nr5 • 2009 • De psyche van de hoorder: twee preekervaringen

juni 2009 (23e jaargang nr. 5)

De psyche van de hoorder
Twee preekervaringen ter introductie

drs. W. Dekker

De psyche van de hoorder is een onderwerp dat in de tijd waarin ik theologie studeerde onder orthodoxe studenten volstrekt niet aan de orde was. Zoveel jaren later ben ik daar eigenlijk verwonderd over. Zo vanzelfsprekend als het toen was om dit onderwerp niet te thematiseren, zo vanzelfsprekend lijkt het mij nu om het wel te doen. Onderweg moet er iets gebeurd zijn, zo merk ik wanneer ik preken van mezelf uit vroeger tijd doorlees.
Ik heb bijvoorbeeld twee keer een preek gemaakt over Johannes 8:1-11, het verhaal van Jezus en de vrouw die overspel pleegde. Het verschil tussen die twee preken wil ik verder op in dit artikel aan de orde stellen. Maar ik begin met een heel recente ervaring.
Onlangs was het weer moederdag. Deze dag staat niet op de kerkelijke kalender. Daarom kan men in de kerk net doen alsof er niets aan de hand is. Men kan als predikant zelfs bewust dit gegeven van moederdag negeren of er negatief op reageren, omdat het een vooral door de commercie gestimuleerd gebeuren behelst of de zondagsviering onder druk zet. In elk geval is in mijn waarneming op die dag de middag- of avonddienst meestal aanmerkelijk slechter bezet dan anders.

Preken op moederdag
De laatste jaren kan ik er echter zo niet meer mee omgaan. Dat komt omdat ik meer rekening ben gaan houden met de psyche van de hoorder. Vooral wanneer ik voorga in een gemeente met veel gezinnen ben ik me ervan bewust, dat de ochtend voor velen anders begonnen is dan gewoonlijk. Kinderen hebben hun zelf gemaakte tekeningen aan moeder gegeven, ze heeft een ontbijt op bed gehad en na de kerkdienst zullen oudere kinderen op bezoek komen. Het lijkt me niet goed dit te negeren en te preken over de openbaring van Jezus aan de zee van Tiberias, alsof ik ervan uit kan gaan dat de interesse nu zomaar bij dit onderwerp ligt.
Ik preek dus die zondag over een tekst, die aansluit bij datgene waar de psyche van de hoorder deze ochtend ongeveer zit. Dit jaar koos ik Jesaja 49:14,15. Daar staat onder andere: ’Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet zou ontfermen over de zoon van haar schoot? Zelfs al zou deze vergeten, zo zal Ik toch u niet vergeten’. Het voordeel is dat je door zo aan te sluiten bij de context en de psyche van de hoorder meteen op interesse voor je preek kunt rekenen. Tegelijk moet je je er goed van bewust zijn, dat je juist door deze aansluiting ook terecht komt op een terrein vol voetangels en klemmen.
Een prachtig beeld wordt in de tekst opgeroepen. Maar hoe meer je dit beeld gaat schilderen hoe groter de kans dat het voor sommige mensen pijnlijk wordt. Niet alleen voor kinderen, maar soms ook nog voor heel oude mensen. Nooit vergeet ik het gesprek met een mevrouw van diep in de zeventig, die me vertelde dat ze een zo geheten ‘voorkind’ was en dat ze de miskenning van haar bestaan die daarmee gepaard was gegaan nooit te boven was gekomen.
Deze zondagochtend ga ik ook nog in op de gebeurtenissen van de afgelopen koninginnedag, omdat ik zojuist het gesprek gelezen had met de ouders van Karst T. De ontferming van een moeder zelfs wanneer je zoon zoiets doet. Juist wanneer je zoon zoiets doet. De ontferming van God, die ons tot in de waanzin en over de rand daarvan liefheeft en ons nooit laat vallen. ‘Aangezien wij een eeuwig verbond der genade met God hebben.’
Na afloop van de dienst konden de mensen mij een hand geven. Verschillende mensen zeiden iets waaruit hun emotie bleek. Vaak enkele woorden, waarachter je een heel levensverhaal 1vermoedt. Eén vrouw liep echter met een zeer strak gezicht langs me heen, haar uiterste best doende me niet te hoeven aankijken. Wat zou er met die mevrouw gebeurd zijn onder de dienst? Als ik een eigen gemeente had en ze behoorde bij mijn gemeente, zou ik haar zeker de volgende ochtend opgebeld hebben om ernaar te vragen.
Conclusie: wie denkt geen rekening te hoeven houden met de psyche van de hoorder door op moederdag te doen alsof het geen moederdag is, bevordert een docetische manier van preken en verkondigen, bevordert de fatale scheiding tussen geloven en dagelijks leven. Wie wel rekening houdt met de psyche van de hoorder door aansluiting te zoeken, moet weten dat juist deze aansluiting heel riskant is. Elk woord moet zorgvuldig worden afgewogen, pijn moet worden benoemd, voorbeden moeten erop worden afgestemd.

Jezus en de overspelige vrouw
Ooit maakte ik een heel mooie preek over Johannes 8:1-11. Het thema had kunnen luiden: een rijke Christus voor een arme zondaar. Wat ik daarover zei in die preek heeft nog steeds mijn instemming. Jezus neemt geen loopje met de wet door te zeggen: het maakt niet uit wat je doet. Jezus neemt de wet serieus. Toch veroordeelt Hij de vrouw niet, maar Hij laat de stenen, die voor haar bestemd waren op zichzelf neer komen.’Zij namen dan stenen op, die zij op Hem wierpen’ (Joh. 8:59).
Een aantal jaren later zou ik er weer over preken. Maar ik ontdekte dat ik het zoals ik het toen gedaan had absoluut niet meer kon. Ik dacht: ik heb precies gedaan in die preek wat ik de Farizeeërs in die preek verwijt: ze behandelen deze vrouw als een ‘geval’ ten einde hun eigen theologie overeind te houden. Het verhaal over deze vrouw heb ik als een illustratie gebruikt voor mijn thema: zonde en genade. En opeens had ik de overtuiging: dit is absoluut niet goed. Hoe wil je nu toch over zo’n verhaal preken wanneer je totaal niet de psychologie van een vrouw, die in de mannenwereld van die tijd overspel pleegt, erin betrekt en de psychologie van deze mannen die zich op geen moment afvragen waar de overspelige man is. Op heterdaad betrapt. Dus de man hebben ze ook gezien. Waar is die man? En dan de psychologie van het slotvers: ‘Ga heen en zondig niet meer’. Zou dat meegevallen zijn?
Voor de realiteit van deze laatste vraag opende Michel van der Plas mijn ogen in een aangrijpend gedicht naar aanleiding van dit verhaal.1 Het is te lang om hier helemaal te citeren. Het volgende kan voldoende zijn:
Laat me uitpraten alstublieft, en spaar me uw ogen.
Nu geen jakhals meer jouwt, laat me uitpraten. Toen moest ik zwijgen
tot uw hoge woord eruit kwam. Vandaag kan ik rechtstaan
(dus spaar me uw ogen) in wat me nog rest van mijn eer.
O Heer, ik heb alles gedaan: ik ben gegaan en
ik zondig niet meer.

Ik maak het goed. U hoeft het me niet te vragen,
er wordt nooit meer over gepraat. En kijk deze ring eens.
We maken in het najaar een boottocht naar Kreta.
Ik weet niet waaraan ik zoveel goedheid verdien.
U hoeft me niets te vragen: de vriend van vroeger
heb ik nooit meer gezien.

…… (in het verdere van het gedicht wordt het grauwe, keurige burgerlijke bestaan getekend met iemand, die geen passie in haar wakker roept en dan eindigt het gedicht als volgt):

Ik geloof dat ik slaap. Als ik wakker word zal het te laat zijn:
dan wandel ik zonder honger en zonder heimwee
in lanen van mist. O Heer. Ik geloof dat ik dood ben.
En als ik verrijs zal ik zonder geslacht zijn en doof.
Dan zal ik moeten zweven. Het is ontzettend.
O Heer, ik geloof.

Dat werd dus een andere preek, een preek over passie, de grenzen van de passie en dat niet zondigen gemakkelijker gezegd dan gedaan is. Ook over vergeving natuurlijk. Maar nu verbonden met een bloedechte vrouw, met wie het niet zo moeilijk is je te identificeren. Deze preek was aldus voor mijn gevoel veel beter geslaagd dan de vorige. Maar ik had onderschat welke reacties dit opriep. Opnieuw merkte ik hoe belangrijk het is levensecht te preken, hoe dicht je dan ook komt bij de psyche van de hoorder en dus bij de ‘echte’ hoorder, niet de modelgelovige die zij toch niet is. Anderzijds vraagt juist deze aanpak grote zorgvuldigheid. Naar mijn overtuiging echter is het winst dit spoor te gaan. De scheiding tussen geloven en leven heeft al genoeg mensen van de kerk vervreemd en anderen bevestigd in een soort dubbel leven: het geestelijke en het alledaagse.

Missionair
Wat heeft zo’n studiedag over de psyche van de hoorder nu te maken met een missionaire organisatie als de IZB, zo vroeg iemand. Alles dus. In de volgende bijdragen moge dit gaandeweg duidelijk worden. Laten predikanten wat hier geboden wordt gaan delen met hun gemeenteleden en omgekeerd. Dat verlangen kwam op de studiedag heel sterk naar voren. Predikant en gemeenteleden staan immers samen in de roeping te laten zien hoe de God van de bijbel alles te maken heeft met ons concrete bestaan in de eenentwintigste eeuw.

Noot:

1 Michel van der Plas, 'De overspelige vrouw' in: Vreemdeling op doortocht. Een keuze uit zijn religieuze poëzie, Baarn 2002. Van der Plas volgt hier een hem vertrouwd procédé. Hij arrangeert nog eens een ontmoeting vele jaren later, met een terugblik.

Afdrukken