nr6 • 2015 • Het Oude Testament christologisch aangepast?

29e jaargang nr. 6 (juli 2015)
thema: Een lichtkring om het kruis

Het Oude Testament christologisch aangepast?
Interview met dr. E. Talstra
A. Markus

Van de Beek wil de schepping en de leer van de schepping helemaal bezien vanuit Jezus Christus. Daarom wil hij ook het Oude Testament lezen vanuit Christus. Maar gaat Van de Beek niet te ver in zijn christologische lezing van het Oude Testament? Is wat hij doet niet veel meer dan ‘lezen’, is het geen aanpassen en herschrijven van teksten uit het Oude Testament, zodat ze passen in zijn lezing vanuit Christus?
Dat was een belangrijke vraag die prof. Eep Talstra inbracht als oudtestamenticus op de studiedag. In dit interview wordt Talstra gevraagd deze vraag in reactie op het boek van Van de Beek nog een keer voor de lezers van Kontekstueel uiteen te zetten.

Wat is uw leeservaring als oudtestamenticus met het nieuwste boek van Van de Beek over de scheppingsleer?

Op het eerste gezicht leken de bemoedigingen voor een oudtestamenticus niet talrijk. Op p. 498 lees ik als oudtestamenticus dat “... heel het Oude Testament tot de schaduwen behoort.” (Terzijde, de Nieuwtestamentische teksten waarin het gaat over schaduw en voorafschaduwing, zoals Hebr. 10:1 en 2 Kor. 3 en 4, gaan over de Tora en de Sabbat, niet over het hele testament, zou ik zeggen.) Twintig jaar lesgeven over het Oude Testament is, naar nu blijkt, alleen over schaduwen gegaan… Maar gelukkig staat er in het boek ook nog een hoofdstukje over ‘De bijbel is lastiger dan je denkt’ (§ 4.5.2), dus daar houd ik me dan maar aan vast.
Van de Beek lezen doet een beetje denken aan het bijwonen van een uitvoering van de Johannes Passion van Bach. Het thema van het lijden van Jezus Christus brengt heel verschillende Bijbelteksten bijeen. Bijvoorbeeld, het openingskoor citeert Psalm 8 via de weergave in Hebreeën 1: Herr, unser Herrscher, dessen Ruhm in allen Landen herrlich ist! (Psalm 8:1). Zeig' uns durch deine Passion (Hebr. 1:9,10) daß du, der wahre Gottessohn, (Psalm 2:7, Hebr. 1:5) zu aller Zeit, auch in der größten Niedrigkeit, (Psalm 8:6, Hebr. 1:7) verherrlicht worden bist (Psalm 8:6, Hebr. 1:7).

Bent u van mening dat het christologisch lezen van teksten uit het Oude Testament niet kan? Of vindt u dat Bach en Van de Beek te ver gaan in hun lezen vanuit Jezus Christus?

Ik ben het eens met een theologie die het moderne debat over God weer laat terugkeren naar een debat over Gods presentie en daarbij ‘onbekommerd’ over Jezus Christus spreekt als fundament van ons bestaan. Maar de vraag voor een oudtestamenticus (en de bijbelwetenschap in het algemeen) is: kunnen we die stap naar het spreken over Jezus Christus alleen maken wanneer we de bijbelteksten hun eigen geschiedenis afnemen en ze allemaal als teksten ‘met het oog op’ Jezus lezen? Zeker, wij lezen het Oude Testament niet als oorspronkelijke geadresseerden, maar we doen dat omdat we Jezus Christus hebben leren kennen, via de schrijvers van het Nieuwe Testament en via de liturgie van de kerk (zoals bij Bach). Maar heeft God dan blijkens de teksten geen geschiedenis met Israël en met ons, zijn mensen? Het risico blijft dat we ons geloof in de teksten inbouwen. Mijn vraag is dus: moet je dat christologische als het ware afdwingen door bewust christologisch Bijbellezen en eventueel Bijbelteksten zelfs te herschrijven (zoals ook het Nieuwe Testament doet)?

Het Nieuwe Testament kan niet als voorbeeld en richtsnoer dienen in haar christologische lezen van het Oude Testament voor ons theologisch nadenken over bijvoorbeeld ‘de schepping’?

Mijns inziens is het belangrijk om in te zien dat lezen in christologisch perspectief geen exegese is, maar homiletiek of liturgie. Nu is het zo dat de Bijbelteksten zijn ontstaan in een lang groeiproces van geloof, liturgie en ervaring. Die aard van de Bijbelteksten moeten we historisch-kritisch onthullen én ook respecteren als de wezenlijke aard van de teksten. Zo immers heeft de bijbel ons bereikt, zo sprak en spreekt God met ons. Dus in de exegese kom je de homiletiek en de liturgie weer tegen als motor van de processen van tekstoverlevering. Daarmee hoort ook het christologisch perspectief en het christologisch herlezen, zoals bepaalde nieuwtestamentische boeken dat doen, wel tot onze gegevens, maar niet tot onze exegetische methoden. Christologisch lezen en herlezen kan naar mijn mening in theologisch nadenken, bijvoorbeeld over de scheppingsleer, niet zomaar als Schriftuurlijk argument gebruikt worden.

Kunt u een voorbeeld geven van een exegetisch argument van Van de Beek, waarvan u als Bijbelwetenschapper vindt dat het te veel christologisch herlezen is, in plaats van juiste exegese?

Ik zal twee voorbeelden geven: Psalm 96:10 en Openbaring 13:8.

Van de Beek gebruikt met enige regelmaat de uitdrukking ‘Hij die regeert vanaf het hout’ om te verwijzen naar de aard van Jezus’ koningschap (zie p. 255 e.v. noot 112, en p. 405, p. 449 cf. p. 19). ‘Hij die regeert vanaf het hout’ is een citaat van Psalm 96:10, maar dan niet in de Hebreeuwse tekst, maar in een uitzonderlijke variant in de Griekse vertalingen. De Hebreeuwse vertaling wordt door Nederlandse vertalingen gevolgd, zoals de NBG '51: “Zegt onder de volken: De Here is Koning, vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt”. Terwijl de Griekse variant dus luidt: “Zegt onder de volken: God regeert, vanaf het (kruis)hout’ vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt.”
Van de Beek laat zien (in zijn God doet recht uit 2008, p. 164, noot 105) dat de zinsnede: ‘de Heer heerst vanaf het hout’ al staat bij veel vroegere kerkvaders, bijvoorbeeld Justinus en Tertullianus. Aangezien Justinus de variant gebruikt als bewijsplaats, moet de versie bij hem al canoniek gezag hebben gehad. Volgens Justianus (Trypho 73) hebben de Joden de zinsnede weggelaten. Echter volgens moderne onderzoekers is het juist een vroege christelijke interpolatie. ‘God regeert, vanaf het hout’ is dus een christelijke aanpassing van Psalm 96:10.
De zinsnede is nog steeds aanwezig in de liturgie via het Liedboek van de kerken: Lied 185. Dat is een Nederlandse bewerking van een vroegchristelijk Latijns kerklied, een hymne van de oudkerkelijke dichter Venantius Fortunatus (± 535 - 609).

1. Des konings vaandels gaan vooraan,                   
't geheim des kruises grijpt ons aan,                            
dat op het schandhout uitgespreid                             
de Schepper als een schepsel lijdt.                                

4. Wat David in zijn vrome lied
voorspeld heeft, dat is nu geschied.
Hij heeft de volkeren geleerd
dat God vanaf het hout regeert.

Nu weer in nieuwe Liedboek, 2013, Lied 572:4

Wat nu gebeurt zong David al,
Betrouwbaar klinkt de oude psalm.
Tot alle volken, roept het uit:
hoor, God regeert vanaf het kruis.

Waar het nu om gaat is dus dat de ‘voorspelling’ dat ‘God vanaf het kruishout regeert’, niet staat in de Hebreeuwse tekst, maar alleen in sommige Griekse handschriften met de vertaalde tekst van Psalm 96:10. Ook is Psalm 96 volgens het Oude Testament niet een ‘Psalm van David’.

Dat de oude kerk het Oude Testament zo gelezen heeft is een gegeven, maar heeft het wel zin om je voor de Bijbeluitleg binnen de dogmatiek te blijven beroepen op een zeer aanvechtbare aanpassing van een oudtestamentische tekst? Christologische lezing is één ding, maar christologische aanpassing is nog iets anders en kan in de dogmatiek moeilijk gelden als een beroep op de Schrift.

Het tweede voorbeeld betreft een andere centrale tekst in Van de Beeks scheppingsleer: ‘het lam dat geslacht is vanaf de grondlegging der wereld’. Van de Beek gebruikt deze zinswending als vertaling van Openbaring 13:8 regelmatig als kenmerk van Jezus’ presentie in de wereld (pp. 5, 28, 34, 94, 97, 98, 99, 315, 455). Het geldt voor hem als basis voor zijn Christologie van eeuwigheid her. Het Lam is geslacht en blijft geslacht worden tot de voleinding.
Hij geeft echter geen argumenten voor deze vertaling. Ik kom alleen een verwijzing naar Hebreeën 9:26 vinden (noot 142. p. 455): “Zie ook Hebreeën 9:26: als het offer van Christus niet eeuwig was had Hij vanaf de grondlegging der wereld dikwijls moeten lijden. Verzoening is nodig vanaf het begin van de wereldgeschiedenis.”
Mijns inziens gaat het in Hebr. 9:26 niet over ‘eeuwig’ (het woord wordt daar niet genoemd), maar over ‘eens en vooral’ tegenover ‘herhaaldelijk’. Dat lijkt mij iets anders dan de hele wereldgeschiedenis lang geslacht worden of geslacht zijn.
Het is echter de vraag of het zinsdeel ‘vanaf de grondlegging der wereld’ nu hoort bij ‘geslacht’ of bij ‘geschreven in het boek’?

Willibrordvertaling                                    Statenvertaling
Alle bewoners van de aarde                    En allen, die op de aarde wonen,
zullen hem aanbidden,                            zullen hetzelve aanbidden,
ieder wiens naam niet                             welker namen niet
van de grondlegging van de wereld af                          
geschreven staat in het boek des levens  zijn geschreven in het boek des levens,
van het lam dat geslacht is.                      des Lams, Dat geslacht is,
                                                                 van de grondlegging der wereld.

De Statenvertaling volgt (net als de NBG ‘51) de zinsbouw in het Grieks, maar heeft een komma ingevoegd tussen ‘geslacht is’ en ‘van de grondlegging der wereld’. Dat zal toch ook zijn om aan te geven dat deze twee zinsneden niet bij elkaar horen. ‘Van af de grondlegging der wereld’ hoort bij ‘geschreven staan in het boek des levens’, niet bij ‘geslacht’. Vergelijk Openbaring 17:8. In de Willibrordvertaling: “De bewoners van de aarde van wie de namen niet staan opgeschreven in het boek des levens van de grondlegging van de wereld af, zullen zich verbazen.” In de Statenvertaling “Die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld)”.

Ook als de vertaling bij Van de Beek correct zou zijn (wat moderne commentaren tegenspreken), dan is alsnog de vraag: betekent ‘geslacht van de grondlegging der wereld’ nu dat dit de status van het Lam blijft, de hele geschiedenis door? Wat moet ik me daar eigenlijk bij voorstellen? Bovendien, als alleen ‘het lam’ de boekrol mag openen, is hij dan niet tegelijkertijd ‘de leeuw van Juda’, die overwonnen heeft (zoals Van de Beek zelf benadrukt, p. 315)? Mijn vraag is daarom: heeft het wel zin om je voor de Bijbeluitleg binnen de dogmatiek te beroepen op een dubieuze (alleen traditionele, Latijnse) vertaling van een Nieuwtestamentische tekst? Over bijbel en christologie moeten we nog veel langer nadenken, maar vanuit de voorbeelden die ik gaf, moet ik wel concluderen: de teksten over ‘als geslacht van grondlegging’ en ‘vanaf het hout’ zijn niet overtuigend als argumenten voor de stelling dat ‘het Lam’ het centrum is van de schepping en de geschiedenis.

Ziet u zich als gelovige door de Bijbelwetenschap genoodzaakt om het Oude Testament niet christologisch te lezen, in tegenstelling tot hoe Van de Beek leest?

Dat lijkt me niet, maar we moeten wel het gesprek Dogmatiek en Bijbelwetenschap veel langer voortzetten. Wat ik waardeer aan Van de Beek is zijn intentie om een theologie te vinden die bewust verder gaat in zijn spreken over Jezus dan de gebruikelijke zingevingshermeneuten of de postmoderne goeroes van de individueel religieuze welness dat willen. Godsdienst gaat toch over God? Christelijk geloof gaat toch over Christus?

Dus ik wil in zijn probleemstellingen wel een heel eind mee gaan, zelfs als het Bijbellezen wel heel sterk christologisch wordt (als ik dat dan maar als homiletiek mag opvatten). Maar daarmee zijn de methodologische problemen rond de exegese niet van tafel. De eigenlijke vraag voor mij is hoe je met de historisch-kritische kennis van nu, het spreken over God en Christus opnieuw kunt leren, zonder de verplichting om feitelijk uitsluitend naar de kerkvaders en de klassieke liturgische teksten terug te moeten. Hun christologische exegese is voor ons niet een wetenschappelijke mogelijkheid van tekstanalyse. Maar je moet in feite wel opnieuw een christologische/christelijke homiletiek opbouwen, al was het alleen maar omdat we de Bijbel langs die lijn hebben ontvangen. In mijn optiek loopt er een rechte lijn van historisch-kritische bijbelwetenschap naar homiletiek.

Dus: voordat we over ‘schepping’ en ‘eeuwigheid’ spreken, moeten we langer bezig zijn met de tekst als tekst.

Kunt u Van de Beek ook volgen in zijn christologische visie op Gods scheppen en de voleinding?

Ik kan op grond van de exegese van het Oude Testament wel met zijn stelling van de tweedeling meegaan: er is oud en er is nieuw. Er is geen driedeling in de zin van een verloren paradijs – wereldgeschiedenis en Jezus als intermezzo - voleinding.
Alleen is het voor mij wel de vraag waarom christologisch lezen en de tweedeling automatisch bij elkaar zouden horen. Als er volgens zijn christologische lezing al voor de grondlegging der wereld fundamentele dingen gebeurden, namelijk het lam dat wordt voorbereid om geslacht te worden, hebben we dan toch niet opnieuw een driedeling? Nu met de schepping als intermezzo? Het lijkt er sterk op dat Van de Beek Jezus als een hoopvol intermezzo in de tijd, eenvoudig vervangt door de schepping als een pijnlijk intermezzo in de eeuwigheid.
Helpt dat voor ons als gelovigen nu? Als de bijbel het eerste model (de staat der rechtheid) niet ondersteunt, ondersteunt de bijbel dan wel het tweede model (de schepping is Christus’ lijden, met ons, tot aan de voleinding)? Vergt het geloof in Christus eigenlijk automatisch die waterscheiding tussen schepping en eeuwigheid, tussen lijden en overwinnen? Er zijn ook Bijbelteksten die niet het Lam als geslacht plaatsen tegenover de ‘oude’ hemel en aarde, maar die ‘het nieuwe’ zien gebeuren, alvast nu, in de geschiedenis. Dus niet vanuit een (door Van de Beek bestreden) optimistisch ontwikkelingsdenken, maar vanuit profetische hoop en vertrouwen.
Wat er ontbreekt bij Van de Beek, is de rust om allereerst analytisch om te gaan met de Bijbelteksten als antieke teksten. En wat me tijdens het lezen steeds weer opvalt is het feit dat Van de Beek duidelijke tegenstanders ziet voor zijn theologie. Is het soms zo, dat Van de Beek zijn theologisch front zodanig kiest, dat ook de bijbel gedwongen wordt zijn eigen geschiedenis te vergeten en systematisch-theologisch partij te kiezen?

Dr. Arjan Markus is predikant (PKN) in Rotterdam-Delfshaven en redacteur van Kontekstueel.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
dr. Eep Talstra is emeritus hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. 
 

Om dit nummer te bestellen, klik hier

 

 

 

Afdrukken