Skip to main content

39e jaargang nr.  5 (september 2025)
thema: Wij geloven - 1700 jaar Nicea

 

Jaap Dekker
De mantel van Gods majesteit
Jesaja 6:3

Hoe kun je kerkgangers ertoe bewegen om zich ook in ecologisch opzicht te bekeren, als wezenlijk component van een nieuw leven met God? Een enkele keer heb ik het confronterend aangepakt, bijvoorbeeld door het slachtoffer in Jezus’ gelijkenis van de barmhartige Samaritaan met de schepping te vergelijken en de hoorders zich aan de rovers te laten spiegelen. Bij sommige mensen werkt dat; die worden wakker geschud. Anderen schieten in de weerstand. Preken die focussen op gedrag hebben zelden blijvend effect.

Voorgangers ervaren soms verlegenheid bij het adresseren van de ecologische crisis in hun preken. Vanuit de kerk wil je de polarisatie in de samenleving natuurlijk niet verder aanjagen. Ook de agrariërs in de kerk, die al veel te verduren hebben, wil je niet afstoten maar liever meekrijgen in een gedeeld besef dat het welzijn van de schepping juist christenen een zorg moet zijn. De eerstkomende ‘groene’ zondag zal ik daarom insteken bij de serafs uit Jesaja 6. Een verandering van leven zal duurzamer zijn vanuit een herziene kijk op God en op de relatie tussen schepping en evangelie.

De volheid van de aarde
De roep van de serafs in Jesaja’s tempelvisioen staat bekend als het trisagion: ‘Heilig, heilig, heilig is JHWH Zebaot.’ Aan dit ‘driemaal heilig’ is exegetisch en theologisch veel aandacht gegeven. Maar ook het vervolg van hun uitroep is van belang, vooral in ecologisch perspectief. Het was voor mij een exegetische ontdekking dat de serafs over ‘de volheid van heel de aarde’ spreken, een uitdrukking die het Oude Testament ook elders gebruikt (o.a. Ps. 24:1; 50:12; 89:12). Bijna alle bijbelvertalingen maken er, naar analogie van een bekende liturgische formule (Num. 14:21; Ps. 57:6, 12; 72:19; 108:6), een bijvoeglijk naamwoord of werkwoord van: ‘Heel de aarde is vol/vervuld van zijn majesteit.’ Taalkundig is dat mogelijk en vanuit de traditie (de Septuaginta, het Sanctus) is deze vertaalkeuze ook alleszins verklaarbaar. Maar strikt genomen zeggen de serafs dat de volheid van heel de aarde Gods glorie is. Anders gezegd: de zichtbare werkelijkheid van de schepping – bergen, rivieren, bomen, dieren – is de mantel van Gods majesteit. Deze uitleg past goed in de context van Jesaja’s tempelvisioen, omdat tempels als microkosmossen werden gezien en met scheppingsmotieven waren versierd.

Geestelijke motivatie
Onder invloed van Karl Barth en Gerhard von Rad zijn schepping en geschiedenis in de theologie vaak ten onrechte tegenover elkaar gesteld. Alsof de schepping geen partij is in of op zijn minst ondergeschikt is aan Gods verlossingswerk (zie echter Gen. 9:8-17; Rom. 8:18-22). En alsof Israëls God zich alleen in de heilsgeschiedenis laat kennen. Maar de serafs claimen ook de schepping als domein van Gods openbaring en het boek Jesaja illustreert dat met tal van natuurverwijzingen en scheppingsmetaforen. Concreet betekent dit dat wat wij vandaag als biodiversiteit aanduiden Gods glorie belichaamt (vgl. Ps. 104) en dat mensen met de massale uitroeiing van dier- en plantensoorten God in zijn eer aantasten. Juist dit besef is voor mij een sterke motivatie geworden om ook de ecologie te betrekken in mijn leven met God.

Heilige natuur?
In haar boek Sacred Nature, in het Nederlands vertaald als De heilige natuur, pleit Karen Armstrong ervoor dat mensen het mysterie van de natuur leren eerbiedigen en daarbij net als de serafs ‘holy, holy, holy’ roepen. In alle religies – behalve in die op de Bijbel gestoeld zijn – signaleert zij een diep ontzag voor de heiligheid van de natuur, die zij identificeert met het goddelijke. Armstrong betoogt dat de herontdekking van deze heilige werkelijkheid vraagt om een verandering van ons godsbeeld en een nieuwe triniteit van mensheid, hemel en aarde. God is geen wezen dat zich boven de natuur bevindt en zich daarbuiten openbaart, maar het ‘zijn’ dat alles doortrekt. De serafs drukken zich over de relatie tussen God en de natuur genuanceerder uit en bewaren het onderscheid tussen Schepper en schepping. Toch krijgt Armstrong ook van christenen vandaag bijval in het spreken over een heilige aarde (zie Kontekstueel 39/3), vaak geïnspireerd door de oosters-orthodoxe theologie. Sommigen wijzen daarbij op de andere lading die het Engelse woord ‘sacred’ in vergelijking met ‘holy’ heeft. Maar een heiligverklaring van de aarde maakt mensen kwetsbaar voor panentheïstisch gedachtegoed. Niet iedereen is voldoende onderlegd om de theologische waarschuwingslampjes te zien branden. Hoe sympathiek de motieven ook zijn en zo’n heiligverklaring een respectvolle omgang met de natuur kan aanwakkeren, het helpt niet in preken voor kerkgangers die nog weinig ecologische urgentie ervaren en een ‘klimaatreligie’ vrezen. Ik heb weinig met klimaatontkenners, maar het lezen van Armstrongs boek heeft mij meer begrip gegeven voor hun religievrees. Haar pleidooi is invloedrijk en heeft een beter alternatief nodig.

JHWH Zebaot
Een aanknopingspunt daarvoor vind ik in de godsnaam die de serafs gebruiken. De naam JHWH Zebaot is oorspronkelijk met de verbondskist verbonden (1 Sam. 4:4) en meegekomen naar Sion, de tempelberg (2 Sam. 6:2). Hij laat zich moeilijk vertalen, maar staat voor Gods onbeperkte macht om te handelen in de geschiedenis van Israël. Dat handelen is op bevrijding gericht, maar kan ook oordeel meebrengen. Het slot van Jesaja 6 laat zien hoe verwoestend dit kan uitwerken, ook voor het land. Het lot van volk en land zijn onlosmakelijk verbonden, ten goede en ten kwade. De schepping heeft in de Bijbel geen intrinsieke heiligheid, net zomin als Israël als ‘volk dat onreine lippen heeft’ (Jes. 6:5). Door zijn oordeel heen werkt God wel toe naar een volk dat zijn lof verkondigt (Jes. 43:21; 57:19) op een manier die bij zijn heiligheid past. Daarvoor zal God zijn glorie ook in Israëls geschiedenis en voor al wat leeft zichtbaar maken (Jes. 40:5). Dat gaat via de belofte van bevrijding uit ballingschap en herstel (Jes. 35:2; 60:2) naar de menswording van Gods Zoon (Joh. 1:14). Origenes en Hiëronymus lazen Jesaja 6:3b zelfs als een rechtstreekse profetie van de openbaring van Gods glorie in Christus. De schepping verdween in hun uitleg uit beeld. De serafs houden geschiedenis en schepping echter bij elkaar, zoals heel het boek Jesaja dat doet. De uitdaging voor voorgangers is dan ook om hun preken over de schepping in te bedden in een heilshistorische bijbeluitleg.

Theater van Gods glorie
Calvijn spreekt over de schepping als theater van Gods glorie. Beter nog dan het woord ‘mantel’ biedt dat ruimte om ook de heilsgeschiedenis erin te betrekken. De heilige God die in de schepping zijn glorie manifesteert, is JHWH Zebaot die zijn onbegrensde macht bovenal in de geschiedenis van Israël en in de menswording van zijn Zoon heeft geopenbaard. De schepping getuigt van Hem en is daarin eerder sacramenteel dan sacraal, meer verwijzend dan dat ik God zelf erin kan vinden. Om haar sacramentele rol te vervullen heeft de volheid van de aarde het Woord nodig, het gesproken en vleesgeworden Woord. ‘’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis’ (Liedboek 978). Als voorganger wil ik mensen daar gevoelig voor maken, bij voorkeur in de combinatie van kerkdienst en verwonderwandeling, omdat deze elkaar nodig hebben. Het is mijn heilige overtuiging dat kerkgangers die in een metselbij of grutto Gods glorie leren zien eerder geneigd zijn zich ook ecologisch te bekeren.

Prof. dr. J. Dekker is bijzonder hoogleraar bijbelonderzoek en christelijke identiteit (Henk de Jong-leerstoel) aan de Theologische Universiteit Utrecht.
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Raadplegingen: 279