39e jaargang nr. 6 (november 2025)
thema: Neocalvinisme. Een (her)levende traditie
Koert van Bekkum
Neocalvinisme en de Bijbel
Een belemmerend of helpend perspectief?
Sinds een jaar of tien kent het Nederlandse neocalvinisme internationaal een ongekende opleving. Niet alleen in gereformeerde kringen in Noord-Amerika en Zuid-Afrika, maar ook onder presbyterianen in Groot-Brittannië, Zuid-Korea en Indonesië, bij Amerikaanse, Russischsprekende en Chinese baptisten, en onder charismatische christenen en presbyterianen in Brazilië. Naast het feit dat er vertalingen beschikbaar kwamen van het werk van Abraham Kuyper en Herman Bavinck had dit diverse andere oorzaken.
Neocalvinisme is orthodox maar toch modern, hecht grote waarde aan de bestudering van de Bijbel bij de vernieuwing van de dogmatiek en biedt christenen in een minderheidspositie een theologische legitimatie voor kritische participatie in de samenleving. Bovendien spreekt in een mondiale context de sterke theologische fascinatie van Kuyper en Bavinck met diversiteit in de schepping aan, zoals later ook uitgewerkt in de filosofie van Herman Dooyeweerd. Dit laatste punt is overigens complex, omdat het neocalvinisme met zijn wortels in de late negentiende eeuw ook is beïnvloed door kolonialisme en cultureel racisme. Desondanks vinden minderheden inspiratie in het geschapen zijn naar Gods beeld als een centraal element in Kuypers antropologie en zijn principieel pluralisme. Eerder was dit element ook al omarmd door de zwarte antiapartheidsactivist Allan Boesak.
Teleurstelling tussen 1878 en 1967
De vraag is of dit ook Nederlandse gelovigen in de gereformeerde traditie iets te zeggen zou moeten hebben. Wat heb je eraan dat Kuyper misschien piëtistischer en pessimistischer was dan vaak verondersteld en dat hij op het punt van cultureel racisme tegen zichzelf in gelezen kan worden? Wat betekent het dat Christus centraler staat bij Bavinck, en dichter bij Karl Barth, dan de concentratie op de schepping in het latere neocalvinisme doet vermoeden? Doet dat de negatieve invloed van deze theologie in Nederland teniet? Kuyper omarmde weliswaar de professionalisering van de moderne bijbelwetenschap, maar tegelijk creëerde hij vanaf 1878 bewust een kerkpolitiek conflict met J.H. Gunning en andere ethisch-gereformeerden. Dat maakte slachtoffers en bezorgde Kuyper een slechte naam. Bovendien zagen gereformeerde theologen buiten de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) hun beeld van een te rationalistische kijk op de Bijbel in het neocalvinisme in de loop van de jaren twintig bevestigd. Binnen de GKN liep een conflict over historiciteit hoog op, resulterend in de afzetting van de Amsterdamse predikant J.G. Geelkerken. De synode van Assen (1926) sprak zelfs uit dat naar de klaarblijkelijke bedoeling van Genesis 2 en 3 de slang en haar spreken in het paradijs zintuiglijk waarneembaar waren geweest. Volgens veel gereformeerden buiten de GKN deed zowel het proces als de uitspraak tekort aan de geestelijke betekenis van de Bijbel en verried deze een te groot vertrouwen in administratief handelen en rationeel redeneren.
Na de Tweede Wereldoorlog werd dit beeld verder bevestigd. De inspanningen van neocalvinistische bijbeluitleggers van de Vrije Universiteit te Amsterdam, de Theologische Hogeschool in Kampen en aan de Universiteit van Utrecht resulteerden in bijbelcommentaren die in veel pastorieën vruchtbaar werden gebruikt. Maar bij alle vakmatige kwaliteiten bleek ook dat deze uitleg belemmerd werd door de Asser besluiten en weinig inging op actuele kwesties in wetenschap en maatschappij. Alleen de Kamper nieuwtestamenticus Herman Ridderbos leek aan de malaise te ontsnappen. Intussen maakte zijn Amsterdamse collega Gerrit Cornelis Berkouwer duidelijk dat er voorbij Kuyper en Bavinck echt volgende stappen moesten worden gezet om aan de uitdagingen van de moderne tijd toe te komen. Dat gebeurde dan ook. In 1967 stelde de GKN-synode de besluiten van Assen 1926 terzijde. Opnieuw bestond bij andere gereformeerden het gevoelen dat niet zozeer geestelijke als wel rationele argumenten doorslaggevend waren. En sloeg de pendel nu niet wel erg drastisch de andere kant op?
Historische context
In dit licht is het begrijpelijk dat de neocalvinistische omgang met de Bijbel breed werd gezien als een schip op het strand, niet als een baken in zee. Wellicht helpend voor wie afkomstig is uit een milieu waarin biblicisme hoogtij viert en op zoek gaat naar een genuanceerdere kijk op de Bijbel en legitimatie van historisch onderzoek. Maar geen inspiratie om hedendaagse vragen aan te gaan.
Mijns inziens is dit toch te snel geoordeeld. De neocalvinistische benadering van bijbelwetenschap gaat namelijk allesbehalve op in Kuypers vroege antithetische stellingname en het empirisme van Assen. Dat blijkt ook uit hun historische context. De jaren zeventig van de negentiende eeuw waren de hoogtijdagen van het modernisme. En in de jaren tien en twintig van de twintigste eeuw kwamen pogingen om resultaten van historisch-kritisch onderzoek die als onontkoombaar werden beschouwd te integreren, wereldwijd onder verdenking te staan. De Pauselijke Bijbelcommissie deed veel striktere uitspraken dan voorheen over Genesis 1-3, het auteurschap van het boek Jesaja en het Evangelie van Johannes. In Tennessee in de Verenigde Staten vond het zogenaamde Scopes Monkey Trial plaats (1925), dat een eind maakte aan het onderwijs in menselijke evolutie op door de staat gefinancierde scholen. En de Nederduitse Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika beleefde ook een zogenaamde kerkstryd (1928–1932) over de gematigd positieve waardering van moderne bijbelwetenschap door Johannes du Plessis, hoogleraar aan de Kweekskool voor predikanten in Stellenbosch.
Dit roept de vraag op wat nu precies het nieuwe was aan de neocalvinistische omgang met de Bijbel. Een voorbeeld dat dit illustreert is de Schriftleer van Herman Bavinck en de manier waarop hij dat operationaliseerde in zijn omgang met het begin van Genesis.
Bavinck en het begin van Genesis
Net als Kuyper had Bavinck in Leiden het realisme en de wetenschappelijke interesse van de modernen leren waarderen. Bij ethische theologen sprak de nadruk op de religieuze ervaring hem aan en hij deelde hun weerstand tegen de moderne identificatie van God en de werkelijkheid op grond van empirisme en rationalisme. De vraag was alleen: kwamen God en geloof in het ethisch beginsel niet te veel los te staan van de concrete werkelijkheid? Waarom zou je alleen zeggen dat Gods Woord ‘in de Bijbel’ is, en openbaring vooral lokaliseren in relatie tussen Christus en de gelovige? In lijn met de gereformeerde traditie koos Bavinck er daarom voor om openbaring en Schrift nauw op elkaar te betrekken. Het intellect noch het geloof van de kerk garandeerde de kennis van God, maar alleen de openbaring. Door Christus en zijn bijzondere openbaring in de heilige Schrift komt God binnen in een door zonde van Hem vervreemde werkelijkheid.
Door openbaring, schepping en zonde nadrukkelijk met elkaar te verbinden, verwierp Bavinck de laatnegentiende-eeuwse dualismen van natuur en genade en rede en geloof, terwijl hij het probleem van de Verlichting herdefinieerde: niet God is het probleem, maar de mens die zich van God heeft vervreemd. Tegelijk gebruikte Bavinck de elementen van openbaring, Schrift en het getuigenis van de heilige Geest in een neokantiaans epistemologisch raamwerk dat het object van de inhoud van de heilige Schrift als de grond van het geloof en het subjectieve element van de zekerheid van het geloof met elkaar verbindt. Ten slotte creëert hij dynamiek door het menselijke en historische karakter van de Bijbel meer te benadrukken en de geschiedenis van de godsdiensten te laten fungeren als context voor de openbaring. Meer dan eerdere dogmatici in de gereformeerde traditie besefte Bavinck dat Israël pas laat in de geschiedenis van de menselijke beschaving op het toneel verscheen en de Bijbel sterk door de culturele en religieuze context is beïnvloed.
Systematisch werkte hij dit op drie manieren uit. Aan de Duitse opwekkingsbeweging ontleende hij een heilshistorische kijk op de Schrift. Met behulp van Augustinus verbouwde hij Von Humboldts gangbare kijk op taal en cultuur om taalkundige en raciale hiërarchieën te vermijden, de eenheid van de mensheid te waarborgen en ruimte te creëren voor taalkundige en culturele diversiteit en pluriformiteit. En ten slotte plunderde hij voor de tweede druk van zijn dogmatiek een paragraaf over het positief gebruik van de moderne bijbelwetenschap uit de encycliek Providentissimus Deus (1893) om te omschrijven hoe organisch de inspiratie van de Bijbel in schrijven en lezen werkt. Daarom is niets menselijks de Schrift vreemd.
Als het goddelijke en menselijke in de Bijbel zo samenvallen, wat betekent dat dan voor Bavincks omgang met het begin van Genesis? Zijn colleges Historia revelationis (1896) zijn eigenlijk heel traditioneel gereformeerd en weinig opzienbarend. Meer op de eigen tijdgeest toegesneden zijn de tweede druk van zijn Gereformeerde Dogmatiek (1906), de Stonelezingen Wijsbegeerte der openbaring (1909) en het populairwetenschappelijke Magnalia Dei (1909). Hier bespreekt Bavinck de systematisch-theologische kanten van evolutie en vindt confrontatie plaats met het panbabylonisme, het idee dat veel in de Bijbel kan worden teruggevoerd op de vroege Mesopotamische astrale religie. Opvallend genoeg vermijdt Bavinck de termen ‘foutloos’ en ‘onfeilbaar’. Voor een betere uitleg van het begin van Genesis acht hij twee dingen noodzakelijk. Dat Gods openbaring aan Israël laat in de geschiedenis doorbrak en is verankerd in Gods algemene openbaring aan de Babyloniërs en Assyriërs, vraagt om erkenning, evenals dat de bijzondere openbaring er tegelijk fundamenteel van verschilt. Verder is meer onderzoek nodig naar de teksten en materiële cultuur van het oude Nabije Oosten, de natuurwetenschappen, paleontologie en etnologie.
Die vraag om nieuw onderzoek radicaliseert zich in aantekeningen voor een derde, gewijzigde druk van zijn dogmatiek (die er nooit kwam) en een stelling die Bavinck in februari 1917 verdedigde in een maandelijkse ontmoeting met de VU-hoogleraren. Aantekeningen rond de kwestie Netelenbos in 1920, vlak voor zijn overlijden, wijzen in dezelfde richting. Bavinck is nu onomwonden van mening dat betrouwbare resultaten van de moderne natuur- en geschiedwetenschap toch echt onverenigbaar zijn met de gangbare uitleg van het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is daarom nodig die exegese te herzien, vooral als het gaat over de tijd, de duur en de orde van het Gods scheppingswerk.
Inspiratie voor vandaag
Anders dan soms beweerd veranderde Bavincks kijk op de Schrift in de kern niet. Wel illustreren de diverse fasen in zijn reflecties op het begin van Genesis de dynamiek daarin. Gaandeweg ontstond een enorme openheid, omdat hij veel nadrukkelijker de mogelijkheid overweegt dat God in de Schrift op onverwachte manieren spreekt. Hij staat een praktisch hermeneutische benadering voor waarin hij betrouwbare feiten en overtuigende ontwikkelingen met de Schrift in verband brengt als brandpunten in een ellips, zodat hij heen en weer kan gaan en uiteindelijk de resultaten kan evalueren vanuit het perspectief van de Schrift als geheel. Dat leidt niet tot een ethische benadering van de Bijbel, maar wel tot een duidelijker onderscheid tussen wat Bavinck noemt ‘representatie’ en ‘idee’.
Dit neokantiaanse taalkleed laat opnieuw zien hoezeer Bavincks Schriftleer en Schriftgebruik is beïnvloed is door negentiende-eeuwse epistemologische vragen. Bavinck deed een eigentijds voorstel hoe om te gaan met de klassieke christelijke vraag naar de integratie van goede, betrouwbare algemene kennis in de uitleg van de Bijbel. Hierin valt vooral het streven op naar een goede balans tussen een systematisch-theologische, exegetische en historische bestudering van de Bijbel. De kwaliteit daarvan blijkt als je er recente publicaties uit gereformeerde kring naast legt.
In Lezen en laten lezen (2019) van Arnold Huijgen zou Bavinck de theologische benadering waarderen. Dat geldt ook voor Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture (2024) van Hans Burger, die zijn voorstel bovendien inbedt in hedendaagse filosofie. Tegelijk zou hij Huijgen vragen of in diens consequente theologisering van de Bijbeltekst de werkelijkheid soms niet vervluchtigt en aan zowel Huijgen als Burger wat bij hen nu de plaats is van het ambacht van de exegese. In De Bijbel als biografie van God en mensen (2024) van Eep Talstra zou hij juist toejuichen hoe diens zorgvuldige ambachtelijke aanpak het spreken over God als levend persoon ten goede komt. Tegelijk zou Bavinck de vraag stellen of het nodig is zo af te geven op Augustinus. Illustreert ook het feit dat in dit boek nauwelijks sprake is van kritiek op ideologisch vooringenomen kanten van bepaalde exegetische methoden niet dat hier sprake is van theologische onbalans?
Het meest zou Bavinck zijn eigen visie terugzien in Geestspraak (2024) van Henk van den Belt. Dit boek straalt vreugde uit in de omgang met de Schrift en benadrukt expliciet het belang van een goede balans tussen wetenschap en historisch Bijbelonderzoek, exegese en dogmatiek. Tegelijk mist hier Bavincks urgentie om de vragen van vandaag te gebruiken om de gereformeerde theologie te vernieuwen. Worden de kerken waarvoor het boek geschreven is uiteindelijk niet te weinig geholpen? In het licht van de dynamiek in Bavincks denken en het verschil in de kijk op de positie van vrouwen tussen diens vroege dictaten ethiek en De vrouw in de hedendaagsche maatschappij (1918) is het immers geen vraag of hij vandaag positief zou staan tegenover de openstelling van kerkelijke ambten voor vrouwen.
Zo biedt het neocalvinisme wel degelijk ook een helpend perspectief in het hedendaagse gesprek over de omgang met de Bijbel en blijft de beweging inspireren om de Schrift als het Woord van God met alle mogelijke middelen te bestuderen.
Dr. K. van Bekkum is hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit Utrecht en gasthoogleraar aan de Evangelische Theologische Faculteit Leuven.
Mailadres:
- Raadplegingen: 60