november 2011 (26e jaargang nr. 2)

J.P. de Vries
Theocratie: de clou van de hele grap

Een centraal thema in de theologie van Van Ruler is zijn pleidooi voor theocratie: staat en kerk werken samen aan de kerstening van het volk. Hij ziet kerstening als weg waarlangs de theocratie nagestreefd wordt. Het resultaat is een staat die als corpus christianum gekarakteriseerd kan worden: kerkvolk en natie vallen samen. Hij schreef ooit: ‘In onze tijd kan men om de idee van de theocratie alleen maar lachen, maar ik ben ervan overtuigd dat men in de éénentwintigste eeuw zal merken dat dit de clou van de hele grap is.’

Van Ruler kent slechts een heidense staat en een staat met de bijbel. Een neutrale staat is niet mogelijk. Kenmerkend voor de staat met de bijbel is dat die de bijbel als geestelijke grondslag heeft en het recht fundeert op Gods geboden. Op de weg naar de eschatologische realisering van het Koninkrijk van God gaat het om de staat; de kerk is slechts instrument om de staat Gods geboden voor te houden. In een staat met de bijbel is het volk, althans uiterlijk, gekerstend en dient als geheel de Heer. Dit fundeert hij op verkiezing en verbond, waarin het niet gaat om individuen of geslachten, maar om volken. Een tweedeling tussen een christelijk en een niet-christelijk volksdeel wijst hij af.
De kerk heeft bij Van Ruler wel een grote plaats in de kerstening van het volk en de staat. Daarbij kent hij de Hervormde Kerk een centrale, maar geen exclusieve plaats toe. De theocratische gedachte dat de kerk de geopenbaarde waarheid ook in de politieke dingen heeft te verkondigen, wordt door kerkelijke verdeeldheid ondergraven en dat maakt voor hem de oecumenische beweging bijzonder urgent.

De fundering van het ideaal
Van Ruler ziet Gods handelen met deze wereld zich voltrekken vanaf de schepping tot het eschaton met als doel de opperheerschappij van het Koninkrijk van God. De zondeval is daar verstorend tussen gekomen; daarom heeft de wereld verzoening nodig door Christus en heiliging door de Heilige Geest. Dat alles vormt echter een intermezzo tot de volledige doorbraak van het Koninkrijk op de jongste dag. In dat proces van heiliging als vorming van voorlopige gestalten van het rijk van God in deze wereld speelt de staat een grotere rol dan de kerk. In het kader van Gods heilshistorisch handelen om zijn Koninkrijk te vestigen kent hij een grote plaats toe aan christelijke overheden. Daarbij is het oudtestamentische Israël het normatieve model. Een onderbouwing met speciale bijbelteksten speelt bij hem maar een beperkte rol. Wel hangt zijn theocratisch visioen rechtstreeks samen met zijn visie op het Oude Testament. Hij maakt onderscheid tussen het Oude Testament, dat theocratisch, en het Nieuwe, dat soteriologisch gericht is. Over de toepassing van het theocratisch ideaal in voorbije eeuwen is zijn oordeel genuanceerd en idealiseert hij niet. Wel is een belangrijk element in zijn theocratisch visioen, dat hij de geschiedenis en cultuur van Europa waardeert als bepaald door het christendom. Hij kent aan de Europese volken een roeping toe voor de kerstening van volkeren in andere werelddelen.
Samenvattend kunnen we stellen dat het theocratisch ideaal bij Van Ruler rust op vijf pijlers: de kerstening als gemeenschappelijke opdracht van kerk en staat, de visie op het christendom als vermenging van openbaring en heidendom, de visie op het Oude Testament met Davids theocratisch koningschap als model voor alle tijden, de gedachte dat in de nieuwtestamentische bedeling de volkeren natiegewijs tot Christus worden gebracht, en de visie op de westerse cultuur als christelijke cultuur.
Mijn kritiek hierop is, dat te weinig het eigenaardige van de oudtestamentische bedeling in rekening wordt gebracht. De gedachte dat in de nieuwtestamentische bedeling de volkeren collectief gekerstend worden, vindt geen steun in de Heilige Schrift. De taak die Van Ruler aan de overheid toekent inzake de kerstening, leidt onvermijdelijk tot religieuze dwang. Het christendom wordt geen recht gedaan met de typering als vermenging van openbaring en heidendom. Te gemakkelijk wordt de Europese cultuur gewaardeerd als christelijke cultuur.

De invulling van het ideaal
De theocratie is voor Van Ruler een concreet, maar niet volkomen realiseerbaar ideaal. Ze is echter meer dan een vage droom. Hij heeft een concrete voorstelling hoe de kerk en de overheid in zo’n bestel zouden moeten functioneren en van hun onderlinge verhouding. Daarbij bekommert hij zich weinig om de vraag naar de praktische uitvoerbaarheid in de Nederlandse samenleving van zijn dagen. Van Ruler denkt normatief; de praktische politiek laat hij aan anderen over. In een theocratische samenleving zoals hem voor ogen staat, moeten de staat en de kerk in grote eenheid, als in een huwelijk, samen het volk kerstenen en regeren. Aanvankelijk pleit Van Ruler voor beperking van staatkundige rechten voor burgers die niet van de ware religie zijn, maar na 1945 is hij daar niet meer op teruggekomen. Hij beseft dat zo’n theocratisch geregeerde staat agressief zou overkomen bij andersdenkende burgers. Jegens hen wil hij geen geweld, maar op principiële gronden een grote mate van tolerantie. Over de grenzen daarvan laat hij zich niet concreet uit.
Zijn oordeel over de tolerantie en de publieke rechten van andersdenkenden wordt geleidelijk positiever. Maar voor de spanning tussen zijn theocratisch visioen en de eveneens door hem bepleite tolerantie geeft hij geen overtuigende oplossing. Dat blijkt ook uit wat hij schrijft over de publieke positie van de Rooms-Katholieke Kerk en van het Humanistisch Verbond. De opkomst van andere godsdiensten onderkent hij wel, maar de vraag naar tolerantie jegens hen komt nog niet concreet aan de orde.
Van Ruler beseft de waarde van volksinvloed bij de regering, maar zijn visie op de theocratische inrichting van de staat brengt hem wel in problemen met het moderne democratische stelsel van politieke partijen en geestelijke vrijheid voor alle overtuigingen. Hij gaat echter geleidelijk meer de positieve kanten en de waarde daarvan inzien. Daardoor ontwikkelt zijn houding zich van een compromis met een onvolkomen werkelijkheid tot royale aanvaarding. Een heldere harmonie tussen theocratie en democratie weet hij echter niet te geven. Er blijft bij hem spanning tussen waarheid en mondigheid.
Vanuit zijn vereenzelviging van kerkvolk en natie heeft hij principieel moeite met de figuur van christelijke organisaties, maar op praktische gronden kiest hij in de gegeven omstandigheden toch voor een christelijke politieke partij en christelijke lagere school. Op de achtergrond blijft echter het ideaal van de ene natie die eendrachtig God dient, steeds aanwezig.

Betekenis voor vandaag
Er zijn elementen die mij aanspreken in de visie van Van Ruler. Dat is in elk geval de positieve waardering van het geschapene als werk van de Schepper, zijn eerbied voor de overheid als dienares van God en zijn liefde voor het volk, dat hij zo graag in zijn geheel God zou willen zien dienen. Ook waardeer ik zijn afwijzing van de radicale theologie die in de jaren zestig opkwam. Over de werking van het democratisch stelsel, de neutraliteit van de overheid en de verdeling van het volk in partijen heeft hij kritische vragen gesteld waaraan de theologische ethiek niet achteloos voorbij kan gaan. Zijn visie plaatst ons voor de vraag: Is een christelijke staat een bijbels na te streven doelstelling? En zo niet, of wanneer dat doel niet bereikbaar is, hoe moeten christelijke overheidspersonen dan omgaan met de geestelijke verscheidenheid onder het volk? Kan een christen die ervan overtuigd is dat het Woord van God de waarheid is, participeren en verantwoordelijkheden dragen in een politiek bestel waarin over de waarheidsvraag geen uitspraak wordt gedaan en alle overtuigingen gelijke rechten hebben? Wat betekent dit voor de grondslag van partijvorming?
Naar mijn oordeel ging Van Ruler in zijn kritiek op het democratisch stelsel uit van een eenzijdige visie op democratie. Tot het wezen van de democratie behoort de erkenning van de rechtsstaat (de rule of law: ook het hoogste gezag is ondergeschikt aan de wet; macht is geen vrijbrief voor willekeur) en de erkenning en bescherming van de rechten en vrijheden van minderheden. Wanneer we democratie zo opvatten – en dat is niet enkel een idee binnen de gereformeerde ethiek, maar evengoed van niet-gereformeerde theologen en van juristen  –, kan een christen met vrijmoedigheid participeren in een democratisch bestel. Zijn christen-zijn hoeft hij daarbij – anders dan Barth wil – niet te verbergen, laat staan te verloochenen, maar hij zal hebben te accepteren dat zijn overtuiging inzake de absolute waarheid van Gods openbaring niet het algemeen aanvaarde uitgangspunt is in het publieke debat.
Binnen een democratische rechtstaat behoort de overheid alle burgers gelijk te behandelen, ongeacht hun geloofsovertuiging. In die zin dient de overheid onpartijdig te zijn. Wel ontkomt zij er niet aan voor haar eigen beleid keuzes te maken en te oordelen over goed en kwaad. Daarbij kan zij aan de wijsheid van de bijbel niet dan tot haar schade voorbij gaan. Christenen die zich in een partij op christelijke grondslag organiseren, doen er goed aan zich ervan bewust te zijn dat daaraan ook bezwaren verbonden zijn. Maar dat is geen grond om principieel van partijvorming op christelijke basis af te zien.

Het theocratisch ideaal, zoals Van Ruler dat voor ogen stond, is naar mijn oordeel niet de juiste invulling van de verhouding tussen kerk en staat, religie en politiek in de bedeling sinds Pinksteren. Van Rulers droom over een theocratisch geregeerde samenleving is aanlokkelijk – als we maar blijven beseffen dat we de realisering van deze droom eerst mogen verwachten nadat Jezus is teruggekomen om over alle mensen en volkeren te oordelen en zijn Rijk definitief te vestigen op een nieuwe aarde. Dan zal de tolerantie ook geen vraagstuk meer zijn, want alle goddelozen zullen van de aardbodem zijn verdwenen (Psalm 104:35). Op die toekomst mogen we niet vooruitlopen door van die droom een program te maken voor deze tijdelijke aardse bedeling en zo dat Rijk nu al te willen realiseren – een verleiding waaraan Van Ruler niet altijd is ontkomen.
Onder erkenning van het aardse karakter van het overheidsgezag mogen christenen ernaar streven om met gebruikmaking van hun democratische rechten het overheidsbeleid ten goede te beïnvloeden. Indien God het geeft, is het zelfs mogelijk dat een land voor kortere of langere tijd (mede) wordt bestuurd door overheidspersonen die zich willen laten gezeggen door het Woord van God. Ook dan ontstaat echter nog geen theocratische staat. Het blijft een vrije, democratische staat, waarin de overheid haar gezag niet inzet voor dwang of drang in geestelijke zaken, maar ieders vrijheid en verantwoordelijkheid eerbiedigt. De kerk dient ook in die situatie haar onafhankelijkheid en eigen verantwoordelijkheid te bewaren en de overheid heeft die te respecteren.

Jurn de Vries promoveerde op het theocratisch visioen van Van Ruler en is als post-doc onderzoeker verbonden aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg)
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afdrukken