Artikelen

nr2 • 2011 • Op college bij Van Ruler - intro

Op college bij Van Ruler
J. Stelwagen

Het moet in de herfst van 1961 zijn geweest dat ik als negentienjarige voor het eerst naar een college van professor Van Ruler ging. Vanaf het tweede studiejaar werd je geacht zijn colleges dogmatiek te volgen. De zaal (achter in het academiegebouw aan het Domplein) werd bevolkt door een gemengd gezelschap van oudere- en jongerejaars. Bovendien kwamen er geïnteresseerden uit andere studierichtingen.
Velen hebben al geschreven over de meeslepende wijze waarop Van Ruler college gaf. Dat het een ‘onemanshow’ was. Beroemd zijn de vaak humoristische voorbeelden waarmee hij zijn betoog wist te versieren. Hij stond ook altijd open voor vragen die vanuit de zaal gesteld werden. Hij ging daar serieus op in en kwam dan op allerlei zijpaden terecht. Maar dat gaf niet, het bleef boeiend. Zo boeiend dat ik het college jarenlang gevolgd heb (het laatst in 1968) en altijd een collegedictaat bewaard heb van 116 dichtbeschreven pagina’s.

Waar ging het over?
Merkwaardig was dat het eigenlijk altijd over hoofdstuk 20 van de Gereformeerde Dogmatiek van Heinrich Heppe ging. Dat boek moesten wij in Utrecht grondig bestuderen omdat Van Ruler vond dat je pas iets nieuws kon zeggen als je eerst de traditionele dogmatiek grondig tot je had genomen. Hoofdstuk 20 gaat over de wijze waarop God mensen roept. Maar daarachter zat de vraag of het heil alleen verworven moest worden door Christus of dat het daarna ook nog door de Heilige Geest toegepast moet worden op de mens, en zo ja hoe dan? Welnu, daar gingen de colleges over en het leek wel of we nooit veel verder kwamen. Zo werden wij bekend gemaakt met subtiele onderscheidingen uit de gereformeerde dogmatiek als die tussen de applicatio salutis objectiva en subjectiva en die tussen de applicatio salutis in nos en in nobis.  
Maar Van Ruler gebruikte dit hoofdstuk als een platform om daarop zijn vaste thema’s over het voetlicht te kunnen brengen: dat het werk van de Heilige Geest even belangrijk is als het werk van Christus. En dat de pneumatologie daarom even belangrijk is als de christologie. En dat de schepping weer heel iets anders is dan de verlossing en het heil. En dat we daarom voluit trinitarisch moeten denken. En dat we daarom ook niet bang moeten zijn voor begrippen als de triniteit en de raad Gods en de besluiten die daarin genomen worden en dat van die ‘decreten’ de dubbele predestinatie wel het ‘neusje van de zalm’ is. En dat Karl Barth, die alles op de kaart van de christologie en de verlossing zet, daarom zeer beperkt en hopeloos eenzijdig is. Zo waaierden de colleges uit naar alle thema’s van de dogmatiek. Maar regelmatig  kwam hij toch weer terug op zijn uitgangspunt: hoofdstuk 20.

Wat sprak mij aan?
1. Had ik geen vragen bij die dogmatische scherpslijperij van Heppe? Vast wel. Wat boeide mij dan toch zo dat ik bleef komen? Ik heb er mijn collegedictaat nog eens op nagelezen en werd opnieuw geboeid. Allereerst door de kracht en de originaliteit van dit denken dat geen probleem en geen vraag uit de weg ging. Of het nu de vraag was naar buitenaards leven (‘Het is mogelijk en dan komen de vragen: is daar ook een zondeval geweest? Geldt het offer van Christus ook daar?’) of de vraag naar de evolutie (‘Ze zeggen dat de mens van de aap afstamt; ik val daar niet van ondersteboven; volgens de bijbel ben ik van stof gemaakt en dat is een nog veel mindere komaf.’). Maar het kon ook de kindervraag zijn of Fikkie in de hemel komt (‘Van Fikkie is het zeker, want hij heeft nooit gezondigd’).............

Drs. Jan Stelwagen is emeritus predikant (PKN)
Mailadres: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Voor een nieuw abonnement, klik hier
Voor losse nummers, klik hier 

Scroll to Top