maart 2013 (jaargang 27 nr. 4)
M.C.A. Korpel
Bestaat God enkel bij de gratie van ons getuigenis?

In Jesaja 43:12 wordt het volk Israël dat in de ellende van de ballingschap verkeert opgeroepen ‘getuigen van God' te zijn. Volgens de vroege Joodse midrasj Sifre op Deuteronomium zou God de bedoeling van deze tekst uit Jesaja als volgt hebben uitgelegd: Als u mijn getuigen bent, dan ben ik God, en als u niet mijn getuigen bent, dan ben ik, als het ware, geen God.
‘Als het ware…’ - natuurlijk maakten ook de Joodse rabbijnen het bestaan van God niet afhankelijk van het getuigenis van mensen, maar als het getuigenis ooit zou eindigen, dan zou het wel lijken dat God ook niet meer bestond. Immers, wanneer God spreekt doet Hij dat altijd via mensen. Ofwel via een innerlijke stem (zie gezang 463:5, LvdK), ofwel via boodschappers. In de Bijbel zijn het vooral de profeten die woorden van God spreken. En hoewel het volk weet dat het de profeten zijn die spreken, zeggen de bijbelteksten meer dan eens ‘En God sprak…’

Woorden van God
Er zijn wel geleerden die daarom zeggen dat God alleen maar via mensen spreekt en dat het de vraag is of die mensen ons niet voor de gek houden. Spreken zij niet gewoon hun eigen woorden? Maar wie dat beweert, negeert de teksten die laten zien dat vele Godsmannen en vrouwen moeite hadden met het spreken van Gods woorden. Van Mozes wordt gezegd dat hij een bijzondere Godservaring heeft bij een braamstruik. Hij wordt als het ware gegrepen door Gods Geest. Hij moet woorden van God gaan spreken. Mozes wil niet, hij probeert het af te wentelen op zijn broer Aäron, die veel beter kan spreken (Ex. 3). De profeet Jesaja roept uit dat hij moet zwijgen en geen profeet kan zijn omdat hij een mens is met onreine lippen (Jes. 6). De profeet Jeremia wil ook niet als hij geroepen wordt, en zegt dat hij veel te jong is, en het niet kan (Jer. 1). De apostel Paulus wordt onderweg van Damascus naar Jeruzalem gegrepen door God, hoewel hij juist een vervolger van de aanhangers van Jezus is.
Uit alles blijkt dat het weliswaar mensen zijn die de woorden van God spreken en als getuigen van God optreden, maar het is God zelf die via zijn Geest mensen bij de kladden grijpt en aanzet tot dat getuigen. In het oude Babylonië blijkt men er zelfs een speciaal woord voor te hebben. Een woord dat duidt op godenwoorden, gesproken door gewone mensen. Dat is eigenlijk zoals het ook in de Bijbel voorkomt.

Hoe is God nu nog aanwezig?
Volgens Deuteronomium 4:36 en 5:23-27 is het alsof het volk de Tien Geboden rechtstreeks uit de mond van God heeft gehoord en Mozes pas daarna als bemiddelaar heeft gevraagd, maar Deuteronomium 5:5 lijkt er toch op te wijzen dat ook de Tien Geboden al door Mozes als bemiddelaar zijn uitgesproken. In de Bijbel is dat ook de algemene visie: God spreekt via tussenpersonen, zoals profeten, priester, zangers en zieners.
Het probleem van onze tijd is dat we zo ver van de Bijbel zijn komen af te staan, dat we als gelovigen (met overigens vele niet-gelovigen die God er over aanvallen) zijn gaan denken dat in bijbelse tijden God heel direct en hoorbaar tot mensen sprak. Via een hemelse stem die je zomaar kon horen. Maar ook in bijbelse tijden moesten Gods woorden gesproken worden door gewone mensen. Wanneer we dat niet meer beseffen kan het gebeuren dat we straal voorbij gaan aan woorden van God. Als we een groot wonder verwachten wanneer God zou spreken, dan zullen we God vermoedelijk niet gauw horen. Ook in bijbelse tijden ging het immers niet zo.
In gewone woorden van profeten hebben de Israëlieten vaak pas veel later de woorden van God herkend. En heeft men gezegd: deze man, deze vrouw, sprak woorden van God en die moeten we opschrijven. Misschien zouden wij ook voor onze kinderen en kleinkinderen moeten opschrijven wanneer we in ons leven iets van God gehoord of ervaren hebben. Pas als we ons openstellen voor Gods woorden in gewone mensenwoorden, kunnen we God ook in deze tijd weer gaan horen. In gewone gebeurtenissen in het leven, soms onverwacht.
Wanneer we het contact met God op een specifieke manier verwachten en enkel daarop wachten, kan het soms lang duren, en kan die ene mens door wie God tot ons spreekt, tijdens een bezoekje, of misschien wel via een sms, een telefoontje, ja zelfs een tweet, onopgemerkt blijven. Het is dus zaak dat we net als de Israëlieten uit bijbelse tijden de ogen en oren weer durven openen voor bijzondere woorden van God dwars door mensenwoorden heen. Die ander door wie God ons aanspreekt, weet zelf misschien niet eens dat hij of zij een boodschapper van God is.

God kan zwijgen
Maar wat als wij ook in mensen om ons heen God niet meer horen? Wanneer wij twijfelen of God er eigenlijk nog wel is? Wanneer de woorden ons in de mond blijven steken, en we ook zelf geen getuigen van God meer kunnen zijn, hoewel we dat zielsgraag zouden willen? Moeten we het dan misschien zo zien, dat God werkelijk in alle talen zwijgt, en het niet aan ons zwijgen ligt? Wil God ons wat leren met het zwijgen dat we van zijn kant ervaren?
In de Bijbel komen er ook tijden voor dat de Israëlieten het gevoel hebben dat God zwijgt. Heel in het bijzonder is dat het geval in de ongeveer 50 jaar van de ballingschap in Babel, na de verwoesting van de stad Jeruzalem en zelfs de tempel, dat toch het huis van God was, de wegvoering van de elite en de koning naar Babel. Via de profeet Jesaja geeft God toe dat hij lang gezwegen heeft (Jes. 42:14): ‘Al zo lang heb ik niets gezegd, ik heb gezwegen, me beheerst. Nu schreeuw ik het uit als een barende vrouw, ik zucht en ik zwoeg tegelijk.’ Maar de Israëlieten in ballingschap en in het verwoeste Jeruzalem, die niets meer van God hadden vernomen in al die voorgaande jaren, klagen dat er niemand meer is die hen troost (Klaagl. 1:2, 16, 17, 21) en men denkt dat God het volk helemaal niet meer opmerkt (Jes. 40:27). Blijkbaar klaagde men God ook aan over het lot van het volk (Jes. 45:9-13).

Niet opgeven
Wat nu opmerkelijk is, is dat juist diegenen die zo klagen, door de profeet worden opgeroepen om zelf op te staan, en hun volksgenoten te gaan troosten (Jes. 40:1). De bevolking van Sion wordt midden in de ellende van haar puinhopen opgeroepen om op een hoge berg te klimmen en op te treden als vreugdeboodschapster (Jes. 40:9). Maar de mensen zijn diepbedroefd, ze ervaren immers niets meer van God? De profeet roept hen op om de troostboodschap over te nemen, maar ze somberen: ‘Wat zou ik roepen? De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem. Het gras verdort en de bloem verwelkt wanneer de adem van de HEER erover blaast.’ Nee, men heeft God nog niet helemaal opgegeven, maar men verneemt en ervaart niets meer van Hem. En die profeet, die in precies dezelfde ellende verkeert, roept zijn volksgenoten toe en geeft hen deels gelijk: ‘Jazeker, als gras is dit volk. Het gras verdort en de bloem verwelkt, … maar het woord van onze God houdt altijd stand!’ (Jes. 40:6-7).
Hier geeft de profeet zelf aan dat de boodschap die hij uitspreekt getuigenis is van God. In de diepe ellende waarin ook die profeet zelf geleden moet hebben aan Gods afwezigheid, heeft hij, in tegenstelling tot vele anderen, toch niet het geloof in God opgegeven. Hij is blijven geloven dat God ergens nog moest zijn en ooit weer van zich zou laten horen. Wat hij doet is: God weer ter sprake brengen. En de kracht van de boodschap zit hierin, dat de profeet alle mensen die in de put zitten oproept om ondanks alles tóch te gaan getuigen van God, tegenover hun medemensen die ook in de put zitten.
Helpt dat dan? Ja, dat helpt. Immers: wie ondanks zijn eigen ellende om zich heen kijkt en probeert anderen om zich heen die verdriet hebben, te troosten en probeert van God te getuigen, die zal ervaren dat hij er zélf troost van God voor terugkrijgt. Door om te zien naar de ander en God ter sprake te brengen, komt ook God zelf weer aan het woord. Natuurlijk, dan moet er wel eerst iemand zijn, die zich aangesproken voelt door God. Die zich gegrepen voelt door Gods Geest. In dit geval is dat de profeet en hij veroorzaakt een soort sneeuwbaleffect. Hij spreekt mensen om zich heen aan, om de boodschap over te nemen, en te zeggen dat God weliswaar gezwegen heeft, en men zich inderdaad misschien ook moet afvragen of die afwezigheid er was omdat men God in de steek had gelaten (zoals Jesaja 40:2 zegt: Jeruzalems slavendienst is voorbij, haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen), maar men moet nu elkaar gaan bemoedigen door weer over Gods verbond te gaan spreken. Gods trouw is immers eeuwig, ja, zoals de profeet zegt: onze ellende mag dan erg zijn, maar uiteindelijk kan God het er niet bij laten. Zijn woord staat vast tot in eeuwigheid!

Uit het moeras
Is dat niet een oproep om onszelf aan de eigen haren uit het moeras te trekken? Nee, zeker niet. Immers: wie erop vertrouwt dat het God zelf is die ons zijn woord gegeven heeft in de Bijbel, mag zich gedragen weten door die aloude woorden van God. Dan kunnen we inderdaad grootse woorden over God spreken, die boven onszelf uitstijgen. Als je zelf de moed hebt om niet bij de pakken neer te zitten, maar ondanks Gods zwijgen op een berg te klimmen en actief van God te getuigen, dan zul je zien, dat van de andere zijde God je tegemoet komt (Jes. 40:9-11). Wanneer we naar beneden blijven staren, in onze eigen diepe put van pessimisme over God en over onszelf en de wereld, dan zullen we niet zien dat aan de andere kant van de berg die ons het zicht belemmert, God ons al tegemoet komt. ‘Stil maar wacht maar’ blijkt niet zo bijbels te zijn. Soms moeten we als mensen ook zelf eerst actief een klein beginnetje maken om onszelf uit het moeras te halen. Als wij dat doen, zullen we ervaren, dat God ons niet loslaat, maar in de verte als een klein stipje weer zichtbaar wordt.

Dr. Marjo Korpel is universitair hoofddocent Oude Testament aan de Universiteit Utrecht en predikant met bijzondere opdracht (PKN). Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

 

Afdrukken