39e jaargang nr. 5 (september 2025)
thema: Wij geloven - 1700 jaar Nicea
Arjan Plaisier
Het credo en de liturgie
Naar de kerk gaan is wat anders dan aanschuiven bij een vergadering van een religieuze vereniging. De volgelingen van Jezus komen immers samen op de dag van de opstanding van Jezus uit de doden. Door de opstanding is Jezus door God de Vader aangewezen als de Heer van deze wereld. Wie naar de kerk gaat, stemt hiermee in. Zodoende is naar de kerk gaan al een belijdenis.
In de eredienst zelf is het belijden van het geloof ook een aparte handeling. Daarin is het credo van Nicea-Constantinopel de belangrijkste tekst. Het is overigens niet de enige en de eerste tekst. De Apostolische Geloofsbelijdenis is ouder. Deze ligt ook ten grondslag aan het credo, zoals een vergelijking tussen beide duidelijk maakt.
Deze Apostolische Geloofsbelijdenis is nauw verbonden met de doop. Wie gedoopt wordt, wordt dat in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. De dopeling ondergaat niet alleen de doop, maar belijdt ook de naam van Vader, Zoon en heilige Geest. De Apostolische Geloofsbelijdenis is ontwikkeld uit deze belijdenis. Alvorens gedoopt te worden, belijdt de dopeling het christelijke geloof. Dat voorkomt dat de doop een esoterische handeling wordt. Dopen is weliswaar een mysterie, immers door de doop wordt de dopeling verbonden met Christus. Het is echter een mysterie dat vraagt om woorden en om begrip. Het christelijk geloof is geen zuivere mysteriegodsdienst die in een besloten ruimte wordt gepraktiseerd, maar een godsdienst in het open daglicht, die een appel doet op de hele mens, inclusief zijn begrip. Daarom klinken bij de doopvont de woorden van het belijden van de naam van de drie-enige God.
Omgekeerd is het echter goed te beseffen dat het Apostolicum verbonden is met de doop. De doop moet dan opgevat worden als de overgave aan Christus. Ook al is de meest voorkomende doop de zogenoemde zuigelingendoop, dan nog slaat de doop op de radicale breuk met een leven ‘zonder hoop en zonder God’ naar een leven met Christus. De belijdenis van het geloof past in een leven in verbondenheid met en in navolging van de Heer. Zonder die band dreigt het Apostolicum het voorlezen van de statuten van de kerk te worden.
De plaats van het credo in de orde van dienst
Het credo van Nicea-Constantinopel drukt het geloof van de kerk uit. In dit nummer is al uitgebreid over deze belijdenis geschreven. In dit belijden heeft de kerk haar geloof staande willen houden tegen alternatieven in. Het is dé belijdenis geworden van het orthodoxe geloof en als zodanig een identiteitsmarker van de kerk. Dit credo heeft al snel een plaats in de liturgie van de kerk gekregen. Onder patriarch Timotheüs (511-518) werd in 518 de geloofsbelijdenis in de orthodoxe liturgie opgenomen, en vandaar vond het ook een plaats in de Latijnse mis. Tot op vandaag vormt het credo een vast onderdeel van de Oosters-Orthodoxe Kerk, waarbij door de plechtigheid die het omringt merkbaar is dat het hier om een bijzonder moment in de eredienst gaat. De plaats van het credo in de oosterse orthodoxie is na een reeks voorbeden, die weer volgen op de zogenoemde offerande (de Cherubijnenhymne en de Grote Intocht), maar voor de inleiding op de Eucharistische Canon. Het sluit dus de gebeden af en is de opmaat voor de bediening van de eucharistie.
In de Latijnse mis wordt het credo gebruikt na de homilie (schriftuitleg en verkondiging) en voor de viering van de eucharistie. Het is daarbij enerzijds een amen zeggen op de verkondiging. De gemeente heeft het Woord van God gehoord, en antwoordt daarop door het geloof te belijden. Het is echter ook de opgang naar de eucharistie. Immers, deel krijgen aan het sacrament van de eucharistie vraagt om geloof, wil het niet ‘uit gewoonte of bijgelovigheid’ worden ontvangen. Zoals dus het Apostolicum voor de doop komt, zo komt het credo voor de eucharistie.
Luther heeft het patroon van de Latijnse mis zoveel mogelijk bewaard. Hetzelfde geldt voor de liturgie van de Anglicaanse Kerk. De gereformeerde vorm van de Reformatie heeft een versobering aangebracht in de liturgie. Uiteindelijk resulteerde dat in veel kerken van het gereformeerde type in een wat merkwaardige verdeling van een wetslezing in de morgendienst en een lezing van de geloofsbelijdenis in de middag- of avonddienst. Dat laatste had alles te maken met het feit dat deze tweede dienst vooral in het teken stond van het catechetische onderricht. De in de loop van de tijd ontstane catechismussen speelden daarin een belangrijke rol. Aangezien de uitleg van het Apostolicum daarin een belangrijke plaats had, was het alleszins begrijpelijk dat deze geloofsbelijdenis werd uitgesproken. Dit belijden is een samenvatting van het catechetische onderwijs. Het is dus niet zo vreemd dat dit schuurt met de lezing van de Schrift en van een deel van de catechismus. Om die reden is het niet zo zinvol om in een zogenoemde leerdienst het Apostolicum na de preek of uitleg van de catechismus te plaatsen.
In de huidige orde van dienst van de Protestantse Kerk zoals deze in het Dienstboek, een proeve te vinden is, heeft het credo evenals in de Latijnse mis een plaats gevonden na de prediking en voor de viering van het Heilig Avondmaal. Wanneer er geen viering van het Heilig Avondmaal plaatsvindt, is de geloofsbelijdenis het gelovende antwoord op de verkondiging. Er is overigens niets op tegen om in dat geval deze belijdenis een onderdeel te laten zijn van de lofprijzing, waarbij het natuurlijk wel de vraag is of er in de orde van dienst een apart lofprijzingsmoment is.
Doxologie (lofprijzing)
Dat brengt me op de eerste betekenis van het credo in de liturgie. Het is goed mogelijk dat wie deze belijdenis hoort of leest over de inhoud zal struikelen, zeker in het gedeelte over de eeuwige Zoon. Hier is werk van gemaakt, wat gezien de uitdaging die het arianisme vormde volstrekt te begrijpen is. Toch is het wonderlijk dat deze theologisch doordachte en doorwrochte tekst niet overladen is. Er zit ritme in. Het ‘licht uit licht, waarlijk God uit waarlijk God’ is eerder poëzie dan proza. Daarnaast ademt de tekst het mysterie. ‘Geboren uit de Vader voor alle tijden’, ‘geboren door de heilige Geest uit de maagd Maria’ is allesbehalve droge taal: het is letterlijk en figuurlijk geboortetaal. Een tekst als deze is inderdaad vrucht van intensieve dogmatische reflectie en stimuleert deze ook. Tegelijk is het taal die voortkomt uit de aanbidding en uit de liturgische praktijk van de gemeente. De vroege kerk is in haar belijden in het spoor gebleven van de liturgie, waarin Christus als de levende Verlosser wordt aanbeden. Daarom is het natuurlijke element van het credo ook de liturgie en de aanbidding. Alleen in de geest van lofprijzing en aanbidding komt de inhoud van het credo tot zijn recht. Los ervan dreigt de tekst als een koraal op droog land te verbleken.
Doxologie gaat samen met een besef van het geheim van God. Het trisagion, het driemaal heilig zoals dat in Jesaja 6 hoorbaar is (‘Heilig, heilig, heilig is de Heer’) vindt een echo in de Drievuldigheid van het credo. God gaat ons verstand te boven, Hij woont in het ontoegankelijk licht, en juist de taal van het credo bewaart dit geheim, zonder dat het de gemeente in afasie doet vervallen. Het vraagt enige fijngevoeligheid om dit aspect van lofprijzing in de liturgie goed te laten uitkomen. Dat kan door gezamenlijke exclamatie of door een gezongen vorm van het credo. Misschien zouden muziek of een uitgebreidere lofprijzing, waar het credo dan onderdeel van is, helpen. Wanneer het credo echter alleen maar door de voorganger wordt voorgelezen, lijkt het aspect van doxologie niet erg uit de verf te komen.
Het geloof van de kerk
Het credo verwoordt op een klassieke wijze het geloof van de kerk. Er is een moment in de liturgie waarin dit geloof expliciet klinkt. Gelukkig wordt de liturgie niet bepaald door wat ik geloof en zelfs niet door wat wij als kerkelijke gemeenschap (nog) geloven. We maken deel uit van de kerk ‘van alle tijden en plaatsen’. Het is natuurlijk prima om het contextuele element in een kerkdienst te honoreren en het is evenzeer goed wanneer vragen en klachten de ruimte krijgen, maar dat alles vindt plaats in de hoge ruimte van de kerk en het credo van de kerk. We hijsen ons als het ware op aan de rekstok van dit credo en komen zo voor dit moment op de hoogte van het kerkelijke belijden. Het is zeer bedenkelijk wanneer dit hoge moment zelf uit de liturgie verdwijnt omdat het ‘niet meer van deze tijd’ zou zijn. Dat laatste pleit alleen maar voor het credo, dat een geschenk is van de Heer van de kerk voor alle tijden. Het is maar goed dat ik met mijn geloofsgemeenschap deel uitmaak van wat mijn en onze tijd te boven gaat.
Ik wees er in het begin van dit artikel al op dat belijden ook een vorm is van verzet tegen alles wat zich presenteert als heer en verlosser. De geloofsbelijdenis is bedoeld voor het publieke domein. Dat is in ieder geval de positieve kant van de bemoeienis van de keizer met het beleggen van het Concilie van Nicea. Over die rol kan verder van alles gezegd worden (het gaat er dan wel om de nuance te bewaren), maar wanneer het belijden van de kerk losgemaakt wordt van het publieke domein en de politiek, wordt het een onschuldig traktaat voor de privéwereld. Regeringen, koningen en keizers spelen een rol, maar ze hoeven in het belijden van de kerk niet genoemd te worden. Ze brengen immers geen verlossing en ze gaan voorbij. Alleen het rijk van Christus heeft, zoals het credo verwoordt, geen einde en alleen Christus zorgt voor ons behoud. Daarmee zegt dit belijden nee tegen alles wat of wie zich verheft als afgod, van wie het heil af zou hangen.
Geloof in de kerk
Met te zeggen dat het credo het geloof van de kerk uitspreekt, is het goed om ook nog even stil te staan bij het zinnetje in het credo: ‘Wij geloven in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk’. Het heeft er misschien de schijn van dat de kerk daarmee in zichzelf gelooft, maar dat is een misverstand. De kerk is van Christus en leeft door de Geest. De bijstellingen van ‘één, heilig, katholiek en apostolisch’ slaan in eerste instantie op Christus en op de heilige Geest en als afgeleide op de kerk. Christus bestaat echter niet zonder zijn lichaam, de kerk, en de heilige Geest is de tempel waarin de gelovigen wonen. Ook in dit opzicht is het credo een kerkelijke belijdenis. Het brengt bovendien in herinnering dat bij het credo de ene kerk hoort, geheiligd in Christus, waarlijk katholiek en waarlijk apostolair. Juist het credo voorkomt dat een kerkelijke gemeenschap zich opsluit in de eigen denominatie. We belijden het ene geloof. Dan is onbestaanbaar dat we berusten in een verdeelde kerk.
Voor het sacrament, na de homilie
Zoals al eerder gememoreerd klinkt de Apostolische Geloofsbelijdenis voorafgaand aan de doop. Het credo kan opmaat naar de bediening van het Heilig Avondmaal zijn. In de vroege kerk is het gebruik geweest dat de geloofsbelijdenis tijdens het catechumenaat overhandigd werd op de zaterdag voor Pasen en hardop werd opgezegd. Vervolgens fungeerde de geloofsbelijdenis wanneer je buiten je eigen stad ter kerke ging als een soort wachtwoord voor het eucharistisch deel van de viering: wie de belijdenis kon opzeggen, mocht deelnemen. Je doet dus eerst belijdenis van het geloof, en vervolgens ga je aan de tafel van de Heer. Ik vind dit een uitermate betekenisvolle orde. Een avondmaalsviering mag nog zo open zijn, maar zonder uitgesproken geloof wordt afbreuk gedaan aan de diepe betekenis van dit sacrament.
Het credo is niet alleen een eventuele opmaat naar de viering van het Heilig Avondmaal, het is ook de gelovige instemming met de homilie. De verkondiging van Gods woord roept een reactie op bij de hoorder. Het woord krijgt zo een antwoord. De gemeente heeft de preek verstaan als Woord van God en beaamt dit door het credo. Zou dit liturgisch niet het beste uitkomen wanneer niet de predikant het belijden van het geloof aankondigt, maar wanneer dit vanuit de gemeente komt (bijvoorbeeld door een ouderling of diaken)? Voor de prediker is het dan wel een gewetensvraag of de preek past bij dit credo. Dat is een strenge toets, die niet rigide gehanteerd mag worden, maar die, wanneer deze ontbreekt, afbreuk doet aan het gehalte van de verkondiging.
Dr. A.J. Plaisier is emeritus predikant en voormalig scriba van de Protestantse Kerk in Nederland.
Mailadres:
- Raadplegingen: 260