39e jaargang nr. 6 (november 2025)
thema: Neocalvinisme. Een (her)levende traditie
Marinus de Jong
Gods redding gaat over deze wereld
Wat heeft het neocalvinisme vandaag te zeggen in eigen land?
Hoe de Nederlandse gereformeerde traditie elders op de wereld gedijt, wordt in andere bijdragen duidelijk. In het eigen achterland is dit minder het geval. Hoewel ook in Nederland het neocalvinisme nog altijd een levende traditie is, blijven de namen van Kuyper en Bavinck daarbij vaak wat op de achtergrond. In deze bijdrage betoog ik dat de theologie van Kuyper en Bavinck ook vandaag in Nederland nog zeggingskracht heeft. Die zeggingskracht zit in een van de kerngedachten van het neocalvinisme: Gods redding is voor deze wereld.
Abraham Kuyper en Herman Bavinck positioneren hun denken herhaaldelijk aan de hand van twee uitersten: deïsme en pantheïsme. Dit duo is nog altijd behulpzaam om het eigene van hun theologie in beeld te krijgen. Deïsme is de gedachte, ontstaan in de achttiende eeuw, dat God wel bestaat en ook de wereld wel geschapen heeft, maar zich er niet meer mee bemoeit. Hun dogmatiek heeft wel een scheppingsleer, maar geen voorzienigheidsleer en vaak ook geen christologie. Pantheïsme is de gedachte dat God niet ver weg is, maar juist heel dichtbij, zo dichtbij dat het onderscheid tussen God en de wereld vervaagt. God is niet zozeer een persoon of een ander, maar is meer de ziel van de wereld zelf. Dit is kenmerkend voor de theologie van de negentiende eeuw. Bavinck en Kuyper zitten historisch op de drempel van de negentiende en de twintigste eeuw en zoeken in deze context naar een andere weg.
Tussen deïsme en pantheïsme
Kenmerkend voor hun methode is dat ze altijd met twee woorden spreken als het gaat over denkbeelden die ze kritiseren. Ook deïsme en pantheïsme worden niet zomaar afgewezen, nee in deze beide concepten schuilt een waarheidsmoment. De deïst erkent dat God en de wereld niet hetzelfde zijn, er is een kloof, een afstand tussen beide. En dat is precies wat de calvinist ook benadrukt: God is schepper en de mens is schepsel. God is transcendent, hij overstijgt het geschapene, het tijdelijke, het menselijke. En, voegen ze de deïst toe, dat wordt nog versterkt door de zondeval. Ook het kwaad staat tussen God en de mens in als een gapende kloof die vanuit de mens niet te overbruggen is.
De deïst verstaat niet wat de pantheïst juist benadrukt: dat God niet op afstand blijft maar ons zeer nabij komt. God heeft zijn handen niet van de wereld afgetrokken. Nee, zijn voorzienigheid houdt de wereld in stand en draagt haar ieder moment. Kuyper doet nog een schepje bovenop die voorzienigheid met zijn idee van Gods algemene genade: de hele wereld wordt voor de gevolgen van het kwaad behoed door Gods gemene gratie. God zit overal, wil Kuyper maar zeggen. En nog meer in Jezus Christus liet God dit zien: Hij komt in zijn eigen schepping om deze te redden en met zijn Geest te vernieuwen. Maar anders dan de pantheïst komt God zonder met de wereld samen te vallen.
Gods redding is hier en nu
Pantheïsme en deïsme zijn twee stromingen die sinds de tijd van Kuyper en Bavinck alleen nog maar aan kracht hebben gewonnen. De pijlen van de christelijke apologetiek richten zich vaak op het atheïsme, maar dat is zelfs in het seculiere Nederland maar een kleine minderheid. Veel meer dan de ontkenning van Gods bestaan geloven Nederlanders in een god die onkenbaar is. Agnosticisme is een broertje van deïsme. Aan de andere kant is er ook veel oplevende hang naar spiritualiteit. Hier wordt dan juist gewinkeld bij oosterse religies met sterk pantheïstische trekken. Het goddelijke zit in de mens en in de wereld. Ook in de klimaatbeweging resoneert de goddelijkheid van de wereld zelf, Moeder Aarde.
De derde weg van Bavinck en Kuyper, die niet meer is dan uitdrukking van katholiek christendom, is die van de concreetheid van het heil. Dat is aan de ene kant een sterke nadruk op de afstand tussen God en mens die wordt verstaan in termen van zonde en schuld. Dit is het gelijk van de deïst. Maar anders dan de deïst benadrukt deze interpretatie van de neocalvinisten de noodzaak tot redding. Er is een probleem en dat probleem kan worden opgelost.
Maar het probleem wordt niet opgelost door de mens uit deze wereld te halen en naar het domein van de onbekende god te brengen. Redding is niet een ticket naar de eeuwigheid. Nee, het probleem wordt opgelost doordat God zelf zijn wereld komt herscheppen. Gods algemene genade in de hele schepping is hierbij het voorbereidende werk zodat daarin het evangelie van Jezus Christus kan landen en die schepping kan herstellen. Hoe gaat die redding? Dat gaat langs de weg van de heiliging. God herschept mensen en langs die weg herschept hij de wereld zelf.
Precies hier hebben de neocalvinisten veel weerstand gekregen. Is dit niet veel te optimistisch of triomfalistisch? Waar is de ootmoed? Waar is het ‘klein beginsel van gehoorzaamheid’ van de Heidelbergse Catechismus gebleven? En wordt het onderscheid tussen Abraham Kuyper en het Rijk Gods niet wat vaag? Dit zijn terechte vragen en het feit dat het neocalvinisme in zijn vaderland niet geliefd is hangt hiermee samen. Dat hangt ook samen met de theologie van Karl Barth die in de twintigste eeuw in Nederland sterk voet aan de grond kreeg. Precies deze kritische vragen waren het hart van zijn theologie. Toch zegt dat meer over de neocalvinisten na Bavinck en Kuyper en over Barth dan over de founding fathers zelf. Die waren veel te diep doordrongen van de soevereiniteit van God om triomfalistisch te worden. Bovendien was hun nadruk op deze wereld niet hetzelfde als een beperking tot deze kant van de geschiedenis. Nee, Gods redding blijft eschatologisch, de grote stap in het herstelwerk komt nog. Maar ook in die stap gaat het wel om deze aarde en deze mens.
In het tweede deel van deze bijdrage wil ik het hier geschetste wat verder concretiseren op drie verschillende gebieden.
Abraham Kuyper, de school en de christelijke politiek
Kuyper was de wegbereider van het neocalvinisme. Maar naast theoloog was hij ook activist en politicus. Voor Kuyper was de genoemde nadruk op het concrete heil geen abstracte theorie, integendeel. Als Gods redding over deze wereld gaat en als God daarbij werkt langs de weg van de heiliging, dan heeft dat concrete gevolgen. Allereerst voor de politieke activiteit van christenen. Kuyper mobiliseerde en emancipeerde de christelijke kiezer en gaf hem stem. Het is niet overdreven om Kuyper de vader te noemen van het moderne partijsysteem in Nederland. Hij was het die de eerste politieke partij oprichtte in Nederland, de Anti-Revolutionaire Partij, voorloper van het huidige CDA. Dat was een concrete uitwerking van zijn overtuiging dat God christenen ook roept in de politiek, dat de redding van individuen de samenleving niet onberoerd kan laten. Het kan dus niet zo zijn dat een christen en een seculiere tot eenzelfde partijprogram komen.
Tegelijk onderscheidde Kuyper scherp tussen samenleving en kerk. Die moeten gescheiden zijn. De kerk regeert niet met dwang en met het zwaard. Dus theocratie, zoals in de idealen van het SGP, is Kuyper vreemd. Vandaar een partij: vanuit het christelijk geloof een publieke stem hebben in de democratie en dan samen het land regeren. Als Gods redding over het volle leven gaat, dan kan het niet anders of geloof krijgt een stem.
Net zo ging het met het onderwijs. Met grote kracht zette Kuyper de strijd voor christelijk onderwijs van zijn voorgangers voort. En met succes. Het is dankzij Kuyper dat Nederland een uniek systeem kent van door de overheid gefinancierd levensbeschouwelijk onderwijs. In veel landen zijn christelijke scholen, maar nergens zijn het overheidsscholen. Het is opnieuw de gedachte van een echt plurale samenleving waar elke religie zijn plaats mag hebben. En tegelijk is het een concrete uitwerking dat het christelijk geloof dat het heil van God zich ook uitstrekt naar het domein van het onderwijs. Herman Bavinck gaf ook aanzetten voor een gereformeerde pedagogiek die nog altijd invloedrijk zijn. De generatie na hem zette dat voort. Bekend is de pedagoog J. Waterink wiens werk recent opnieuw werd uitgegeven.
Herman Bavinck en de apologetiek
Waar Kuyper een man van concrete actie was, was Bavinck meer van de reflectie. Veel van Bavincks werk is apologetisch van karakter. Ook die apologetiek wortelt in de gedachte dat Gods heil zich uitstrekt over het hele leven. Het is een diepe overtuiging dat deze wereld van God is en dat Gods evangelie niet haaks staat op deze wereld, maar er juist op past als een handschoen. Dat leidt tot de al eerdergenoemde methode dat de wereld altijd goeds bevat, maar ook de gevolgen van de zonde draagt. In een van zijn meest erudiete werken, Wijsbegeerte der openbaring (1908), geeft Bavinck een magistrale apologetiek van de hele wetenschap van zijn tijd. Van alle wetenschapsgebieden geeft hij een overzicht van de laatste stand van het onderzoek en wijst aan hoe de christelijke notie van de openbaring spanningen in die wetenschapsvelden kan overstijgen. Het geloof staat niet tegenover de wetenschap, maar is erin van grote betekenis. Het geloof is niet vijandig aan het denken, maar plaatst het in juiste proportie. God redt ook het menselijk denken. Niet in die zin dat de Schrift een wetenschappelijk handboek is. Dat leidt tot boeken als Moderne wetenschap en de Bijbel. Dat is het tegenovergestelde van wat Bavinck beoogt. Bavinck poneert geen anti-wetenschap, maar neemt de wetenschap volop serieus, en laat vervolgens zien hoe deze zelf verwijst naar christelijke noties. Het lijkt meer op wat vandaag de dag hoogleraar Gijsbert van den Brink met zijn werk beoogt.
Klaas Schilder en de kerk
Hierboven noemde ik al een neocalvinist van de tweede generatie. Na Bavinck en Kuyper ging de traditie door, tot op de dag van vandaag. Een belangrijke neocalvinist van de tweede generatie is Klaas Schilder. Die is vooral bekend als voorman van de Vrijmaking, de scheur in de Gereformeerde Kerken in 1944. Maar het leeuwendeel van Schilders leven en werk ligt voor de Vrijmaking.
Voor Schilder was de concretisering van het heil net zo belangrijk als voor Kuyper en Bavinck. Maar Schilder ging dat vooral toepassen op de kerk en daarmee kwam hij in conflict met zijn eigen traditie. Hij vond dat Kuyper nog niet radicaal genoeg dacht over de concreetheid van de kerk, maar nog teveel in scholastieke onderscheidingen gevangen zat. Kuyper had daar zelfs nog iets aan toegevoegd door het onderscheid kerk als instituut en kerk als organisme te maken. Hier zag Schilder een relativering van de kerk als instituut, terwijl dat nu juist de kerk in concrete zin is. Net zo wilde Schilder af van de onzichtbare kerk. Dat relativeerde de zichtbare kerk, terwijl dat nu juist de kern is van de kerk. De kerk heeft een adres, schreef Schilder. Dat is zondagmorgen, op dat tijdstip en in die straat. Dat is waar God de gemeente vergadert en waar zijn heil wordt bemiddeld door Woord en sacrament. De concrete kerk is de plaats waar de heiliging van de wereld begint. Als we het heil concreet willen denken is een concrete kerk nodig. Anders verdwijnt de kerk naar de achtergrond en daarmee onze toegang tot de genademiddelen.
Schilders nadruk ging het meeste schuren op het punt van de eenheid, want ook die moet concreet gedacht worden. Twee kerken van dezelfde belijdenis in een dorp, dat kan niet, die moeten samengaan. Ook hier wilde Schilder concreet denken. De geestelijke eenheid die er in Christus is moet zichtbaar worden. Dat is deel van het heil dat deze aarde raakt. Zijn leven lang hamerde hij op concrete kerkelijke eenheid. Ironische genoeg eindigde dat in een kerkscheuring, maar dat is weer een ander verhaal.
Tot slot
Onderwijs en politiek, apologetiek en wetenschap, kerk en wereld: het zijn drie voorbeelden van hoe de neocalvinistische nadruk op de betekenis van het heil voor deze wereld concreet vorm krijgt. Op alle drie de gebieden is de relevantie voor de Nederlandse context niet moeilijk te zien. Dat wordt ook bevestigd door de populariteit van boeken die soortgelijke betogen houden zoals Tom Wright, maar ook Stefan Paas. In mijn optiek biedt het neocalvinisme dezelfde nadruk op het heil voor deze wereld, maar is het ingebed in een meer robuuste theologie die behoedt voor eenzijdigheid. Het heil omvat verzoening én overwinning, kerk én koninkrijk. Het gaat over tijd én eeuwigheid, het schakelt de mens in, maar hangt niet van de mens af. Precies dat is de bijdrage van het neocalvinisme van Kuyper en Bavinck en hun geestelijke nazaten.
Dr. J.M. de Jong in universitair hoofddocent theologie van het neocalvinisme aan de Theologische Universiteit Utrecht.
Mailadres:
- Raadplegingen: 60