35e jaargang nr. 2 (november 2020)
thema: Huisgodsdienst in tijden van corona

Elsbeth Visser – Vogel

Geloofsopvoeding zonder de kerk

Toen me gevraagd werd een artikel te schrijven over huisgodsdienst, werd ik meteen enthousiast. Maar nadat ik ‘ja’ had gezegd, twijfelde ik of ik wel de juiste persoon hiervoor ben. Huisgodsdienst – ik ben niet bepaald een schoolvoorbeeld. Dus bedenk bij het lezen van dit artikel: de werkelijkheid is soms (of vaak) wat weerbarstiger…

Als ik om me heen kijk, zie ik dat corona grote invloed (gehad) heeft op het kerkelijk leven en religieuze ervaringen van mensen en kinderen. De periode waarin thuisonderwijs gecombineerd moest worden met een baan, kostte zoveel energie en tijd dat huisgodsdienst er makkelijk onder ging lijden. De invloed werd extra merkbaar toen de kerken dichtgingen. Waar sommigen zondag aan zondag de diensten vanuit huis bleven beluisteren, kwam dit bij anderen onder druk te staan. Vooral gezinnen (vaak met jonge kinderen) ontdekten dat dit niet of nauwelijks te doen was. Als je niet aanwezig bent in de heilige ruimte van de kerk, voelt het alsof je naar een schouwspel kijkt. Het ervaren van heiligheid en rust is zo ongeveer onmogelijk als je met jonge kinderen aan de tafel een dienst beluistert en bekijkt. Er worden ondertussen bekers omgegooid, er wordt geruzied, gelachen, om stiften gevraagd, er wordt aandacht opgeëist door een peuter, geklierd door pubers. Door de ‘intelligente lockdown’ ontbrak de ontmoeting met andere gelovigen en werd de kerk tot een tweedimensionaal iets: een schermpje waar je met elkaar naar kijkt. De structuur en regelmaat van de zondagse bijeenkomsten verwaterden. Waarom precies op dezelfde tijd luisteren, als je ook wat later kunt luisteren? Confronterend en veelzeggend om te zien dat bij veel diensten de kerk wordt ‘uitgeschakeld’ ver voor het einde van de dienst.

De kerken zijn nu weer (voor een beperkt aantal mensen) open. Jongeren kunnen vaak weer naar catechisatie en clubs, kinderen zelfs weer naar de crèche. Maar de dreiging hangt in de lucht: stel dat we weer terug moeten naar de situatie van gesloten scholen en kerken. Wat vraagt dit van opvoeders?
Ouders zijn van groot belang voor de geloofsopvoeding van kinderen. Als school en kerk tijdelijk wegvallen, wordt dat extra duidelijk. Ouders zullen hun verantwoordelijkheid moeten nemen en hier prioriteit aan geven. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wij en onze kinderen geestelijk niet opdrogen? Welke bronnen kunnen we aanboren om kerk-zijn vol te houden, om geestelijk gevoed te blijven worden?

Heilig moment
De kerk is een plek waar je tot rust kunt komen. De stille, heilige ruimte kan ervoor zorgen dat de ziel geopend wordt om iets te ontvangen van God. Thuis zo’n moment creëren is veel ingewikkelder. Het kan helpen om hiervoor bepaalde rituelen te gebruiken. Voordat moslims tot God naderen, volgt men een vast ritueel. Men reinigt zich van alle grote en kleine onzuiverheden door zich te wassen (handen, mond, neus, gezicht, armen, oren, nek en voeten). Een ritueel kan helpen om de ziel te richten op God. Kinderen moeten zien dat er iets speciaals gaat gebeuren. Dit kan onderstreept worden met bijvoorbeeld het aansteken van een kaars die alleen voor deze gelegenheden gebruikt wordt. Laat iedereen kijken en steek de kaars in stilte aan. Het heilige en stille moment is pas voorbij als de kaars uitgeblazen is.

Stilte en eerbied
We denken vaak dat jonge kinderen alleen behoefte hebben aan drukte en bezig zijn. Maar ook zij kunnen stilte en rust als zeer weldadig ervaren. Kinderen moet geleerd worden om stil te zijn. Niet stil zijn omdat het moet, maar omdat je iets kunt ervaren in de stilte. Bij kleine kinderen hoeft het alleen nog maar te gaan om openheid, fijngevoeligheid, bewust worden van de zintuigen. Met kleine kinderen kunnen oefeningen gedaan worden als: ‘We zullen nu heel stil zijn. Wat hoor je? Wat voel je?’ Later kunnen kinderen leren iets tegen zichzelf te zeggen en nog later tegen God.
Opvoeders moeten wellicht zelf ook meer momenten van stilte creëren. Elk moment moet effectief gebruikt worden en de lege momenten worden vaak opgevuld met drukte, lawaai of bezigheid. Als we zelf niet af en toe de weldadigheid ervaren van stilte, hoe kunnen we dat de kinderen dan aanleren?

Zingen
Zingen is van groot belang in de geloofsopvoeding. Door liederen onthouden kinderen veel over het geloof, leren ze geloofstaal en wordt hen toekomstperspectief geboden. Het citaat ‘Qui bene cantat bis orat’ wordt toegeschreven aan Augustinus en betekent: wie goed zingt, bidt dubbel. Zingen is niet per definitie dubbel bidden, maar er moet goed gezongen worden. Laten we liederen aanleren met goede teksten, die het waard zijn een leven lang onthouden te worden. Liedjes die langskomen in online kinderdiensten zijn wat mij betreft vaak van lage kwaliteit. Ook voor kinderliedjes moeten we streng zijn op de kwaliteit en schoonheid. Het heeft de voorkeur dat er samen gezongen wordt, het liefst met muziekinstrumenten. Het is te begrijpen dat sommige ouders liever een liedje via Youtube aanzetten, maar het heeft niet mijn voorkeur. Het nadeel van het meezingen met Youtube is dat het beeld vaak afleidend is, er vaak reclames voorbijkomen en het zingen is vrijblijvend, omdat niemand het merkt of je wel of niet meezingt. Goed zingen maakt verbinding tussen mensen, maar ook tussen verleden, heden en (Gods) toekomst.

Feest
De zondag was vroeger bij ons thuis een feestdag. Er was alle tijd voor ontmoeting en het doen van spelletjes. Er werd uitgebreid ontbeten met croissants uit de oven. Er was altijd taart en ijs als toetje. En ik had ‘zondagse kleren’: extra mooi en van extra kwaliteit. Ook bij de kerkelijke feesten als kerst en Pasen kreeg je nieuwe kleren of werd je in ieder geval zo mooi mogelijk aangekleed. Van veel mensen hoor ik dat de zondagse diensten in corona-tijd in ochtendjas, onesie of pyjama worden meebeleefd. Dit lijkt mij niet echt bijdragen aan een feestgevoel. Bij een feest hoort feestelijke kleding, ontmoeting, zingen en wellicht een dansje. Ter Horst schrijft: Op de eerste dag van elke week is er – als het goed is – wel altijd een klein feestje. Wat bescheidener van opzet; de geschenken kunnen bijvoorbeeld worden vervangen door extra vriendelijk voor elkaar te zijn (…) – maar het móét een feest zijn. (…) Elke zondag moet er een oase-tje gespeeld worden, want het gaan dan om sabbath en paasmorgen tegelijk; schepping en herschepping. Het is zonde om daaraan voorbij te gaan, zonder dat opvoeders en kinderen samen, door de kracht van een feestelijk zondag-ritueel, hun richtingsbesef vernieuwen.’[1]

Relatie
Kerk-zijn en gemeente-zijn gaan verder dan de zondagse eredienst of het horen van het Woord. De gemeente is een groep mensen van vlees en bloed, die door God aan elkaar gegeven zijn. Daarbij is ontmoeting en relatie cruciaal. De gemeente heeft het zwaar te verduren als er alleen aandacht is voor de zondagse eredienst. Ontmoeting met andere gelovigen is van groot belang. Dit geldt ook voor kinderen. Laat kinderen andere gelovigen ontmoeten; ga met andere mensen naar het bos, blijf mensen thuis (in kleine groepen) uitnodigen.
Uit het onderzoek van Ruth Perrin (2020) kwam naar voren dat millennials (geboren tussen 1986 en 1995) zoeken naar ‘familie’ in de kerk, omdat hun eigen familie vaak verder weg woont. Vaders en moeders, broers en zussen in het geloof; diepe vriendschappen door de generaties heen. De kerk en ouders zullen hun creativiteit moeten blijven aanboren om wegen te vinden om de gemeenschap der heiligen corona-proof vorm te geven. Voor jongeren is dit helemaal van groot belang. Voor hen is de peergroup van levensbelang. Jongeren moeten anderen ontmoeten.

Een aantal jaar geleden is een onderzoek gedaan in Amerika onder jongeren uit verschillende religieuze tradities in Amerika (Layton et al., 2011). De onderzoekers beschrijven dat jongeren zich met name verbinden aan religieuze tradities en rituelen, aan God, aan een denominatie, aan leden van de geloofsgemeenschap, ouders, de Heilige Schrift en religieuze leiders. Interessant was dat de onderzoekers ontdekten dat al deze bouwstenen iets relationeels in zich hebben. De bouwstenen van de religieuze identiteit van de jongeren worden bij elkaar gehouden door stevig cement: relatie. Een joods meisje vertelt bijvoorbeeld dat de joodse feesten belangrijk zijn voor haar. Bij doorvragen blijkt dat het niet alleen om de joodse feesten op zich gaat, maar dat het haar met name gaat om het relationele aspect van de feesten: het sámen feestvieren, het bij elkaar komen, de gezelligheid, het contact met familie en vrienden op de feesten. In tijden van corona staat deze relatie erg onder druk. Kerk en ouders moeten er alles aan doen dat jongeren elkaar kunnen blijven ontmoeten en dat er relaties opgebouwd kunnen worden tussen hen en anderen binnen de gemeenschap.

Urgentie
In de geloofsopvoeding moet er veel meer gebeuren dan overdracht van kennis en het inleiden in betekenissen. Kinderen moeten iets ervaren, iets beleven aan de aanwezigheid van God. Ter Horst noemt dit het ‘Gouden Moment’. Deze gouden momenten moeten benut worden, thuis en in de kerk. Als ouder moet je ontzettend alert zijn of zich een gouden moment voordoet. De kerk moet niet tevreden zijn met het overbrengen van kennis en eventueel wat extra aandacht voor de kinderen. Kinderen moeten ervaren, beleven, met alle zintuigen. Tijdens een kerkdienst of een gouden moment thuis moet de tijd stilstaan voor de kinderen. Dat dit van levensbelang is, laat het volgende citaat zien: Kinderen ‘hebben nog de behoefte om met zinnen, Ik en hart iets te beleven aan de aanwezigheid van De Heilige. Als dat een aantal keren niet gebeurt en ze zitten zich maar wat te vervelen, dan vormen ze om hun hart een eeltlaag, een dressaat dat hen belet er ooit in een kerkdienst nog echt helemaal bij te komen. Dat is niet omdat ze zondig zijn, maar omdat ze verpest zijn.’ (128) Het gevaar dat er een eeltlaag ontstaat bij het luisteren naar online diensten is heel goed voorstelbaar. Laten we kinderen en jongeren niet verpesten en er alles aan doen dat gouden momenten gezocht en benut worden.
Door corona kunnen we erg gericht zijn op het hier en nu. Het nieuws gaat al maanden over bijna niets anders dan corona en vooral over de maatregelen die getroffen worden of zouden moeten worden en over wie iets te verwijten valt. Als we niet opletten zijn we alleen maar bezig met het hier en nu. Kinderen moeten juist toekomstperspectief en richtingsbesef bijgebracht worden. We zijn ergens naar op weg, en wel naar Jeruzalem. De ‘goede tijd’ ligt niet achter ons, maar ligt voor ons. Dat is nog eens een adembenemend perspectief!

Dr. E. Visser-Vogel is docent-onderzoeker aan de CHE. Ze promoveerde in 2015 op een onderzoek naar de religieuze identiteitsontwikkeling van christen- en moslimjongeren in Nederland. Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

[1] Wim ter Horst, Wijs me de weg. Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een post-christelijke samenleving (Kampen: Kok, 2013), 60.

Voor het bestellen van dit nummer, klik hier
Voor een abonnement op Kontekstueel, klik hier

 

 

Afdrukken