Skip to main content

39e jaargang nr.  6 (november 2025)
thema: Neocalvinisme. Een (her)levende traditie

Johan Snel
Wat was neocalvinisme eigenlijk volgens Kuyper zelf?

Zonder Abraham Kuyper (1837-1920) had niemand ooit van calvinisme of neocalvinisme gehoord, hij was de uitvinder van deze stroming. Maar wat betekende (neo)calvinisme voor Kuyper, waarvoor stond de term bij hem? Om te beginnen heel eenvoudig: calvinisme was zo’n nieuw isme waar de negentiende eeuw in grossierde, van liberalisme tot socialisme en neothomisme, om er drie te noemen.
Daarvóór waren ismen vooral een scheldwoord: protestanten noemden katholieken ‘papisten’, katholieken scholden gereformeerden uit voor ‘calvinisten’ en beiden betitelden wie ze als goddeloos beschouwden als ‘atheïsten’, drie vroegmoderne scheldwoorden. Typerend voor Kuyper was dat hij calvinisme als een geuzennaam oppakte en er een eigen draai aan gaf, maar ook tijdens zijn leven moest hij telkens uitleggen wat dat dan wel was, dat calvinisme.

Calvinisme voor dummies
In 1912 moest Kuyper dat voor lezers in Frankrijk doen, die natuurlijk van dat hele calvinisme geen benul hadden. Calvinisme voor dummies dus. Kuyper legde uit dat ze niet aan de kwalijke veroordeling van Servet moesten denken, maar aan de vrije ontwikkeling van het calvinisme daarna, in Schotland, Nederland en Amerika. Het spreekt ook vanzelf dat mijn generatie het ‘in rapport met onze tijd’ heeft gebracht, schrijft hij, voor de grote actuele kwesties van kiesrecht, imperialisme en de grote politieke kwesties in het algemeen. In Duitsland wordt het daarom ook wel neocalvinisme genoemd, hij heeft geen bezwaar.
Als belangrijkste principes van dit (neo)calvinisme somt Kuyper er zes op die hij vaker noemt. Het zijn: 1) geen onderwerping van mensen aan mensen, 2) volledige onderwerping van de mens aan God, 3) alle politieke soevereiniteit bestaat bij de gratie van God en wordt getemperd door de eigen soevereiniteit van maatschappelijke kringen, 4) algemeen huismankiesrecht, 5) godsdienstvrijheid, en 6) volledige vrijheid van onderwijs op alle niveaus. Wat opvalt is dat Kuyper uitsluitend politieke doelen noemt. Neocalvinisme is voor Kuyper geen theologie, maar maatschappij. Ook de kern van de theologie van Calvijn, de soevereiniteit van God, wordt meteen doorvertaald in de fundamentele gelijkheid van mensen.

Edmund Burke
Hoe was dat zo gekomen? In de jaren 1850 studeerde Kuyper theologie in Leiden. Zijn belangrijkste leermeester was de dogmaticus Jan Hendrik Scholten. Samen met de Leidse oudtestamenticus A. Kuenen gold deze als de grondlegger van de moderne theologie in Nederland. In zijn pamflet tegen het modernisme als fata morgana uit 1871 noemt Kuyper de invloed van ‘mijn leermeester en vriend’ Scholten op hem als student ‘elektriserend’. Ondanks hun diametraal verschillende theologie zou Kuyper Scholten altijd als zijn leermeester eren. Dat was hij ook op zeker één bijzonder punt: Scholten was de man van de studie naar Calvijn, hij introduceerde zelfs de term ‘calvinisme’. Onder die nieuwe banier wilde Scholten het stof van de aloude gereformeerde theologie blazen en die in een modern jasje steken. Bij Scholten was calvinisme dus nog altijd theologie, hoe modern ook.
Zijn leerling bekeerde zich echter tot de oude gereformeerde leer en zou de term ‘calvinisme’ voorlopig laten rusten. In de jaren 1860 transformeerde Kuyper kerkelijk tot ‘gereformeerd’ en sloot hij zich politiek aan bij de antirevolutionairen van Groen van Prinsterer. Maar hij bleef zoekend naar de precieze inhoud, zou hij later bekennen. Met Groen correspondeerde hij rond 1870 jarenlang over een eigen politieke theorie, naast die van de conservatieven, liberalen en socialisten. Rond het jubileum van de grondwetswijziging van 1848, in 1873, ging plotseling een lampje branden. In februari van dat jaar lag Kuyper met griep in bed en worstelde hij zich door het verzamelde werk van de Ierse protestant Edmund Burke. Voor zijn ogen zag hij zich de grote rol ontvouwen die gereformeerden van allerlei slag in vroegmoderne geschiedenis van de Angelsaksische landen hadden gespeeld. Een nieuwe wereld ging voor hem open, het verhaal was veel groter dan Nederland.

Apostel van de democratie
In 1874, inmiddels de man van dagblad De Standaard en net gekozen als lid van de Tweede Kamer, opende Kuyper de aanval. Dat voorjaar trok hij door het land met zijn bekendste lezing tot dusver. Met ‘Het Calvinisme, oorsprong en doel van onze constitutionele vrijheden’ vestigde Kuyper definitief zijn naam. Voortaan vormden calvinisme en democratie de slogans van zijn politieke programma, de Angelsaksische vrijheid van Burke tot Gladstone zijn lichtende voorbeeld. De wat omslachtige titel had hij trouwens van Groen van Prinsterer, schreef hij, de man op wie hij zich levenslang zou beroepen.
Kuypers verhaal was nu dat de burgerlijke vrijheden zoals die in 1848 waren vastgelegd niet nieuw en liberaal waren, maar eeuwenoud en calvinistisch. Calvinisme werd nu zijn geuzennaam: onze vrijheden danken we aan de vrijheidsstrijders ten tijde van Willem van Oranje, op de Britse eilanden en in Amerika. Aan het eind van het al snel als pamflet uitgegeven betoog noemt hij zijn vinding ‘christelijk liberalisme’ en heet Paulus de ‘apostel van de democratie’ – maar de eerste kreet laat hij snel weer vallen om zijn antirevolutionaire achterban niet al teveel te verwarren, en met ‘democratie’ – in deze jaren heeft dat nog een negatieve lading, vergelijkbaar met ons ‘populisme’ – blijft hij ook voorzichtig. Hoe dan ook, Kuyper heeft zijn geuzennaam gevonden: als calvinist zal hij voortaan strijden voor vrijheid en democratie.

De Stonelezingen
Dat rond 1874 de strijd om de term ‘calvinisme’ nog niet gestreden is, blijkt uit een zestiendelige artikelenreeks uit hetzelfde jaar waarin Kuyper voortborduurt op het thema van oorsprong en doel van de burgerlijke vrijheden. Onder de cryptische titel ‘Is Dwaling Strafbaar?’ componeerde Kuyper een vervolg van nog verdergaande strekking, een radicale cocktail van oude argumenten en nieuwe uitkomsten. Op het punt van burgerlijke vrijheden als de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid kwam Kuyper nu met een radicaler geluid dan welke liberaal ook. Alleen: in de hele serie komt de term ‘calvinisme’ niet een keer voor, al voert hij natuurlijk gereformeerden van alle tijden op als de ware vrijheidsstrijders.
In de twee decennia erop komt calvinisme echter geleidelijk in zwang en krijgt het meer kleur. Een voorbeeld is de rectorale rede ‘Het calvinisme en de kunst’ uit 1888, waarin Kuyper zijn ideeën over kunst uit de doeken doet. Het calvinisme maakte de weg vrij voor kunst als kunst, zal hij betogen: niet langer ondergeschikt aan kerk of staat zouden de kunsten vanaf de zeventiende eeuw hun eigen, vrije ontwikkeling doormaken. Ook in de kunsten bracht het calvinisme dus vrijheid, autonomie, meer dan enige andere stroming, inclusief de liberalen. Maar Kuypers ultieme betoog over het calvinisme zou opnieuw 25 jaar later volgen, in 1898. In dat jaar stond Kuyper op het podium van de Miller Chapel, op de campus van de universiteit van Princeton in New Jersey. Het was oktober 1898 en Kuyper zou verspreid over twee weken zes keer op de katheder staan voor een ‘groot en geïnteresseerd publiek’. Al een paar jaar was hij uitgenodigd om de jaarlijkse Stonelezingen te houden en nu kwam het er eindelijk van.

Smeltkroes
De Stonelezingen beginnen waar hij in 1874 geëindigd was: met de historische ontwikkeling van het calvinisme. Ontstaan als scheldnaam van katholieke zijde, was de term ‘calvinisme’ inmiddels een wetenschappelijk aanvaarde benaming van een protestantse stroming. Meer nog dan in 1874 benadrukte Kuyper de invloed die het calvinisme op de Amerikaanse cultuur uitoefende. Hij viel meteen met de deur in huis: het gedicht ‘Excelsior’ van de Amerikaanse dichter Longfellow, een hit in de negentiende eeuw, had hij pas hier, in de bergen van de staat New York, beter leren begrijpen. Sowieso had hij zich op deze lezingen grondiger voorbereid dan ooit. Het was zijn moment, het hoogtepunt uit zijn loopbaan tot dusver. Hij had zich verder verdiept in de Amerikaanse geschiedenis en ook dat groeiende inzicht was erin verwerkt. Juist in de etnische en culturele smeltkroes die de Amerikaanse samenleving vormde, kon het calvinisme zich meer ontplooien dan ooit tevoren. Calvinisme kende namelijk geen nationalisme, maar was universeel – meer nog dan katholieken en moslims dat al waren. Ook daarom vormde het moderne calvinisme een voorlopig hoogtepunt in de menselijke ontwikkeling. Rasvermenging – zoals dat heette – was geen nadeel, het was zelfs een voorwaarde. De geschiedenis was van oost naar west gegaan, zelfs voor Kuyper persoonlijk was de tocht naar het westen een soort vervulling.

De Hollandse meesters
Zo stond hij ook de volgende tien dagen op de katheder van Miller Chapel. Na de geschiedenis kwam de religieuze kant van het calvinisme, daarna de politieke visie: de eigen staatsleer waar hij ooit met Groen van Prinsterer naar op zoek was geweest. Hier kon hij zijn verhaal kwijt over de relativiteit van elke vorm van soevereine macht. De moderne staat rukte immers op, maar kon beteugeld blijven wanneer elke kring haar aan haar eigen soevereiniteit vasthield. Nergens anders dan in Amerika kon hij zo goed zijn verhaal kwijt over vrijheden en burgerrechten die de macht van de staat binnen de perken hielden. De kern, ook hier: de vrijheid van geweten die elke minderheid kon koesteren tegenover welke meerderheid dan ook.
Lezing vier en vijf betroffen twee maatschappelijke domeinen, de wetenschap en de kunsten. Het eerste onderwerp was een kolfje naar Kuypers hand, hier sprak de meervoudig hoogleraar voor een gehoor van academici. Het calvinisme had niet alleen historisch de wetenschap bij uitstek bevorderd, het stond ook meer dan alle andere opvattingen garant voor de vrijheid en onafhankelijkheid van de wetenschap. Hier weer het betoog dat hij ooit in ‘Is Dwaling Strafbaar?’ had ontwikkeld: de waarheid was slechts gediend bij volstrekte vrijheid, met minder kon de wetenschap niet toe. Maar waren de kunsten geen ander verhaal? Het calvinisme had de schijn tegen, gaf Kuyper volmondig toe. Er bestond een puriteinse traditie die met kunst weinig op had. Die verdenking was niet terecht als het om het calvinisme ging. Ook hier behandelde hij de geschiedenis eerst, het vrijheidsideaal daarna. Historisch had het calvinisme bijvoorbeeld het realisme van de Hollandse meesters mogelijk gemaakt. Kuypers betoog dat de Nederlandse schilderschool een weerspiegeling vormde van het calvinistische beeld van de werkelijkheid, leverde in de twintigste eeuw een voortgaande academische discussie op.

Eolusharp
Hoewel Kuyper notoir amuzikaal was, geen concerten bezocht en in het sociale leven ook geen bijzonder oog had voor beeldende kunst, maakte hij er in de ontwikkeling van zijn denken wel telkens ruim plaats voor. Zijn vijfde Stonelezing eindigde met de muziek van de afgelopen eeuwen. De verdienste van het calvinisme was geweest dat het muziek heeft bevrijd van de kerk, zodat muziek meer werd dan enkel toegepaste kunst. Pas sinds de Reformatie bevrijdden de kunsten zich en ontdekten schilderkunst en muziek hun eigenlijke zelf. Dat was calvinisme voor Kuyper: vrijheid, een vrije ontwikkeling, de voorwaarde voor het goddelijke om in de kunsten te kunnen ontvonken.
Zo vrij als componisten zich hadden kunnen ontwikkelen, zo vrij was ook zijn ideale maatschappij. Daarover ging zijn laatste lezing, over het calvinisme en de toekomst. Het was intussen vrijdag 21 oktober 1898, de volgende dag zou hij zijn eredoctoraat ontvangen en zijn eigenlijke tour moest nog beginnen. In de Miller Chapel was hij na een aftastend begin al gauw op dreef geraakt: ‘Het applaus was oorverdovend, en al spoedig stond ik er even kalm als thuis op de katheder’. De lezing zette niet optimistisch in. Een tour d’horizon liet zien dat allerwege materialisme en nieuwe ideologieën – de term gebruikte Kuyper nog niet – zich breed maakten. De westerse wereld dreigde zich erin te verliezen. Wat stelde de kwetsbare calvinistische traditie voor tegenover zo veel modern geweld? Een eolusharp in het venster, wachtend op de geest die ritselend zou gaan waaien wanneer de tijd daar was.

Zuurheidsgraad
Calvinisme dan wel neocalvinisme: voor Kuyper was het geen theologie, al lag die wel aan de basis ervan. Elke stroming – in de Stonelezingen heeft Kuyper het over een life-system, de term worldview bestond nog niet in deze betekenis – was volgens hem immers gebaseerd op een onderliggende overtuiging, een worldview, het calvinisme net als alle andere. Dat was overigens meteen een belangrijke kennistheoretische bijdrage van Kuyper: hoe onze ideeën aan onze waarneming voorafgaan en hoe empirie en duiding twee verschillende zaken zijn, had hij in zijn theoretische hoofdwerk, de Encyclopaedie van 1893, aangetoond. Kuyper was dan ook een pluralist: zijn calvinisme was een moderne worldview te midden van alle andere en meer dan gelijke rechten claimde hij ook niet. Dat men na zijn dood met dat calvinisme aan de haal zou gaan en dat moderne Nederlanders zouden gaan geloven dat ze in een calvinistisch land leven vanwege de veronderstelde zuur- en zuinigheidsgraad – hij had het nooit kunnen bevroeden. Net zomin als dat men zijn soevereiniteit in eigen kring zou gaan opvatten als een pleidooi voor verzuiling, in plaats van voor de autonomie van maatschappelijke kringen (zowat het omgekeerde dus). Maar dat is weer een ander verhaal.

Dr. J.C. Snel is historicus, doceert journalistiek en communicatie aan de Christelijke Hogeschool Ede en is gepromoveerd op Abraham Kuyper als journalist.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

  • Raadplegingen: 61