november 2011 (26e jaargang nr. 2)

W.H. ten Boom
Van Rulers tinteltheologie

Wie een artikel of boek van Van Ruler begint te lezen, beseft al gauw in een wereld terecht te komen waar het er anders aan toe gaat dan in de meeste andere geschriften. Wat dat andere is, is niet eens zo makkelijk te achterhalen. Ik denk dat zelfs de ervaren Van Ruler-lezer zich blijft verwonderen en er zijn vinger niet helemaal achter krijgt.

Eén ding is direct duidelijk: hier is een mens aan het woord die theologiseert vanuit een diepe vreugde en dankbaarheid om God en het bestaan. Wat hun geheim ook is, Van Rulers teksten tintelen. Hij is een tinteltheoloog. Dat deze tintelingen alles te maken hebben met de grote rol die de Heilige Geest bij Van Ruler speelt is zonneklaar. Zeker kunnen we Van Ruler een bevindelijk theoloog noemen die wilde theologiseren vanuit een intieme omgang met de Heilige Geest. Maar het was een bevindelijkheid zonder kommernis en zonder zieleknijperij. Het was een bevinding van louter vreugde voor God te mogen leven met ziel en lichaam; inwendig, zeker, maar evengoed uitwendig. Want waar in de protestantse theologie de neiging bestaat om, zodra het gaat over de Heilige Geest, te komen tot een verinnerlijking en een versmalling, daar treedt bij Van Ruler juist een veruiterlijking en een verbreding op. Wij gaan door de Geest tintelen om op te staan tot vreugde, in heel ons uitwendig bestaan.

Theologie van de Heilige Geest
Van Ruler staat en wil staan in de gereformeerde traditie. Hij kan met waardering spreken over Calvijn. Maar er is één punt waarop Calvijn hem zeer na aan het hart ligt: het leerstuk van de Heilige Geest. Vooral op dit gebied, dat voor de theologie van Calvijn steeds zo wezenlijk blijkt te zijn, wil Van Ruler zijn leerling zijn. Niet voor niets wordt Calvijn de ‘theoloog van de heilige Geest’ genoemd. Met goed recht zouden we ook Van Ruler die eretitel kunnen geven. En dan gaat het om een leerling die werkelijk verder dan de leraar wil.
Wie aan Van Ruler denkt, denkt aan noties als ‘wet’ en ‘theocratie’, ‘cultuur’ en ‘staat’. Allemaal op hun beurt nogal massieve begrippen die hun recht opeisen binnen zijn denken. Hij heeft zich er niet overal geliefd mee gemaakt. Maar al deze begrippen krijgen in zijn theologie betekenis, gaan pas leven langs de trappen en de stappen van de Heilige Geest. Het zijn bij Van Ruler, ik waag het te zeggen: uiterst spirituele begrippen, omdat zij vruchten van de Geest zijn. Vooraankondigingen, voorafspiegelingen, praefiguraties zoals hij zegt, dus voorafdrukken van het Rijk van God. Want het is de Heilige Geest die ons vanuit dat Rijk, vanuit dat einde tegemoet waait en die zo overal voorlopige gestalten van dat Rijk opwerpt. Zoals takken door de wind worden bewogen. Dat is het spel van God met ons mensen, dat wij ook hebben te spelen met elkaar. Totdat wij ook dat afleggen en God alles in allen zal zijn.

In deze innige verwachting van de komst van Gods Rijk is Van Rulers theologie geschreven. ‘Rijk van God’ lijkt dus wel zijn meest intieme theologische categorie te zijn. Maar het is de Geest die de schepping nu al vanuit dit Rijk boordevol vervult.
‘Reich Gottes’ was de leus waarmee de aanstormende filosoof Hegel en dichter Hölderlin afscheid van elkaar namen, toen zij in 1793 hun theologische opleiding in Tübingen voltooiden. Van Ruler doet vaak aan Hegel denken, bijvoorbeeld in zijn liefde tot de staat of als hij zegt dat de filosofie hoger staat dan de theologie. De eerste immers mikt op ons uiteindelijke schouwen en weten, terwijl de tweede zich schaart rondom de verborgenheden van het kruis – dat dan zal hebben afgedaan. Dat zijn ongewone geluiden. We krijgen onze vinger er niet helemaal achter, maar we proeven: Van Ruler wil het breed maken, opengooien, veruitwendigen, overstijgen.

De oudere hervormde Noordmans (1871-1956) sprak over de schepping als een lichtplek rondom het kruis. Ook hij wilde zeer bewust bij Calvijn aansluiten in zijn leer van de Heilige Geest. Maar hoe anders dan bij Van Ruler. Bij zo een uitspraak lijkt heel ons leven in de slagschaduw van Golgotha te staan. Van Ruler lijkt echter te zeggen: wacht even, maar tussen jou en dat kruis waait de Geest. Hebben wij mensen dan zomaar zicht op Jezus’ dienst der verzoening? Het eigenlijke drama tussen Vader en Zoon waardoor God en mens verzoend zijn, het eigenlijke heil van de vergeving van onze zonden, heeft zich toch juist in het verborgene voltrokken. En heeft God zijn heil niet naar buiten toe uitgestort op alle vlees, om te wonen bij ons mensen?
‘De Geest werkt historisch’ komen we geregeld bij Van Ruler tegen. Zomin wij dus de wereld kunnen zien los van Christus en zijn kruis, kunnen we haar zien zonder de uitstorting van de Geest. Graag spreekt Van Ruler dan ook van een ‘reidans’ van de daden Gods. Schepping, verzoening en uitstorting van de Geest zijn alle even ‘objectieve’ daden in deze dans. Noch schepping, noch de gaven van de Geest mogen versmald worden tot Christus – alsof het God uiteindelijk in alles alleen om Hém is begonnen.

Trinitarische theologie
Calvijn ontwikkelde zijn theologie sterk onder de indruk van, maar ook in toenemende onderscheiding tot Luther en het lutheranisme. Hetzelfde kunnen we zeggen voor Van Ruler en Karl Barth. Ook hij staat, als meer hervormde theologen, aanvankelijk sterk onder de invloed van Barth (1886-1968), maar gaat dan steeds meer een eigen weg. Het zal ons niet verbazen dat de zogenaamde ‘christologische concentratie’ bij Barth voor Van Ruler een ongeoorloofde versmalling is. De aandacht in zijn denken gaat dan ook uit naar het ontwikkelen van een (relatief) zelfstandige pneumatologie náást de christologie. Zijn grote worp doet hij in De vervulling van de wet, zijn proefschrift uit 1947. Als hij spreekt over de vervulling in de messias houdt hij het tamelijk klassiek en kort. Maar als dan de vervulling in de Geest aan bod komt, wordt het uitermate spannend. Je proeft hem putten uit jaren en jaren zelfstandig denken en speculeren, om het nu in vrees en beven op te schrijven. Van Ruler wist zich in het ontwikkelen van een pneumataologie dan ook nieuw, en ook tamelijk eenzaam. Er was ook wel moed voor nodig, menselijk, maar ook qua intelligentie. Het is jammer dat Van Ruler met Barth niet direct in gesprek gaat. Zij hadden vast meer van elkaars intelligentie en pioniersdrift kunnen leren in plaats van elkaar vooral te negeren. Pas helemaal aan het eind van zijn leven zal Barth zeggen dat het ook mogelijk moet zijn om een theologie van de Heilige Geest te ontwerpen. Dit tot schrik van Miskotte, die derde grote hervormde theoloog, voor wie de christologische concentratie nu juist heilig was geworden.

Toch laat ook deze suggestie van Barth zien hoe verschillend Van Ruler en hij dachten. Het ging Van Ruler niet om een ordenend principe, een archimedisch punt als het ware, vanwaaruit we over God kunnen spreken. Dat was hem te monistisch. Het ging hem om de Geest náást Christus, beiden voluit God, die onderling evenzeer van elkaar verschillen als dat zij bij elkaar horen. Ook de Geest is voluit God, voluit Persoon naast Vader en Zoon, die op een eigen wijze naar buiten treedt – en dus geen afleggertje van Christus.
Je krijgt de indruk dat zich hier duizelingwekkende vergezichten openden voor Van Ruler, die hij dankbaar als een kind over het voetlicht bracht. Van Rulers gedachten zijn mooi, op het verleidelijke af, omdat innigheid en speculatie elkaar raken. Zeker waar hij schrijft over datgene waarin hij zijn aanvang neemt: de triniteit. Zijn ontzetting en ontroering: het is de Here God zelf die ons deelgenoot maakt van het raadsel van de wereldgeschiedenis en ons zelf tot eeuwige vreugde aanneemt. Zijn moed: dogmatisch doordenken en ‘terugdenken’ vanuit deze vrijheid, als de vrijheid die ons in Christus is gegeven juist om…  als ik dat zo mag zeggen: boven Christus uit te gaan. Zijn de kerken voor deze duizelingwekkende gedachten niet altijd teruggeschrokken, omdat zij de Geest te weinig als Schepper en Rechter en Moeder zagen, maar beperkt hebben tot louter een spot op Jezus, een lichtkrans om zijn hoofd?

Hoe teder kan Van Ruler opeens spreken, vergeleken met de striemende strofen van een Thomas à Kempis om de mens tot op het bot naar Christus’ beeld te modelleren, of met de constante (angstvallige?) binding bij Barth van de mens aan Christus en het Woord. Het thema van de vrijheid van de mens, hoe hij door God tot subject en mede-subject wordt, dat we zo sterk kennen uit de negentiende eeuwse ethische theologie, in combinatie met haar weten van een eschatolon dat hoger is dan de kerk, komt bij van Ruler ongetwijfeld tot grote bloei. Eigenlijk, zegt Van Ruler, is het protestantisme van een Luther of een Barth niet volop katholiek, dus algemeen, maar nog steeds rooms. Rome wil in zijn ‘incarnatie-theologie’ het Woord gevangen houden: in het ene lichaam van Jezus, in de ene kerk als zijn ene lichaam. Het Woord wordt zo tot sacrament, als één beveiligd stukje werkelijkheid – maar daarmee wordt de schepping in haar veelheid prijsgegeven. Alleen de Geest die in het zondige vlees wil wonen maakt werkelijk vrij.  

Vrijheid in veelheid
Kunnen wij iets leren van dit spreken over de Geest? Ja zeker: de moed om vrij te zijn en vrij te denken. Theologie – niet als een discipline om bij God zekerheden te zoeken in een angstaanjagende wereld. Geen heilige leer wier objectieve waarheid wij eerst poneren, om ons daarna daar slaafs aan te onderwerpen. Nee, God wil ons werkelijk doen openbloeien, in alle kwetsbaarheid en voorlopigheid, tot wij voor altijd met Hem zijn.
Ik eindig met twee citaten waarin deze vrijheid doorkinkt. Ze komen uit ‘De noodzakelijkheid van een trinitarische theologie’, een lezing voor het eerst in Duitsland gehouden in 1956.

‘Misschien zijn wij in de heerlijkheid, in het eschatologische rijk, zover boven alle agapè (christelijke liefde, WtB) en pistis (geloof, WtB), boven alle ethiek en logica uit en zo helemaal in de aanschouwing verzwolgen, dat er daar in dit opzicht helemaal geen vragen meer zijn. God en mens zijn dan twee en niet één; maar het zou mogelijk zijn dat zij in de wederkerigheid van de vreugde over elkaar deze tweeheid eenvoudig vergeten of deze juist als het wezen van alles en in het bijzonder als het wezen van de vreugde beaamden. Het trinitarische wezen van God en het tijdelijke wezen van mens en wereld tonen dan misschien hun inhoudelijke identiteit.’

‘Het eigenlijke geschiedt niet als de prediking geschiedt, maar nadat zij geschied is. Het eigenlijke geschiedt niet in de kerk, maar in het hart van de mens, in zijn omgang, op de straat, in het beroep, in de staat. Daarom heeft de prediking noch een absolute eenheid noch een absolute zekerheid nodig. Als zij deze had, zou zij juist geen profetie meer zijn; zij zou dan tirannie geworden zijn.’

De Geest staat naast Christus, zegt Van Ruler. Maar je kunt je niet aan de indruk onttrekken, dat Hij nog boven Hem uitgaat. Hij doet ons als geen ander tintelen en opstaan tot vreugde.

Dr. Wessel ten Boom is predikant (PKN) en redactiesecretaris van ‘In de Waagschaal’
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afdrukken