons verstaan van het Oude Testament?
In 1 Korintiërs 10:11 gebruikt Paulus voor wat Israël overkomen is het woord ‘voorbeelden’. Wat er in Gods omgang met Israël gebeurde, werd door sommigen, zegt Calvijn, slechts verstaan als beelden van wat later na de komst van Christus werkelijkheid zou worden. Calvijn bestrijdt die opvatting, omdat wat er destijds gebeurde, uitgehold werd tot een zinloos schouwspel. Dit is buitengewoon verderfelijke onzin, zegt hij, waarmee men de heilige vaderen, en in nog veel grotere mate God gruwelijk onrecht aandoet. Israël, zegt hij, was op die manier beeld van de christelijke kerk, dat het zelf ook echt kerk was. Het houdt onder andere in dat Gods beloften aan Israël het evangelie zodanig afschaduwden dat ze ook het evangelie bevatten.
In het verleden heeft men Calvijn, wat zijn uitleg van het Oude Testament betreft, van ‘judaïsering’ beschuldigt. Teksten die door christelijke exegeten rechtstreeks op Jezus Christus betrokken werden, dienden immers volgens hem in eerste instantie in de concrete, historische context verstaan te worden om ons niet tegenover de Joden belachelijk te maken (comm. Psalm 72). In onze tijd wordt Calvijns uitleg van het Oude Testament soms samengevat in de opmerking dat hij het Oude Testament geen zelfstandige plaats gaf, maar het nieuwtestamentisch heeft uitgelegd. Maar we kunnen er toch niet omheen, zoals Calvijn ook telkens laat zien, dat beide testamenten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn? Hij laat zich in zijn uitleg van het Oude Testament leiden door verbindingslijnen die de Bijbel zelf aanreikt. Hierbij denk ik onder andere aan David die als koning beeld is van Jezus Christus, de Zoon van David, en aan de profeten die met oog op ons gesproken hebben (1 Petr. 1:10-12).

Calvijn benadrukt dat het in het Oude en het Nieuwe Testament over dezelfde God gaat, namelijk de God van Abraham die de God en Vader van Jezus Christus is. Dat kon Abraham niet weten, zoals het ons bekend gemaakt is. Wij kijken immers terug vanuit het Nieuwe Testament naar het Oude Testament. We hebben daarom ook meer zicht op Gods handelen in de geschiedenis. God blijft in zijn omgang met mensen dezelfde. Hij is de God van het verbond dat zijn fundament heeft in Jezus Christus. Hij is genadig en trouw. Het komt erop aan in vertrouwen op God en in gehoorzaamheid aan hem te leven, gericht op zijn toekomst.

Dat die toekomst de ganse schepping omvat, verkondigen de profeten in hun beloften. Calvijn verliest dat niet uit het oog. Dat merken we niet zozeer in de Institutie, maar wel in zijn uitleg van de profeten. Wat dat betreft wijs ik vooral op zijn uitleg van Jesaja. In het vernieuwende werk van Christus wordt de ganse schepping betrokken (zie bv. comm. Jes. 11:6-7; 65:17 en 25; 66:22). Jezus Christus brengt het herstel van alle dingen (comm. Hand 3:21). Het rijk van Christus omvat uiteindelijk ook de vernieuwing van hemel en aarde.
Calvijn geeft hoog op van de betekenis van Jezus Christus. We moeten in de Bijbel Christus zoeken. Wat de uitleg van het Oude Testament betreft, houdt dat niet in dat we in elk bijbelgedeelte op een of andere manier Christus moeten vinden. In de meeste preken over het Oude Testament heeft Calvijn het nauwelijks over Jezus Christus. Dat geldt bijvoorbeeld zijn 22 preken over Psalm 119. Het accent valt op God als Vader en Redder die er in zijn liefde op uit is ons voor zich te winnen, opdat we echt leven. Het spreekt voor Calvijn vanzelf dat die God de God en Vader van Jezus Christus is.

Bijbels theoloog
Velen kennen Calvijn alleen vanwege de Institutie. Hij werd ook wel de man van één boek genoemd. De Institutie schreef Calvijn echter als een hulpmiddel voor het verstaan van de Bijbel. Het ene boek waar het Calvijn zelf om ging was de Bijbel. Wat heeft hij een tijd en een energie besteed aan de uitleg van de Bijbel.
Calvijn was geen dogmaticus, maar een bijbels theoloog die voortdurend bezig was de Bijbel uit te leggen. Hij schreef in 1539 in een brief aan Grynaeus, in verband met de publicatie van zijn commentaar op de Romeinenbrief, dat geen enkele exegeet van God de gave heeft ontvangen om in alle dingen een volmaakt inzicht te hebben. Hij voegt eraan toe dat dit ons bescheiden moet maken. Hij is zich dat ook steeds bewust als hij in zijn commentaren de Bijbel uitlegt. Hij vermeldt vaak de verklaring van andere exegeten, vrijwel altijd zonder hen bij name te noemen. Hij heeft het over Joodse exegeten en christelijke exegeten. Hij verantwoordt zijn uitleg van de teksten, maar geeft ook meer dan eens de ruimte voor een andere verklaring van de tekst.

Het lijkt me belangrijk wat Calvijn en zijn uitleg van de Bijbel betreft te letten op de lijnen die hij trekt. Ik meen in het voorafgaande voldoende stof aangereikt te hebben om over na te denken. We kunnen er onze winst mee doen.

Dr. W. de Greef is emeritus predikant (PKN) te Leusden

 

Afdrukken