
De banden waarin het Verzameld Werk van A.A. van Ruler momenteel wordt gepubliceerd, zijn mosgroen. De kleur die we associëren met de natuur leek het meest passend voor de definitieve uitgave van Van Rulers werk. In Van Rulers theologie is de gewone natuurlijke werkelijkheid immers van niet te overschatten betekenis. De waardering van het aardse leven was een centraal thema waarover hij weloverwogen en consistent een tegendraads geluid liet horen.
Het eerste artikel van het credo – over God als Schepper – noemde hij zelfs uitdagend het artikel waarmee de kerk mee staat of valt. Kunnen we Van Rulers passie voor de aardse werkelijkheid vandaag nog navoelen? En helpt hij ons om de problemen waarvoor de schepping ons momenteel stelt het hoofd te bieden?
Van Ruler zet op het punt van de schepping inderdaad stoer in: zij is geen lagere trede van het zijn, geen opstapje, en al helemaal geen ‘afzichtelijke cocon waaruit de stralende vlinder van de geest zich moet ontpoppen’, maar ‘de volle, eigenlijke en goede werkelijkheid’. Zij is door de zonde weliswaar diepgaand aangetast, maar dat is dan ook het enige wat er mee mis is. En dat probleem wordt Gode zij dank door Christus en de Geest weggenomen. Vandaar dat het eschaton geen nieuwe schepping zal opleveren, maar eenvoudig het herstel van de oude. Er is zelfs ‘een volstrekte identiteit tussen deze wereld en de toekomende’.1 Al houdt Van Ruler dat laatste niet helemaal vol (in de toekomende wereld zal de zonde immers geen kans meer krijgen), hij vindt Calvijn maar ondankbaar jegens de Schepper wanneer deze het hemelse leven voor oneindig belangrijker dan het aardse houdt.
Het oude niet afgedankt
In de scheppingsleer gaat het bij Van Ruler in feite meteen al over alles, over de hele ‘reidans’ van Gods daden. We probeerden het in de bundel Van schepping tot Koninkrijk (2008), het wordt opnieuw geprobeerd in het Verzameld Werk, maar het blijft wringen: Van Rulers denken valt nooit helemaal in de keurige voorgegeven mal van de scholastieke loci-methode te passen. Telkens is immers vanuit een bepaalde blikrichting het geheel aan de orde. En de grondlijn is door alle loci heen volstrekt consistent: geen dualisme tussen aards en hemels, stoffelijk en geestelijk, of wat dan ook. Alleen – dat wel – de tweeheid van God en mens, Schepper en schepsel. Maar verder is er vooral continuïteit. Van nova creatio wilde Van Ruler niet weten, re-creatio moest het zijn. Het oude wordt niet afgedankt. Wie afgaande op de titel van zijn beroemde De vervulling van de wet mocht denken dat de wet dan toch in elk geval wel beëindigd wordt, komt bij het lezen bedrogen uit: vervulling is niet overstijgen of overbodig maken, maar van kracht maken en geldigheid verlenen, valideren. Er is immers slechts één werkelijkheid: de zichtbare en tastbare waarin we ons bevinden, en met het oog waarop God ons zijn Torah gegeven heeft. .................
Prof.dr. Gijsbert van den Brink doceert geschiedenis van het gereformeerd protestantisme aan de Universiteit Leiden en dogmatiek aan de Vrije Universiteit. Mailadres:
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
noten
1. Deze kernachtige citaten gebruikt Dirk van Keulen om in één van zijn knappe inleidingen op het verzameld werk van Van Ruler het karakteristieke van diens scheppingsleer kort en bondig neer te zetten. Zie zijn ‘Inleiding’ in Verzameld Werk deel 3, Zoetermeer 2009, 16.
Voor een nieuw abonnement, klik hier
Voor losse nummers, klik hier